ECLI:NL:TADRSGR:2026:33 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-821/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:33 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-02-2026 |
| Datum publicatie: | 17-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-821/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een arbeidsrechtelijk geschil. Diverse verwijten over de proceshandelingen, houding en uitlatingen van verweerster en wijze waarop zij verweer heeft gevoerd tegen de tuchtklacht slagen niet. De raad deels kennelijk onbevoegd, de klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 11 februari 2026 in de zaak 25-821/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 24 november 2025 met kenmerk K258 2024 en van de op
de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende
stukken van klager van 24 december 2025 en van verweerster van 5 januari 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft sinds oktober 2020 een arbeidsrechtelijk conflict met zijn werkgever,
[de universiteit]. Aanvankelijk werd de [universiteit] door een kantoorgenoot van
verweerster bijgestaan. Deze advocaat heeft op 14 maart 2024 namens de [universiteit]
een ontbindingsverzoek van klagers arbeidsovereenkomst ingediend bij de rechtbank.
1.2 De ombudsman van de [universiteit] heeft het ontbindingsverzoek in handen
gekregen en hierover bij het College van Bestuur (hierna: het bestuur) van de [universiteit]
in een e-mail haar ongenoegen geuit. Het bestuur heeft met de ombudsman vervolgens
op 2 april 2024 een gesprek gevoerd. Het ontbindingsverzoek is naar aanleiding van
dit gesprek aangepast door verweerster, die de zaak van haar kantoorgenoot daarmee
overnam. Zij heeft de passages en de producties die toezagen op het handelen van de
ombudsman verwijderd.
1.3 Op 26 april 2024 heeft verweerster het vervangend ontbindingsverzoek ingediend
bij de rechtbank en per e-mail met het beveiligingsprogramma Bastion365 verzonden
aan klagers advocaat.
1.4 Op 8 mei 2024 heeft verweerster op verzoek van het bestuur aan de rechtbank
gevraagd of het (oorspronkelijke) ontbindingsverzoek van 14 maart 2024 vernietigd
kon worden. Op 10 mei 2024 heeft de griffie van de rechtbank haar bericht dat het
ontbindingsverzoek is vervangen. Op 13 mei 2024 heeft verweerster hierover telefonisch
contact gehad met de griffie.
1.5 Op 22 mei 2024 heeft klagers advocaat aan de rechtbank bericht nooit een
vervangend ontbindingsverzoek te hebben ontvangen. Diezelfde dag heeft verweerster
dit betwist met een verzendbewijs van Bastion365.
1.6 Op 28 mei 2024 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat het oorspronkelijke
ontbindingsverzoek wettelijk noch procesrechtelijk kan worden ingetrokken en dat slechts
wijzigingen kunnen worden aangebracht, zodat het oorspronkelijke ontbindingsverzoek
tot het procesdossier blijft behoren. Verweerster is in de gelegenheid gesteld om
een duidelijk overzicht te geven welke gronden zij niet langer aan haar verzoek ten
grondslag legt, respectievelijk op welke feiten, respectievelijk producties zij zich
niet langer beroept en op welke onderdelen het petitum is gewijzigd.
1.7 Bij brief van 3 juni 2024 heeft verweerster een toelichting gegeven aan de
rechtbank over de wijze waarop het vervangende ontbindingsverzoek is verzonden. Daarbij
heeft zij tabelsgewijs aangegeven welke aanpassingen er zijn gedaan in het vervangend
ontbindingsverzoek ten opzichte van het originele ontbindingsverzoek.
1.8 Bij brief van 17 juni 2024 heeft klagers advocaat aan de rechtbank geschreven
dat hij de opstelling van verweerster over het niet hebben ontvangen van de e-mail
van 26 april 2024 niet welwillend en in lijn met gedragsregel 24 vindt. Daarbij heeft
hij onder meer gemotiveerd dat hij het stuk van 26 april 2024, net als een e-mail
van 3 juni 2024 hem nooit hebben bereikt omdat deze door Microsoft als phishing-e-mail
zijn aangemerkt en in quarantaine zijn geplaatst, waarvan hij nooit een melding heeft
gehad. Daarbij heeft klagers advocaat het standpunt ingenomen dat het, gelet op de
ontvangsttheorie, aan verweerster is om de ontvangst aan te tonen en dat zij daarin
niet is geslaagd.
