ECLI:NL:TADRSGR:2026:31 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-575/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:31
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 17-02-2026
Zaaknummer(s): 25-575/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een strafzaak. Verweerster is tekortgeschoten in die bijstand en heeft de belangen van klager in ernstige mate verwaarloosd. Zij heeft de zaak onvoldoende (met klager) voorbereid, heeft niets schriftelijk vastgelegd en is niet ter zitting verschenen. Ook in hoger beroep heeft zij klager niet gewezen op de gevolgen van het vonnis, waaronder het aflopen van de voorlopige hechtenis. Verweerster toon nauwelijks inzicht in de laakbaarheid van haar handelen. Vier weken schorsing voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde een coachingstraject.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 januari 2026 in de zaak 25-575/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager 
gemachtigde: mr. H. Sytema

over

verweerster 
gemachtigde: mr. O.C. Bondam


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 1 augustus 2024 is namens klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 21 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K154 2024 ia/cw van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 december 2025. Daarbij waren klager en verweerster met hun gemachtigden aanwezig. 
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 03 tot en met 07 (inhoudelijk) en 1 tot en met 11 (procedureel). Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van 4 september 2024 van de gemachtigde van verweerster, met als bijlage het arrest van de Hoge Raad d.d. 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager is aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van betrokkenheid bij ongeregeldheden (openlijke geweldpleging tegen politieambtenaren) in en rond het ADO-stadion op 29 mei 2022. Verweerster heeft klager vanaf de piketfase bijgestaan. 
2.3    Klager is op 28 juli 2022 in bewaring gesteld. Vanaf dat moment, na de door de rechter-commissaris verstrekte last tot toevoeging, heeft verweerster klager op toevoegingsbasis bijgestaan.  
2.4    Op 4 augustus 2022 is de vordering tot gevangenhouding behandeld, in aanwezigheid van verweerster. Diezelfde dag heeft de rechtbank de gevangenhouding voor een termijn van 90 dagen bevolen en de voorlopige hechtenis van klager geschorst onder algemene en bijzondere voorwaarden, met ingang van vrijdag 5 augustus 2022 totdat einduitspraak zal worden gedaan. Voorwaarde 5 houdt in dat klager zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie en voorwaarde 7 dat hij bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak op de terechtzitting aanwezig zal zijn.
2.5    Nadat klager in vrijheid is gesteld hebben verweerster en klager telefonisch en via de WhatsApp contact onderhouden. Zo heeft klager aan verweerster gevraagd of het hem vrijstond om naar het buitenland te gaan, waarop verweerster bevestigend heeft geantwoord. Verweerster heeft geen afspraken, opdrachten, doelen of verwachtingen schriftelijk vastgelegd. 
2.6    Op 2 november 2022 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen klager bij de politierechter plaatsgevonden. De verdachte en verweerster zijn niet ter terechtzitting verschenen. In het proces-verbaal van deze zitting staat vermeld dat de politierechter van de bode heeft vernomen dat verweerster heeft gebeld met de mededeling dat klager ziek is en dat zij niet gemachtigd is om klager ter terechtzitting te verdedigen en zij derhalve niet aanwezig zal zijn. Verder heeft de politierechter vastgesteld dat geen aanhoudingsverzoek is gedaan. De zaak tegen klager is bij verstek behandeld. De politierechter heeft onmiddellijk uitspraak gedaan, inhoudende dat het ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard, dat aan klager een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, en dat 41 vorderingen van benadeelde partijen (deels) zijn toegewezen.  
2.7    Op 4 november 2022 heeft verweerster hoger beroep ingesteld en een grievenformulier ingediend, dat onder meer inhoudt (als verklaring van klager): ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat ik ziek was.  
2.8    Vervolgens heeft tussen klager en verweerster de volgende WhatsApp-conversatie plaatsgevonden:
“04-11-2022 18:18 – [Verweerster]: Hoi [klager] het hoger beroep is ingediend, het was toch een paar maanden gevangenisstraf geworden
05-11-2022 13:39 – [Klager]: Hoi [verweerster], Ok en wat was de uitspraak precies?
