We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:29 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-552/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:29
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 17-02-2026
Zaaknummer(s): 25-552/DH/RO
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de stellingname van de advocaat wederpartij in een familierechtelijk geschil. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zich in te scherpe bewoordingen uit te laten over de persoon van klager. Hoewel de persoon van klager een relevant aandachtspunt was, had zij de verwijten op zichzelf staand minder schap kunnen en moeten stellen. Verweerster heeft dit onomwonden erkend en te kennen gegeven dat zij het in het gevolg beter zal doen. Vertrouwen in de advocatuur met een ‘kale’ gegrondverklaring voldoende hersteld. Klacht gegrond, maar geen maatregel.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 januari 2025 in de zaak 25-552/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster
gemachtigde: mr. M. Mook


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 13 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 18 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/075 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij waren klager, verweerster en de gemachtigde van verweerster aanwezig.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 11. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van verweerster van 16 september 2025.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Verweerster staat de moeder bij van een kind. Klager meent dat hij de vader is van het kind en heeft daartoe bij de rechtbank een verzoek tot vervangende toestemming voor de erkenning van het kind ingediend. Bij beschikking van 16 juli 2021 heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast. De moeder heeft daaraan geen medewerking verleend, ook niet na dwangmiddelen te weten dwangsommen en lijfsdwang. De oplegging van de dwangmiddelen (bij beschikking van de rechtbank van 30 november 2022) zijn door het gerechtshof op 27 april 2024 vernietigd. Er is hoger beroep ingesteld tegen de uiteindelijk verleende vervangende toestemming voor de erkenning.
2.3    Op 28 juni 2021 heeft verweerster namens de vrouw een verweerschrift ingediend bij de rechtbank tegen het verzoekschrift van de man.
2.4    Op 21 december 2022 heeft verweerster hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 30 november 2022. Daarin heeft verweerster het volgende naar voren gebracht:
“(…) De vrouw heeft pas na het afwijzen van de beschikking aan haar advocaat verteld dat zij niet kan meewerken aan het DNA onderzoek omdat de minderjarige uit een gedwongen seksueel contact tussen haar en de man is ontstaan en zij de minderjarige wil beschermen tegen de wetenschap dat zij mogelijk uit een verkrachting is ontstaan. De traumatisering van de vrouw door deze omstandigheden verklaart (in elk geval voor haar advocaat) de zeer vasthoudende opstelling van de vrouw. Die is een nieuwe omstandigheid die in eerste aanleg niet is aangevoerd.
(…)
Moeder zal door DNA onderzoek en zeker door eventuele erkenning door de man in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komen te verkeren dat zij niet meer in staat is de minderjarige het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft.
De vrouw heeft aangevoerd dat de man drugsverslaafd was en bovenmatig veel alcohol gebruikte. Hij was volgens de vrouw onvoorspelbaar in zijn gedrag doordat hij, naast zijn verslavingsproblematiek, aan ADHD lijdt. Hij kon agressief en intimiderend reageren, was manisch depressief, slikte medicatie voor zowel ADHD als voor zijn manisch depressiviteit. Zijn woning was, de laatste keer dat de vrouw deze gezien heeft, verwaarloosd en vervuild. De man is onvoorspelbaar in zijn gedrag en de vrouw maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van haar kind. Daarbij was de man iemand die veel loog en is het ook voorgekomen dat hij de vrouw tot seks heeft gedwongen. De man kon zeer intimiderend zijn, vooral na gebruik van alcohol en drugs. 
De vrouw is meerdere malen door de man gedwongen tot seksueel contact, ook de mogelijke verwekking van de minderjarige heeft volgens de vrouw (zoals zij pas na de tussenbeschikking aan haar advocaat heeft verteld zodat dit niet eerder is aangevoerd) onder dergelijke omstandigheden plaats gevonden. Het is voor de vrouw zeer traumatiserend geweest dat zij wellicht hierdoor zwanger is geraakt. Zij kan hier nauwelijks over praten. Zij wil de minderjarige beschermen tegen wetenschap over haar afstamming indien de man de biologische vader zou zijn en acht deze wetenschap ingeval de man de verwekker zou zijn (het is mogelijk dat een ander de verwekker is) zeer schadelijk voor de minderjarige.