1.9 Bij brief van 20 september 2024 heeft verweerster aan de rechtbank bericht
dat het (oorspronkelijke) ontbindingsverzoek wordt ingetrokken, onder aanbieding van
een proceskostenvergoeding aan klager. Daarbij is aangekondigd dat een nieuw ontbindingsverzoek
zal worden ingediend.
1.10 Op 4 oktober 2024 heeft verweerster een brief aan de rechtbank verzonden.
Een kopie daarvan is aan klagers advocaat gezonden.
1.11 Bij brief van 9 oktober 2024 heeft verweerster een brief aan de rechtbank
geschreven, waarin zij zich namens de [universiteit] verzet tegen een door klager
verzochte volledige proceskostenvergoeding wegens misbruik van procesrecht.
1.12 Op 18 oktober 2024 heeft de ombudsman op verzoek van klager bevestigd geen
afspraken te hebben gemaakt met de [universiteit] ten aanzien van de producties en
stellingen in het (oorspronkelijke) ontbindingsverzoek en evenmin om vernietiging
van het (oorspronkelijke) ontbindingsverzoek heeft gevraagd.
1.13 Op 18 oktober 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat de procedure
was beëindigd en is de [universiteit] veroordeeld in de proceskosten van klager tot
een bedrag van € 20.135,-. Dit is in afwijking van het liquidatietarief, omdat de
rechtbank van oordeel is dat de [universiteit] door de intrekking van het verzoek
nodeloze kosten heeft veroorzaakt voor het opstellen van het verweerschrift en de
discussie over de wijziging van het verzoek en intrekking daarvan. De rechtbank heeft
geen misbruik van recht aangenomen.
1.14 Op 25 oktober 2024 is een nieuw ontbindingsverzoek ingediend.
1.15 Op 12 december 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over
verweerster.
1.16 Op 11 februari 2025 heeft de zitting plaatsgevonden. Bij vonnis van 11 maart
2025 heeft de rechtbank de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens verwijtbaar handelen
door klager. Omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen is aan klager wel
een transitievergoeding toegekend.
1.17 Op 26 maart 2025 heeft verweerster verweer gevoerd tegen de tuchtklacht,
welk verweer zij bij dupliek van 11 juni 2025 heeft aangevuld. Daarin heeft zij onder
meer het vonnis en proces-verbaal van 11 maart 2025 en een e-mail van 11 september
2024 van de vertrouwenspersonen van de [universiteit] waarin zij richting het bestuur
uiten zich onveilig te voelen.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft gelogen tegen de rechtbank over de brief met het document
van 26 april 2024, die klagers advocaat nooit heeft ontvangen, en over die brieven
van 3 juli 2024 en 4 oktober 2024 die niet bestaan; Schending van gedragsregels 1,
7, 8 en 20.
b) Verweerster heeft geprobeerd klagers advocaat onder druk te zetten om in te
stemmen met een onderhandeld voorstel tijdens een telefoongesprek, door te dreigen
met negatieve gevolgen en zogenaamd bewijs dat de advocaat het ontbindingsverzoek
van 26 april 2024 weldegelijk heeft ontvangen. Daarbij heeft verweerster vermeldt
te overwegen een kopie van die brief aan de deken te sturen, tenzij klagers advocaat
ervoor zou zorgen dat klager bereid was om te onderhandelen over een oplossing. Ook
heeft zij onwelwillend tegenover klagers advocaat gehandeld door hem niet te informeren
over het vermeend ontbreken van processtukken, maar heeft dit gebruikt om de wederpartij
te benadelen wat onnodige vertraging en complicaties in het proces veroorzaakt; Schending
van de kernwaarde integriteit en gedragsregels 1, 7, 8, 20 en 24.