05-11-2022 13:41 - [Verweerster]: Uit m'n hoofd 7 maanden waarvan 3 voorwaardelijk en dan die schadevergoedingen benadeelde partijen
05-11-2022 13:45 - [Klager]: Pffff en ook nog een schade vergoeding? Noemden ze daar ook nog bedrag over?
05-11-2022 13:53 - [Verweerster]: Dat krijg ik nog precies in de uitspraak. Bij een andere zaal was het iets van 41 benadeelde partijen en dan gemiddeld toegewezen 350 euro maar dan verdeeld door meerdere verdachten
05-11-2022 13:53 - [Verweerster]: Zaal = zaak
05-11-2022 14:06 - [Klager]: Denk je dat we nog een kans maken op een lichtere straf in hoger beroep?
05-11-2022 14:07 - [Verweerster]: Ja tuurlijk. Erger kan t niet worden. Het zijn echt bizar zware straffen. Werkstraf is veel meer passend
05-11-2022 14:10 - [Klager]: Ja dat had ik ook verwacht. Maar dat zit er denk ik niet meer in. Ik zie me leven steeds verder in de put zaken (…)
05-11-2022 14:14 - [Verweerster]: Niet doen hoor. Positief blijven. Bij t hof kan wel jaar duren. Gewoon verder gaan met jouw leven”
2.9    Op 25 maart 2024 heeft verweerster een verzoekschrift strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis ingediend bij het Gerechtshof Den Haag. Klager zat op dat moment niet vast, maar had wel vernomen dat politieagenten naar hem zoek waren en aan zijn deur waren geweest. In het verzoekschrift is onder meer opgenomen dat klager zijn leven op orde heeft en in Ierland aan het werk is. 
2.10    Het gerechtshof heeft dit verzoek op 18 april 2024 in raadkamer behandeld. Verweerster heeft laten weten dat klager en zij daarbij niet aanwezig zouden zijn. Het gerechtshof heeft het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen, waarbij het volgende is overwogen: 
“Het hof betrekt daarbij dat de verdachte zich op dit moment aan voorlopige hechtenis onttrekt; een eerdere schorsing van zijn voorlopige hechtenis gold tot aan het voormelde vonnis van de politierechter Den Haag van 2 november 2022. Voorts heeft de verdachte ook niet voldaan aan andere, bij voormelde schorsing opgelegde voorwaarden, zoals persoonlijke verschijning bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak.”
2.11    Klager is hierna aangehouden en heeft nog in voorarrest gezeten. 
2.12    Klager heeft zich in de loop van het hoger beroep laten bijstaan door een andere advocaat, die de zaak heeft overgenomen van verweerster.
2.13    Het Gerechtshof Den Haag heeft klager ook veroordeeld, maar dan tot een taakstraf, met aftrek van de dagen dat klager zich in voorarrest heeft bevonden. 
2.14    Op 1 augustus 2024 heeft klager een klacht over verweerster ingediend. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij: 
a)    de zaak tegen klager, gelet op de omvang ervan en de belangen die speelden, niet gedegen heeft voorbereid;
b)    klager had moeten adviseren om ter zitting te verschijnen dan wel moeten wijzen op de risico’s van het niet verschijnen;
c)    klager het onbegrijpelijke advies heeft gegeven om ter zitting niet de verdediging te voeren en het op een hoger beroep aan te laten komen;
d)    in strijd met de waarheid aan de bode heeft doorgegeven dat klager ziek was;
e)    klager na ontvangst van de uitspraak ten onrechte niet heeft gewezen op het herleven van de voorlopige hechtenis en heeft nagelaten terstond weer een schorsingsverzoek in te dienen;
f)    heeft verzuimd klager erop te wijzen dat het zichzelf niet melden (al dan niet door naar het buitenland te gaan) kan worden gezien als het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging en (dus) een schending van de voorwaarden oplevert; 
g)    niet is verschenen bij de raadkamer van het gerechtshof van 18 april 2024 om het schorsingsverzoek toe te lichten.