De rechtbank is uitsluitend ingegaan op de stelling van de vrouw dat een DNA onderzoek in strijd is met haar lichamelijke integriteit maar niet op de aangevoerde psychologische belasting van de vrouw en hetgeen daarover is aangevoerd gelet op de geschiedenis van partijen (zoals die volgens de vrouw is geweest) waarin drugsgebruik en geweld door o.a. gedwongen seksuele gemeenschap plaats vonden. Moeder zal door DNA-onderzoek en zeker door eventuele erkenning door de man in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komen te verkeren dat zij mogelijk niet meer in staat is de minderjarige het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft. Dat belang had de rechtbank mee moeten wegen. (…)”
2.5    In het appelschrift van 25 februari 2025 heeft verweerster namens de vrouw het volgende naar voren gebracht:
“(…) De rechtbank overweegt dat de vrouw in de toelichting om niet mee te werken aan het DNA onderzoek heeft gewezen op de voor haar belaste geschiedenis met de man. Hun relatie werd volgens haar grotendeels gekenmerkt door het agressieve gedrag van de man, zijn middelengebruik en manische depressiviteit en hij is de vrouw na de relatiebreuk blijven lastig vallen. Tijdens de procedure in hoger beroep heeft de vrouw, aldus de rechtbank, gesteld dat indien de man de biologische vader is van [het kind[ de verwekking tijdens een verkrachting heeft plaats ge vonden. De verkrachting van de vrouw door de man is echter niet slechts bij het Gerechtshof benoemd maar ook genoemd in de brief van de advocaat van de vrouw aan de rechtbank d.d. 8 december 2023.
Op grond van artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan, voor zover hier van belang, de toestemming van de moeder van wie het kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, én de man de verwekker is van het kind.
De vrouw voert de volgende grieven aan.
Ten aanzien van de vervangende toestemming voor de erkenning
Grief I
3. Ten onrechte overweegt de rechtbank dat het niet of onvoldoende relevant is dat de man (in de ogen van de vrouw) volstrekt ongeschikt is als vader. De rechtbank miskent hiermee dat de ongeschiktheid van de man ertoe zou kunnen leiden dat geconcludeerd moet worden dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind geschaad zouden worden door de erkenning. Schadelijk gedrag van de man jegens de moeder kan volgens vaste jurisprudentie leiden tot afwijzing van een verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning.
(…)
Grief III. 
5. (…) De vrouw heeft er belang bij dat zij een ongestoord relatie met haar kind kan hebben. Van schade aan de belangen van het kind in de zin van artikel 1:204 lid 3 BW is slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s zijn dat het kind wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Daarvan is in case sprake. Een zekere emotionele weerstand van de vrouw is onvoldoende om vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien duidelijk wordt dat de weerstand van de vrouw negatieve gevolgen voor de positie van het kind met zich brengt. Ook daarvan is in case sprake.
6. De vrouw heeft in haar verweerschrift van 28 juni 2021 reeds aangevoerd dat de man manipulatief gedrag vertoonde en dat hij de vrouw tot seks heeft gedwongen. Hij was niet in staat voor langere tijd een baan te houden en is veelvuldig verhuisd. Hij had schulden en wilde vaak geld lenen van de vrouw of haar familie maar kocht daar vervolgens drugs van. Vanwege de drank- en drugsverslaving, ADHD, medicatiegebruik en manische depressie en schuldenproblematiek van de man, zijn stalkende gedrag en verstoorde verhouding tussen de man en de vrouw is de vrouw van mening dat het niet in het belang van de minderjarige zou zijn als zij door de man zou worden erkend. De woning van de man was smerig en verwaarloosd. Ten huize van de man slingerden alcohol, drugs en medicatie rond en het is geen veilige situatie voor een kind. De erkenning zou de minderjarige zou belemmeren in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
7. De relatie met de man werd grotendeels gekenmerkt door de problematiek van de man die drugs en alcohol gebruikte en daaraan ook verslaafd zou zijn, manisch depressief was en onvoorspelbaar gedrag vertoonde, onder andere ten gevolge van ADHD. Hij gebruikte dagelijks wiet en dronk dagelijkse bier.