c) Verweerster maakt zich schuldig aan misleiding en tuchtrechtelijke onzorgvuldigheid,
door suggestief te verwijzen naar uitspraken van de kantonrechter om klagers positie
te ondermijnen en haar eigen handelen te rechtvaardigen; Schending van de kernwaarden
en gedragsregels 1, 7 en 8.
d) Verweerster hanteert in de procedure bij de rechtbank en in haar verweer op
de klacht een ‘gish gallop’-strategie, door een stortvloed aan halve waarheden, suggestieve
verdraaiingen en feitelijke onjuistheden met de bedoeling om de kern van de zaak en
klacht te verdoezelen, haar wederpartij te ridiculiseren en een eerlijke, tijdige
en transparante beoordeling van de zaak en klacht; Schending van de kernwaarden en
gedragsregels 1, 6, 7, 8, 12 en 20 en 24.
e) Verweerster hanteert onnodig grievend taalgebruik, door klager in diskrediet
te brengen met de termen ‘patroon van klagen’, ‘gebrek aan’, ‘Murphy’s Law’ en ‘in
niet mis te verstande bewoordingen’; Schending van gedragsregels 1, 7, 10 en 24.
f) Verweerster toont een lichtvaardige houding ten aanzien van fundamentele juridische
normen en het procesrecht en heeft uitspraken en instructies van de rechtbank genegeerd,
door te proberen een ingediend ontbindingsverzoek te laten vernietigen en door vertrouwelijke
informatie te gebruiken; Schending van gedragsregels 1, 3, 6, 8, 12 en 20.
g) Verweerster probeert haar eigen fouten te bagatelliseren door te verwijzen
naar ‘Murphy’s Law’, terwijl sprake is van concrete nalatigheid zoals het niet verifiëren
van de ontvangst van belangrijke stukken; Schending van de kernwaarden en gedragsregels
1, 6, 8, en 24.
h) Verweerster handelt in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming
door zonder rechtvaardiging privacygevoelige informatie te gebruiken, zoals klagers
sollicitatiebrief en een vertrouwelijke e-mail van de Orde van Advocaten; Schending
van de kernwaarden, gedragsregels 1, 3, 6, 8, 20 en 24 en artikel 8 van het Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie.
i) Verweerster haalt een opmerking van klager over een Porsche Taycan Turbo S
uit context om klager als onredelijk te laten overkomen, wat niet bijdraagt aan het
inhoudelijke debat en bedoeld is om klager te beschadigen; Schending van de kernwaarden
en gedragsregels 1, 7, 8 en 20.
j) Verweerder tracht de klachtprocedure te blokkeren met (onhoudbare) formele
verweren, zonder inhoudelijk in te gaan op de klachten. Zij treedt hiermee buiten
haar rol en toont geen open, toetsbare en respectvolle proceshouding; Schending van
de kernwaarden en gedragsregels 1, 8, 20 en 24.
k) Verweerster beweert zonder nader bewijs dat er afspraken zijn gemaakt tussen
het bestuur van de [universiteit] en de Ombudsman, terwijl de Ombudsman dit nadrukkelijk
ontkent. Zij heeft daarover gelogen tegen de rechter; Schending van de kernwaarden
en gedragsregels 1, 3, 8, 12, 13, 20 en 24.
l) Verweerster verhult dat het dossier is overgedragen na en vanwege de kritiek
van de Ombudsman en zij schiet tekort in het waarmaken van haar verantwoordelijkheid
na de overname; Schending van de kernwaarde integriteit en gedragsregels 1, 6, 8,
12 en 20.
m) Verweerster ondermijnt actief de onafhankelijkheid van de vertrouwenspersonen
en zet meldstructuren strategisch tegen klager in, terwijl zij wist dat sprake was
van structurele sociale onveiligheid; Schending van de kernwaarden en gedragsregels
1, 6, 8, 20 en 24.