3.2    Klager heeft toegelicht dat hij geen noemenswaardige ervaring heeft met politie en justitie en dus heeft moet varen op de adviezen van verweerster. Voorafgaand aan de zitting van 2 november 2022 heeft klager niet de beschikking gehad over het dossier en heeft er geen voorbereidende bespreking met verweerster plaatsgevonden. Slechts kort voor de zitting is er kort telefonisch contact geweest, waarbij verweerster heeft geadviseerd niet ter terechtzitting te verschijnen. De zaak zou een mediacircus worden en er zou toch een gevangenisstraf volgen. Verweerster zou zich ook ziek melden en na de uitspraak hoger beroep instellen. Een diepgaande inhoudelijke bespreking van het vonnis en de gevolgen daarvan heeft niet plaatsgevonden, ook niet schriftelijk. Bij de behandeling van het schorsingsverzoek door het gerechtshof is verweerster weer niet verschenen.
3.3    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij heeft erkend dat zij niets schriftelijk heeft vastgelegd, maar heeft toegelicht dat zij telefonisch en via WhatsApp contact met klager heeft onderhouden, zo ook kort voor de zitting. Volgens haar was klager op de dag van de zitting ziek, wilde hij geen aanhouding van de zaak en gaf hij er de voorkeur aan om, bij een tegenvallend vonnis, in hoger beroep te gaan. Klagers stelling dat verweerster zich ziek zou melden, is onjuist. Zij heeft slechts bij de bode gemeld dat klager ziek was en niet zou komen, en dat zij zelf ook niet zou verschijnen omdat zij niet bepaaldelijk gemachtigd was. Het alternatief was dat zij naar de zitting was gekomen, maar dan slechts als een soort toeschouwer. Op de zitting is de voorlopige hechtenis niet aan de orde geweest. In het proces-verbaal van de zitting is vermeld dat de officier van justitie heeft gezegd dat klager wat haar betreft niet meteen hoeft vast te zitten. Omdat de politierechter geen beslissing over de voorlopige hechtenis heeft genomen en gelet op het standpunt van de officier van justitie kon van een feitelijke voortzetting van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden uitgegaan. Dat is ook de lijn van Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987. 
4.2    Verweerster heeft toegelicht dat zij na het instellen van het hoger beroep van de advocaat-generaal heeft vernomen dat klager gesignaleerd stond, teneinde te worden aangehouden. De advocaat-generaal stelde voor dat verweerster een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zou indienen en liet weten dat hij zich hiertegen niet zou verzetten. Volgens verweerster zou op een later moment de inhoudelijke bespreking met en de advisering aan klager plaatsvinden over de kansen en risico’s in hoger beroep. Omdat de behandeling van de zaak in hoger beroep is overgenomen door een andere advocaat is het zover niet gekomen.  
4.3    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Beoordelingskader
5.1    De raad neemt bij de beoordeling van deze klachtonderdelen als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. 
5.2    Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels, maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op hem of haar te rusten. Van een advocaat mag verder worden verwacht dat hij of zij duidelijkheid verschaft over de afhandeling van de zaak. 
5.3    De raad zal de diverse klachtonderdelen aan de hand van bovenstaande uitgangspunten beoordelen. 
Klachtonderdeel a)
5.4    Van een advocaat mag worden verwacht dat hij elke zaak die hij voor zijn client in behandeling heeft – of die nu simpel is of ingewikkeld – en elke zitting die in dat kader gaat plaatsvinden gedegen voorbereidt. Daaronder valt bijvoorbeeld een bespreking van het dossier met de cliënt. Het ontbreken van persoonlijk contact met de cliënt in de vorm van een fysiek gesprek, evenals het niet bespreken van de goede en kwade kansen van de zaak, getuigt van onvoldoende oog voor de belangen van klager (vgl. Hof van Discipline 8 maart 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:73). 
5.5    Uit het dossier volgt dat het contact tussen klager en verweerster voorafgaand aan de zitting telefonisch en via WhatsApp plaatsvond. Verweerster heeft niets schriftelijk vastgelegd, en dus ook niet over de procedure, de strategie, de verwachtingen, de kansen en de risico’s. 