8. Ook vertelde de man tijdens de relatie met de vrouw veel onwaarheden. ZO heeft hij bijvoorbeeld verteld dat hij een HBO-diploma had, wat achteraf in het geheel niet waar bleek te zijn. Ook heeft de man gedurende drie maanden verzwegen dat hij drugs gebruikte. Na het verbreken van de relatie is verzoeker meerdere keren bij de vrouw aan de deur gekomen en heeft aangebeld. De vrouw heeft dit als zeer onaangenaam ervaren en als stalkend gedrag. De vrouw heeft twee maal aangifte tegen de man gedaan zie productie 1 eerste aanleg. De man heeft zelfs contact met de werkgever van de vrouw opgenomen zie productie 2 eerste aanleg. Ook heeft de man een collega van de vrouw privé benaderd en haar familie lastig gevallen via sociale media en telefonisch. Ook heeft de man een anoniem pakketjes naar de moeder van de vrouw gestuurd. De vrouw heeft van de wijkagent gehoord dat de man een stopgesprek heeft gekregen waarbij hij “over de rooie zou zijn gegaan” en de vrouw heeft een Aware-systeem gekregen, omdat zij zich zeer onveilig voelde.
9. De vrouw is van mening dat de situatie zich in casu voordoet dat er niet slechts sprake is van enige emotionele weerstand, er is sprake van enorme weestand; zelfs onder druk van de executie van lijfsdwang en dwangsommen bleef de vrouw volharden in haar weigering tot het DNA onderzoek uit angst dat de man een rol zou gaan spelen in haar leven en dat van de minderjarige als hij de verwekker van de minderjarige zou blijken te zijn. Reden hiervoor is geen onwil van de vrouw maar onmacht en om die reden had de rechtbank aan de weigering niet de gevolgtrekking moeten en mogen verbinden dat de man de verwekker van de minderjarige is.
10. De vrouw meent dat het subsidiaire verzoek tot vervangende toestemming ten behoeve van de erkenning moet worden afgewezen op de primaire grond dat niet vaststaat dat de man de biologische vader is van de minderjarige en daarnaast om reden dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding van het kind en de belangen van het kind geschaad zouden worden door de erkenning, alsmede dat de evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Immers, de man heeft een verslavingsproblematiek, ADHD, gedroeg zich manipulatief en had manisch-depressieve klachten en is derhalve niet alleen verslaafd maar ook psychiatrisch patiënt. Het gedrag van de man is schadelijk voor de minderjarige en zou de minderjarige belemmeren in evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. De rechtbank had het verzoek van de man tot vervangende toestemming moeten afwijzen of moeten aanhouden teneinde ook naar de wenselijkheid van de erkenning een raadsonderzoek te gelasten.
(…)
Grief V.
12. De rechtbank had moeten overwegen dat het DNA onderzoek te belastend is voor de vrouw, dat zij dat psychisch niet aan kan en dat er dus geen sprake was van onwil maar van onmacht. In het geval de rechtbank had gemeend op dit punt onvoldoende te zijn voorgelicht had de rechtbank een psychologisch onderzoek van de vrouw kunnen en moeten gelasten.
Grief VI.