2.2 Voor zover klager in zijn aanvullende stukken van 24 december 2025 aanvullende
klachtonderdelen naar voren heeft bedoeld te brengen, geldt dat deze niet worden beoordeeld
nu deze zijn ingediend na het moment dat het klachtdossier door de deken aan de raad
is doorgezonden (zie artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet).
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a): liegen van verweerster over brieven
4.2 De voorzitter stelt vast dat discussie is ontstaan over de ontvangst door
klagers advocaat van de brief van 26 april 2024. Uit het dossier volgt echter dat
deze brief bestond en is verzonden door verweerster, maar dat deze om technische redenen
niet het postvak van klagers advocaat heeft bereikt. Dat kan verweerster echter in
redelijkheid niet worden aangerekend, aangezien zij geen invloed heeft op de beveiligingsfilters
van klagers e mailaccount en zij kon vertrouwen op de verzendbevestiging van Bastion365.
Verweerster kon ook op een later moment naar die brief verwijzen. Verweerster is er
dus, naar later bleek, ten onrechte vanuit gegaan dat klagers advocaat de mail had
ontvangen. Dat is echter niet voldoende om te concluderen tot tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen. Als klager daar bezwaren tegen had omdat hij de inhoud van die brief niet
kende, dan kon hij die bezwaren in de procedure bij de kantonrechter uiten. Gebleken
is dat dit ook is gebeurd.
4.3 Niet gebleken is dat de andere twee brieven niet bestaan. Over de brief van
3 juli 2024 heeft verweerster toegelicht dat dit een typefout is geweest en dat daarmee
de brief van 3 juni 2024 is bedoeld. Deze bestaat en bevindt zich ook in het dossier.
Daarnaast bevat het dossier ook een e-mail aan klagers advocaat met daarin een brief
van 4 oktober 2024 als bijlage. Ook daarvan kan dus niet worden gezegd dat deze niet
bestaat.
4.4 Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b): onder druk zetten van en onwelwillend zijn tegenover klagers
advocaat
4.5 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen. Klager heeft bij dit klachtonderdeel geen eigen,
rechtstreeks betrokken belang. Dat komt slechts aan zijn advocaat toe. Als klagers
advocaat meent dat verweerster hem onder druk heeft gezet met een tuchtklacht of onvoldoende
heeft gestreefd naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen,
dan had hij daar zelf een klacht over moeten indienen. Klager heeft daarbij hoogstens
een afgeleid belang als partij in de arbeidsrechtelijke procedure.
4.6 Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel b).
Klachtonderdeel c): misleiding door suggestieve verwijzingen naar uitspraken van
de kantonrechter
4.7 Het klachtonderdeel komt er in de kern op neer dat verweerster in haar verweer
op de tuchtklacht heeft verwezen naar het oordeel van de kantonrechter in de onderliggende
civiele procedure. Volgens klager gaat het in deze tuchtprocedure niet over zijn functioneren
als werknemer wat in die procedure centraal stond, maar om het handelen van verweerster.
De voorzitter kan klager daarin volgen, maar dat laat onverlet dat aan verweerster
de vrijheid toekomt om haar verweer op een tuchtklacht naar eigen goeddunken in te
richten. Daaronder valt ook het in context plaatsen van de tuchtklacht. Dat is niet
klachtwaardig (vergelijk RvD ’s-Hertogenbosch 9 december 2025, ECLI:NL:TADRSHE:2025:170,
onder 4.10).
4.8 Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d): ‘gish gallop’-strategie
4.9 Door klager wordt gesteld dat verweerster een strategie heeft gehanteerd
‘waarbij een stortvloed aan halve waarheden, suggestieve verdraaiingen en feitelijke
onjuistheden wordt gepresenteerd’. Dat zou zij zowel in de arbeidsrechtelijke procedure
als in reactie op de tuchtklacht hebben gedaan.
