ECLI:NL:TADRSGR:2026:32 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-872/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:32 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-02-2026 |
| Datum publicatie: | 17-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-872/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft uitdrukkelijk betwist dat van een onttrekking in maart 2022 sprake is geweest en het klachtdossier bevat geen brief, e-mail of een ander aanknopingspunt waaruit kan worden afgeleid dat verweerder zich in maart 2022 heeft onttrokken als advocaat van klaagster. Klacht is kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
4 februari 2026
in de zaak 25-872/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen
van de brief van 18 december 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K051 2025 ia/nm en de inventarislijsten (inhoudelijk:
bijlagen 03 tot en met 07 en procedureel: bijlagen 1 tot en met 10). Ook heeft de
voorzitter kennisgenomen van de op 2 januari 2026 door klaagster nagezonden stukken
en van de op 12 januari 2026 door verweerder nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is verwikkeld (geweest) in een echtscheidingsprocedure en daarmee
samenhangende kwesties. Verweerder heeft klaagster hierin vanaf 2010 bijgestaan.
1.2 Op 21 april 2011 heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen klaagster
en haar ex-echtgenoot uitgesproken.
1.3 Op 27 september 2012 heeft de rechtbank Den Haag de verdeling van de ontbonden
huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. Klaagster heeft hoger beroep ingesteld tegen
deze beschikking. Op 22 januari 2014 heeft het Gerechtshof Den Haag overwogen dat
klaagster heeft verklaard dat zij haar medewerking zal verlenen aan de verkoop van
voormalig echtelijke woning en, net als de rechtbank, geoordeeld dat deze woning moet
worden verkocht. De beschikking van de rechtbank is vernietigd ten aanzien van een
aan de ex-echtgenoot toegedeelde aandelenrekening.
1.4 Op 22 oktober 2014 heeft de rechtbank Den Haag op verzoek van klaagster de
door de ex-echtgenoot te betalen alimentatie bepaald.
1.5 Op 7 juli 2021 heeft de rechtbank Den Haag klaagster, op straffe van een
dwangsom, veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning.
1.6 De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 26 oktober 2021
(samengevat) gemachtigd om de verkoop en de levering van de woning aan een derde te
bewerkstelligen. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 1 februari 2022 de door klaagster
gevraagde schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad afgewezen en daarbij overwogen
dat klaagster al geruime tijd niet op een constructieve wijze uitvoering wenst te
geven aan rechterlijke beslissingen en inmiddels de grens van misbruik van procesrecht
raakt.
1.7 De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 11 maart 2022
klaagster gelast, op straffe van een dwangsom, de echtelijke woning voor 31 maart
2022 te verlaten, met afgifte van alle sleutels.
1.8 Op 11, 12 en 13 maart 2022 hebben klaagster en verweerder met elkaar gemaild
over onder meer (partner)alimentatie en de woning.
1.9 Op 22 maart 2022 heeft verweerder een toevoeging voor klaagster aangevraagd
voor een procedure over de boedelscheiding. De Raad voor Rechtsbijstand heeft deze
toevoeging op 25 maart 2022 verleend.
1.10 Op 19 september 2024 heeft een telefoongesprek tussen klaagster en verweerder
plaatsgevonden.
1.11 Op 21 februari 2025 heeft klaagster over verweerder een klacht bij de deken
ingediend. Op 31 maart 2025 heeft klaagster haar klacht aangevuld.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder dat hij zich in maart 2022 als haar advocaat heeft onttrokken in de echtscheidingszaak
en nevenvoorzieningen, terwijl hij destijds opnieuw een toevoeging voor haar heeft
aangevraagd en de boedelverdeling op dat moment nog niet was afgerond. Dat is onzorgvuldig,
omdat de onttrekking heeft plaatsgevonden zonder voorafgaand overleg met klaagster
en zonder overdracht van de zaak aan een andere advocaat. Hierdoor had klaagster onvoldoende
tijd en informatie om nieuwe rechtsbijstand te vinden waardoor haar juridische positie
is verzwakt. Verder is door de onttrekking sprake van vertraging en mogelijk nadeel
in de echtscheidingszaak omdat de boedelverdeling nog niet was afgerond. Tot slot
is door de onzorgvuldige onttrekking van verweerder sprake van een gebrek aan behoorlijke
afronding, omdat klaagster geen duidelijke instructies van verweerder heeft ontvangen
over het vervolg van haar zaak.
2.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling op de klacht ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft verweer tegen de klacht gevoerd. In dat verband heeft verweerder
allereerst een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid, omdat 1) de klaagtermijn van
drie jaar is verlopen en 2) klaagster geen eigen en rechtstreeks belang heeft.
Inhoudelijk heeft verweerder betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Verweerder heeft aangevoerd dat hij zich in maart 2022 niet heeft onttrokken als advocaat
van klaagster, maar dat hij in maart 2022 juist nog een nieuwe toevoeging voor klaagster
heeft aangevraagd. Verweerder heeft uitgelegd dat klaagster hem tijdens het telefoongesprek
op 19 november 2024 voor het eerst verwijten heeft gemaakt en dat hij klaagster toen
heeft voorgehouden dat die verwijten in samenhang met de wijze waarop klaagster haar
emoties uitte eventueel zouden kunnen leiden tot een vertrouwensbreuk en een onttrekking.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Opmerking vooraf
4.1 De voorzitter leidt uit het klachtdossier, waaronder de e-mail van 31 maart
2025 van klaagster aan de deken, af dat de klacht zich beperkt tot het verwijt dat
verweerder zich in maart 2022 als advocaat van klaagster op onzorgvuldige wijze heeft
onttrokken. Hetgeen klaagster en verweerder in hun stukken verder over de inhoud van
de echtscheidingsprocedure en andere familierechtelijke kwesties, zoals alimentatie
en boedelscheiding, naar voren hebben gebracht, laat de voorzitter daarom buiten beschouwing.
Ontvankelijkheid
4.2 Voor zover verweerder ten aanzien van de klacht over de onttrekking een beroep
doet op de niet-ontvankelijkheid slaagt dat niet. Klaagster verwijt verweerder immers
dat hij zich in maart 2022 als advocaat heeft onttrokken en de klacht daarover is
op 21 februari 2025 bij de deken ingediend. De klacht is dus binnen de vervaltermijn
van drie jaar, als bedoeld in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, ingediend.
Verder heeft klaagster, als cliënte van verweerder, uiteraard een eigen en rechtstreeks
belang. De voorzitter zal de klacht hierna dan ook inhoudelijk beoordelen.
Toetsingskader
4.3 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij of zij een zaak behandelt.
Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling
van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt
begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als
algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van
een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.4 De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden
gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk handelende advocaat. De
tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 Advocatenwet en niet aan de gedragsregels,
maar de gedragsregels kunnen zo nodig wel van betekenis zijn bij die toets.
4.5 Over de wijze van onttrekking van advocaten is in gedragsregel 14 lid 3 opgenomen
dat wanneer de advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, hij dat
op zorgvuldige wijze dient te doen en dat hij ervoor dient te zorgen dat zijn cliënt
daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.
Klacht is kennelijk ongegrond
4.6 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft uitdrukkelijk betwist
dat van een onttrekking in maart 2022 sprake is geweest en het klachtdossier bevat
geen brief, e-mail of een ander aanknopingspunt waaruit kan worden afgeleid dat verweerder
zich in maart 2022 heeft onttrokken als advocaat van klaagster. De klacht is, bij
gebrek aan een feitelijke onderbouwing en met toepassing van artikel 46j lid 1 onder
c Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.