5.6    Klager beklaagt zich erover dat hij geen dossier van verweerster heeft ontvangen en verweerster voert aan dat klager daarop geen prijs stelde. Dat verweer wordt bij gebreke van een schriftelijke vastlegging gepasseerd. 
5.7    Klager werd verdacht van een ernstig strafbaar feit, in welke zaak de officier van justitie vorderingen tot bewaring en gevangenhouding heeft ingediend. Ook hadden 41 benadeelde partijen zich in de stafzaak tegen klager gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding. Bovendien had klager er, onder meer vanwege zijn werk, belang bij dat geen gevangenisstraf (van langere duur dan het voorarrest) zou worden opgelegd. Ten slotte was de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst tot de einduitspraak. 
5.8    De raad heeft op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet kunnen vaststellen dat verweerster de zaak tegen klager en de zitting heeft voorbereid op een wijze die van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat had mogen worden verwacht. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.
Klachtonderdeel b)
5.9    Gelet op de inhoud van de schorsingsvoorwaarden - waaronder de verplichting te verschijnen op iedere oproep van politie en justitie en bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak ter zitting aanwezig te zijn - had verweerster klager moeten adviseren om naar de zitting te komen en hem op zijn minst uitdrukkelijk op de risico’s van niet verschijnen moeten wijzen. Verweerster stelt dat te hebben gedaan, maar dat blijkt niet uit de stukken, omdat schriftelijke vastlegging ontbreekt. Het risico voor de gevolgen daarvan rust op verweerster en gelet hierop gaat de raad aan haar verweer op dit punt voorbij. Ook dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.
Klachtonderdeel c)
5.10    Volgens klager heeft verweerster geadviseerd om ter zitting niet de verdediging te voeren en het op een hoger beroep aan te laten komen. Verweerster betwist die adviezen te hebben gegeven. 
5.11    Gelet op de bij klachtonderdeel a) besproken belangen zou het advies om verstek te laten gaan, een feitelijk aanleg voorbij te laten gaan en het op een hoger beroep te laten aankomen tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. Dat geldt in de strafzaak tegen klager des te sterker, omdat de voorlopige hechtenis van klager was geschorst tot de einduitspraak. Zonder andersluidende beslissing (die ook niet is genomen) zou de schorsing van de voorlopige hechtenis aflopen en de voorlopige hechtenis weer herleven. Alleen daarom al zou het van belang zijn verweer te voeren over de onwenselijkheid van een gevangenisstraf en herleving van de voorlopige hechtenis. De raad volgt verweerster niet dat uit HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987, volgt dat een schorsing voor bepaalde tijd, bijvoorbeeld tot de einduitspraak, automatisch voortduurt. Uit dat arrest volgt dat bij de beslissing tot (wel of niet) schorsing van de voorlopige hechtenis een belangenafweging moet worden gemaakt, dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast en dat het, als de voorlopige hechtenis voor bepaalde tijd is geschorst (bijvoorbeeld tot aan de einduitspraak), in de rede ligt dat de rechter op grond van de actuele situatie beoordeelt of het aflopen van de schorsing van de voorlopige hechtenis nog steeds noodzakelijk is, dan wel dat een hernieuwde schorsing is aangewezen. Kortom, een verweer op dit punt lijkt dus eerder aangewezen. 
5.12    Ook ten aanzien van de door klager gestelde adviezen van verweerster geldt dat het op de weg van verweerster had gelegen haar adviezen schriftelijk vast te leggen. Dat geldt evenzeer voor de beslissing van klager naar aanleiding van die adviezen, zeker wanneer die welbewust van de adviezen van verweerster wilde afwijken. Verweerster heeft dat echter nagelaten. Gelet daarop kan de raad niet vaststellen dat zij op dit punt aan de aan haar als advocaat te stellen zorgvuldigheidseisen jegens klager heeft voldaan en is ook dit klachtonderdeel gegrond. 