4.10 De voorzitter stelt voorop dat aan verweerster de vrijheid toekomt om, in
samenspraak met haar cliënte, processtukken op te stellen. Daarover heeft een wederpartij
in beginsel niets te zeggen. Slechts wanneer verweerster daarmee klagers belangen
zonder redelijk doel schaadt of zich onnodig grievend over hem uitlaat, zou dit tot
een tuchtrechtelijk verwijt kunnen leiden. Daarvan is geen sprake. Klager in dat verband
gewezen op drie voorbeelden:
- de brief van 3 juni 2024 waarin verweerster verwarrende en irrelevante wijzingen
naar voren zou hebben gebracht, wat klagers mogelijkheid om daarop effectief te reageren
belemmert;
- Het geven van een technisch gecompliceerde redenering over het verzenden van
de brief van 26 april 2024;
- Het verdraaien van een metaforische opmerking van klager over een Porsche Taycan
Turbo S.
4.11 Wat betreft de brief van 3 juni 2024, stelt de voorzitter vast dat verweerster
tabelsgewijs heeft aangegeven welke onderdelen zij in het gewijzigde ontbindingsverzoek
heeft aangepast, door weer te geven om welke oorspronkelijk randnummer het ging, welk
randnummer het in het gewijzigde ontbindingsverzoek betrof en vervolgens een korte
toelichting van de aanpassing. De voorzitter ziet daarin niet dat verweerster hiermee
de belangen van klager zonder redelijk doel heeft geschaad. Dat klager zich niet kan
vinden in deze aanpassingswijze, is daarvoor onvoldoende. Als hij in dat verband meende
dat verweerster niet zou hebben voldaan aan de opdracht van de rechtbank onder verwijzing
naar artikel 283 Rv en artikel 1.2.7 van het procesreglement, dan kon klager die bezwaren
uiten bij de kantonrechter.
4.12 Ten aanzien van de verzending van 26 april 2024, heeft verweerster mogen
motiveren dat die brief wel op juiste wijze aan klagers advocaat was verzonden. Dat
was namelijk in het belang van haar cliënte en verweerster heeft dit partijbelang
te dienen. Als daarvoor een technisch complexe uitleg nodig was over ICT, dan mocht
zij die geven. Er is geen sprake van feitelijke onjuistheden in deze motivering en
van benadeling zonder redelijk doel is dus geen sprake.
4.13 Over de opmerking van de Porsche Taycan Turbo S, geldt dat verweerster niet
bij het gesprek was waarin klager die opmerking had gemaakt. Zij heeft mogen uitgaan
van de informatie die zij van haar cliënte kreeg. Dat de metaforische bedoeling die
klager daarbij had niet is opgemerkt door ofwel haar cliënte of verweerster zelf,
kan verweerster niet worden aangerekend. De gebruiker van een metafoor loopt immers
het risico dat deze niet goed kan wordt begrepen.
4.14 Tot slot geldt op dit onderdeel dat, zoals hiervoor bij klachtonderdeel
c) al is aangegeven, aan verweerster de vrijheid toekomt om haar verweer op een tuchtklacht
naar eigen goeddunken in te richten. Dat klager passages daaruit niet ter zake vindt
doen, anders heeft ervaren of onvoldoende onderbouwd vindt, doet aan die vrijheid
niet af. Voor zover verweerster haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd met stukken,
heeft de voorzitter de betwisting daarvan door klager opgemerkt en meegewogen bij
het vaststellen van de feiten. Ook verder kan niet van de reacties van verweerster
op de tuchtklacht niet worden gezegd dat deze een ‘eerlijke en transparante beoordeling
van haar handelen’ belemmeren; de reacties zijn gestructureerd en ook in omvang niet
excessief.
4.15 Gelet op het voorgaande, zal de voorzitter klachtonderdeel d) kennelijk
ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel e): kwetsende uitlatingen
4.16 Zoals hiervoor onder klachtonderdeel c) al is aangegeven, komt aan verweerster
de vrijheid toe om haar verweer op een tuchtklacht naar eigen goeddunken in te richten.
Daarbij mag zij ook wijzen op eerdere of andere (tucht)klachten die klager zou hebben
ingediend, om de tegen haar ingediende klacht in perspectief te plaatsen. Voor zover
‘een patroon van klagen’ al als kwetsend moet worden beschouwd, is dat in ieder geval
niet onnodig kwetsend.
4.17 Klager beklaagt zich verder over het gebruik van de term ‘gebrek aan’. Een
concretisering daarvan is echter niet gegeven, zodat deze uitlating niet in context
kan worden bezien. Bovendien kan van deze term niet op voorhand worden gezegd dat
deze onnodig kwetsend is.
4.18 Niet kan worden ingezien waarom het gebruik van de term ‘Murphy’s Law’ over
het verloop van het vervangend van het ontbindingsverzoek zou gaan over de persoon
van klager of waarom dit (onnodig) kwetsend jegens hem zou zijn. Die onderbouwing
is ook niet gegeven.
4.19 Tot slot heeft verweerster in haar verweer op de klacht verwezen naar het
vonnis van de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen de [universiteit]
en klager, waaruit zij opmaakt de kantonrechter “(…) in niet mis te verstane bewoordingen
[onderbouwt] dat [klager] zich niet constructief heeft opgesteld (…)”. Verweerster
mag dat oordeel van de kantonrechter helder vinden en kwalificeren als ‘in niet mis
te verstane bewoordingen’. Onder verwijzing naar de motivering onder klachtonderdeel
c), mocht zij dat van belang achten om te vermelden om zodoende de klacht in context
te plaatsen. Daarmee is dit in elk geval niet onnodig kwetsend.
4.20 Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f): lichtvaardige houding ten aanzien van fundamentele normen en
procesrecht
4.21 Verweerster heeft toegelicht dat uit het gesprek van het bestuur met de
ombudsman van 2 april 2024 naar voren was gekomen dat diens wens was dat de rol van
de ombudsman werd geminimaliseerd in het ontbindingsverzoek. Althans, zo had verweersters
cliënte dat opgevat, hetgeen kennelijk achteraf een onjuiste conclusie bleek. Verweerster
heeft echter daarnaar mogen handelen en een gewijzigd ontbindingsverzoek mogen indienen,
waarbij zij de mogelijkheden heeft kunnen bezien om het oorspronkelijke ontbindingsverzoek
te laten vernietigen zodat enkel nog de gewijzigde versie voor lag. Toen daarover
nog steeds discussie bestond, heeft zij kennelijk in overleg met haar cliënte besloten
om de zaak geheel in te trekken en een nieuwe procedure te starten. Daaruit kan niet
worden opgemaakt dat verweerster een lichtvaardige houding heeft ten aanzien van de
fundamentele normen en het procesrecht. Zij heeft in het belang van haar cliënte gehandeld
en mocht dat ook doen. Ook is zij transparant geweest over de gehele gang van zaken.
4.22 Daarnaast zou verweerster vertrouwelijke informatie hebben gebruikt. Klager
heeft daarover toegelicht dat dit ging om een e-mail van de Haagse Orde van Advocaten/deken
die was gemarkeerd als vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde.
Ook hier geldt dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of
nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft
het recht om hierover een klacht in te dienen. Het is dus alleen aan de afzender van
het bericht, zijnde de Haagse Orde van Advocaten dan wel de deken, om zich hier dan
ook over te beklagen.
4.23 De voorzitter zal klager ten aanzien van klachtonderdeel f), voor zover
gericht op het gebruiken van vertrouwelijke informatie, kennelijk niet-ontvankelijk
verklaren. Klachtonderdeel f) is voor het overige kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g): bagatelliseren van de eigen fouten
4.24 De voorzitter verwijst op dit punt mede naar de beoordeling van klachtonderdeel
a). Het is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar om dergelijke omstandigheden te kwalificeren
als ‘Murphy’s Law’. Klachtonderdeel g) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel h): schending van de AVG
4.25 De raad oordeelt dat het aan verweerster is om standpunten te onderbouwen.
Niet is gebleken dat zij hierbij de belangen van klager onevenredig heeft geschaad.
Het is daarnaast niet aan de tuchtrechter om te beoordelen of sprake is van een schending
van de AVG. Dat oordeel is voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens (zie HvD
4 september 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:148). De voorzitter zal de raad daarom kennelijk
onbevoegd verklaren ten aanzien van dit klachtonderdeel.