Klachtonderdeel d)
5.13    Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de bode aan de politierechter heeft medegedeeld dat verweerster telefonisch had doorgegeven dat klager ziek was, dat zij niet gemachtigd was om hem ter zitting te verdedigen en dat zij daarom ook niet aanwezig was. Verweerster betwist dat tegen de bode te hebben gezegd. Of die mededelingen door verweerster in strijd met de waarheid zijn gedaan, kan de raad niet vaststellen. Hier geldt (uiteraard) niet het vereiste van een schriftelijke vastlegging. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
5.14    Overigens (hetgeen buiten dit klachtonderdeel valt) bevreemdt het wel dat de telefonische mededeling dat verweerster niet op de inhoudelijke behandeling aanwezig zou zijn, omdat zij niet gemachtigd is, wordt gericht aan de bode, en niet (met spoed) aan de rechter die de zaak zou behandelen. Verder geeft de omstandigheid dat verweerster als toegevoegd raadsvrouw niet gemachtigd is geen aanleiding om niet te verschijnen. In beginsel kan van een toevoegde advocaat worden verlangd dat deze bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak aanwezig is.      
Klachtonderdelen e) en f)
5.15    Uit de op 4 en 5 november 2022 gevoerde en hiervoor geciteerde WhatsApp-conversatie blijkt dat verweerster klager slechts kort en bovendien onjuist heeft geïnformeerd over de uitkomst van de zaak. Daarbij heeft zij niet gewezen op de gevolgen van het vonnis, waaronder het aflopen van de voorlopige hechtenis. Ook anderszins is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. Het had wel op haar weg gelegen dat te doen en wanneer klager dat wenste, hetgeen gelet op zijn reactie op het vonnis te verwachten viel, direct een nieuw schorsingsverzoek in te dienen (en daarmee niet bijna anderhalf jaar te wachten). Door dat na te laten en klager in plaats daarvan te adviseren “gewoon verder gaan met jouw leven” heeft zij naar het oordeel van de raad onzorgvuldig en ook tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klager gehandeld. Klachtonderdeel e) is eveneens gegrond.
5.16    Dat geldt ook voor klachtonderdeel f). Het is juist, zoals verweerster heeft betoogd, dat de schorsingsvoorwaarden aan klager zijn betekend, maar dat ontslaat haar niet van haar verplichting om klager hierover te informeren. Dat heeft zij voordat het vonnis door de politierechter is gewezen gedaan. Maar naar het oordeel van de raad geldt dat niet voor de periode daarna. Zoals hierboven is overwogen heeft verweerster ten onrechte als uitgangspunt genomen dat de voorlopige hechtenis niet zou zijn herleefd als gevolg van het vonnis van 2 november 2022 en zou de schorsing van kracht zijn gebleven. Haar advies om gewoon verder te gaan met het leven, terwijl klager veelal in het buitenland verbleef, is daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Klachtonderdeel g)
5.17    Vast staat dat dat klager en verweerster niet op 18 april 2024 aanwezig waren bij de behandeling van het door verweerster ingediende schorsingsverzoek in raadkamer bij het gerechtshof.  
5.18    Verweerster heeft betoogd dat zij van de advocaat-generaal heeft vernomen dat hij zich niet zou verzetten tegen toewijzing van het schorsingsverzoek, waardoor ervan uit kon gegaan dat het verzoek zou worden toegewezen. Dat gaat naar het oordeel van de raad niet op. Het gerechtshof is onafhankelijk en dus niet gebonden aan het standpunt van het openbaar ministerie. Verweerster had er dus niet op mogen vertrouwen dat het verzoek zou worden toegewezen.    
5.19    Verweerster heeft ook betoogd dat zij zelf nauwelijks informatie over klager had om naar voren te brengen, waardoor het niet zinvol zou zijn om het schorsingsverzoek in raadkamer toe te lichten. De raad kan verweerster ook hierin niet volgen. Volgens haar verweer had klager werk in Ierland, hetgeen zij kon onderbouwen met loonstroken. Uit de beschikking van het gerechtshof volgt dat verweerster in het verzoekschrift heeft vermeld dat klager zijn leven weer op orde had. Ook dat had in raadkamer kunnen worden toegelicht. Bovendien zou de raadkamer bijna anderhalf jaar na het vonnis van de politierechter plaatsvinden, waardoor te betogen is dat een belangenafweging in het voordeel van klager zou moeten uitvallen. Het onder deze omstandigheden klager niet van rechtsbijstand voorzien in de raadkamer getuigt naar het oordeel van de raad van onvoldoende oog voor de belangen van klager. Ook dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.
Conclusie
5.20    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat klachtonderdeel d) ongegrond en dat de klacht voor het overige gegrond zal worden verklaard.
    
6    MAATREGEL
6.1    Naar het oordeel van de raad is verweerster ernstig tekortgeschoten in de bijstand van klager en heeft zij zijn belangen in ernstige mate verwaarloosd. Na de schorsing van de voorlopige hechtenis van klager heeft verweerster zich onvoldoende (met klager) op de zaak voorbereid. Haar contact met klager vond enkel telefonisch en via WhatsApp plaats en klager heeft geen dossier van zijn zaak gekregen. Verweerster heeft ook niets schriftelijk vastgelegd over de procedure, de strategie, de verwachtingen, de kansen en de risico’s. Uiteindelijk heeft verweerster er ook voor gekozen om als toegevoegde advocaat niet op de zitting te verschijnen, terwijl er grote belangen voor klager op het spel stonden, zoals  een schorsing van de voorlopige hechtenis die in beginsel zou aflopen met het uitspreken van het vonnis, een mogelijk dreigende gevangenisstraf en 41 ingediende vorderingen van benadeelde partijen. Ook in hoger beroep heeft verweerster klager niet gewezen op de gevolgen van het vonnis, waaronder het aflopen van de voorlopige hechtenis, en is zij niet verschenen bij een raadkamer voor de behandeling van een door haarzelf ingediend schorsingsverzoek. 
6.2    Nu verweerster ook tijdens de klachtbehandeling bij de deken en ter zitting van de raad nauwelijks inzicht in de laakbaarheid van haar handelen heeft getoond, is de raad van oordeel dat gelet op aard en de ernst van haar handelen niet kan worden volstaan met een berisping. De raad is van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden is.
6.3    De raad ziet gelet op de ernst van de verweten gedragingen en het verhandelde ter zitting aanleiding om naast de algemene voorwaarden aan deze voorwaardelijke schorsing een bijzondere voorwaarde te verbinden, namelijk een op kosten van verweerster te volgen coachingstraject. De coaching zal betrekking moeten hebben op de inrichting van de praktijk, de prioritering daarbij en de kwaliteit van de dienstverlening. Verweerster dient voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken voor te leggen, waarbij als ingangsdatum van de coaching geldt de dag waarop onderhavige beslissing onherroepelijk wordt. Uit dat plan van aanpak moet volgen dat verweerster gedurende de gehele proeftijd een coachingstraject doorloopt. Ook dient daarin te worden opgenomen op welke wijze zij de deken over het verloop van de coaching en het eindresultaat op de hoogte stelt.  
6.4    De raad merkt op dat in de beslissing in de zaak 25-622/DH/DH/D eenzelfde maatregel aan verweerster is opgelegd, maar dat het vanzelfsprekend niet zo is dat verweerster twee parallelle coachingstrajecten dient te volgen.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1    Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart, dient verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem te vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door te geven.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerster dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdeel d) ongegrond;
- verklaart de klacht voor het overige gegrond;
-    legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken op;
-    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
-     stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerster op haar kosten een coachingstraject volgt. Ten aanzien van deze coaching gelden de volgende voorwaarden:
1.    de coaching zal betrekking moeten hebben op de inrichting van de praktijk, de prioritering daarbij en de kwaliteit van de dienstverlening, 
2.    verweerster dient voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken voor te leggen, waarbij als ingangsdatum van de coaching geldt de dag waarop onderhavige beslissing onherroepelijk wordt,
3.    uit dat plan van aanpak moet volgen dat verweerster gedurende de gehele proeftijd een coachingstraject doorloopt, 
4.    in het plan van aanpak dient te worden opgenomen op welke wijze verweerster de deken over het verloop van de coaching en het eindresultaat op de hoogte stelt.
-     stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.
-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.


Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek en W. Knoester, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 26 januari 2026.