Klachtonderdeel i): het uit context trekken van de opmerking over de Porsche
4.26 De voorzitter verwijst op dit punt naar de beoordeling bij klachtonderdeel
d). Klachtonderdeel i) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel j): opwerpen van formele verweren op de tuchtklacht
4.27 Zoals hiervoor onder klachtonderdeel c) al is aangegeven, komt aan verweerster
de vrijheid toe om haar verweer op een tuchtklacht naar eigen goeddunken in te richten.
Daarbij mag zij ook formele verweren opwerpen ten aanzien van de klacht. Het is niet
aan de klagende partij om te bepalen op welke wijze een beklaagde advocaat verweer
wenst te voeren. Klachtonderdeel j) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel k): afspraken tussen het college van bestuur en de ombudsman
4.28 Zoals hiervoor onder klachtonderdeel f) al is overwogen, heeft verweerster
mogen uitgaan van de informatie van haar cliënte over de afspraken die met de ombudsman
gemaakt zouden zijn. Dat haar cliënte die afspraken verkeerd begrepen heeft, kan verweerster
niet worden aangerekend. Klachtonderdeel k) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel l): de overname van het dossier door verweerster
4.29 De voorzitter stelt voorop dat een advocaat geen verantwoording aan derden
hoeft af te leggen waarom deze een dossier van een andere advocaat overneemt. Dat
is iets wat valt onder de vertrouwelijke advocaat-cliëntrelatie. Klager kan er verder
niet in worden gevolgd dat onduidelijk is geworden of verweerster volledig verantwoordelijk
is geworden voor het dossier of dat de voorgaande advocaat daar ook betrokken bij
bleef. Dergelijke verwarring is in het dossier geheel niet gebleken. Dat verweerster
verder het oorspronkelijke ontbindingsverzoek heeft willen wijzigen door de rol van
de ombudsman daarin te minimaliseren levert ook niet het oordeel op dat klagers belangen
op onevenredige wijze zijn geschaad, omdat verweerster dit in het belang van haar
cliënte mocht doen zoals hiervoor al is overwogen.
4.30 Klachtonderdeel l) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel m): bijdragen aan sociale onveiligheid binnen de [universiteit]
4.31 Het laatste klachtonderdeel ziet op een bericht dat verweerster heeft ingebracht
van de vertrouwenspersonen binnen de [universiteit], waaruit zou volgen dat zij zich
onveilig hebben gevoeld bij klager. Volgens klager heeft verweerster daarmee het beeld
van partijdigheid bij de vertrouwenspersonen versterkt, maar ook bijgedragen aan de
sociale onveiligheid binnen de [universiteit]. Ook zou zij het rapport van de ombudsman
dat de [universiteit] haar eigen ombudsregeling niet naleeft en er ernstige tekortkomingen
zijn in de bescherming van melders niet hebben genoemd, waardoor zij die context structureel
buiten beeld houdt en tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt. De voorzitter volgt klager
daar niet in. Zoals onder klachtonderdeel c) al is geoordeeld, komt aan verweerster
de vrijheid toe om haar verweer op een tuchtklacht naar eigen goeddunken in te richten.
Dat geldt ook op dit punt. Bovendien geldt dat als de [universiteit] of diens vertrouwenspersonen
daarvan nadeel zouden ondervinden, slechts zij voldoende belang hebben bij een tuchtklacht
daarover.
4.32 Klachtonderdeel m) is kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.33 De voorzitter zal de raad kennelijk onbevoegd verklaren ten aanzien van
klachtonderdeel h). Klager is ten aanzien van klachtonderdeel b) en klachtonderdeel
f), voor zover gericht op het gebruiken van vertrouwelijke informatie, kennelijk niet-ontvankelijk.
De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart de raad met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk onbevoegd;
- verklaart klachtonderdeel b) en klachtonderdeel f), voor zover gericht op het
gebruiken van vertrouwelijke informatie, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j van de
Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door
mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.