13. De vrouw zal door de erkenning in een zodanig onevenwichtige toestand komen te verkeren dat zij niet meer in staat is de minderjarige het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft. om die reden had het verzoek tot vervangende toestemming voor de erkenning moeten worden afgewezen. (…)”
2.6    Op 25 maart 2025 heeft de advocaat van klager aan verweerster geschreven:
“(…) Met betrekking tot het door u opgestelde verzoek in appel heeft cliënt geconstateerd dat u hem in dat verzoekschrift wederom neerzet als een onvoorspelbare alcohol- en drugsverslaafde en als een agressieve, intimiderende, stalkende, manisch depressieve, liegende en vervuilde verkrachter. Client neemt aanstoot aan hetgeen u geschreven heeft. (…) Cliënt verzocht mij om tegen u een klacht in te dienen doch het lijkt mij beter om dit in onderling overleg te regelen. Vandaar dat ik u in deze aanschrijf. Hierbij wil ik u dan ook verzoeken om hetgeen u heeft geschreven te herlezen en met de cliënt de conclusie te trekken dat hetgeen door u is verwoord (zie bovenstaand) beter niet in het appelrekest opgenomen had kunnen worden.
Vervolgens hecht cliënt eraan dat u dit aan het hof laat weten met daarbij de mededeling dat de diskwalificerende en beledigende opmerkingen, met daarbij specifiek een verwijzing naar de stelling dat cliënt een drugsverslaafde verkrachter is, als niet geschreven moet worden beschouwd. (…)”

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster zich onnodig grievend te hebben uitgelaten over klager.
3.2    Klager voert in dat verband aan dat verweerster heeft geschreven dat hij een ‘onvoorspelbare alcohol- en drugsverslaafde’ en een ‘agressieve, intimiderende, stalkende, manisch depressieve, liegende en vieze verkrachter’ is. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. 
4.2    In haar verweer en dupliek op de klacht heeft verweerster aanvankelijk het standpunt ingenomen niet klachtwaardig te hebben gehandeld. Zij wijst erop niet de door klager aangehaalde bewoordingen te hebben gebruikt. Zij heeft het standpunt van haar cliënte verwoord en is daarbij uitgegaan van de informatie die zij van haar cliënte heeft gekregen en het was ook relevant om die informatie naar voren te brengen, gelet op de artikel 1:204 lid 3 BW-procedure die voorlag. In haar verweer heeft verweerster de juistheid van hetgeen zij over klager heeft gesteld onderbouwd met producties. Klager heeft daar slechts blote ontkenningen tegenover gezet, maar niet aangetoond dat verweerster onjuistheden heeft geschreven en deze vervolgens heeft volgehouden. Ook meent verweerster dat klagers advocaat haar heeft proberen te chanteren met zijn brief van 25 maart 2025 om stellingen in te trekken op straffe van een klacht.
4.3    Ter zitting van de raad heeft verweerster een ander standpunt ingenomen, zijnde dat zij zaken genuanceerder had kunnen en moeten benoemen. Zij had zich moeten beperken tot het benoemen van de drank- en drugsgebruik dat erkend was. Ook had zij met betrekking tot de beweerde verkrachting duidelijk moeten stellen dat dit de mening/beleving van haar cliënte was. Verweerster had niet mogen spreken van manische depressiviteit als feit, maar zich moeten beperken tot het gebruik van antidepressiva die klager erkend heeft te gebruiken. Evenmin had zij de smerige en verwaarloosde toestand van de woning van de man als actueel feit naar voren moeten brengen, maar moeten schrijven dat dit tijdens de relatie tussen de vrouw en de man het geval was, waarvan een getuigenverklaring is overgelegd. Verweerster heeft spijt van de zin dat klager niet alleen verslaafd was maar ook psychiatrisch patiënt. De verslaving kan zij niet aantonen, maar slechts het gebruik. Hoewel iemand met ADHD volgens de DSM-5 een psychiatrisch patiënt is, impliceert dat niet automatisch dat iemand ongeschikt is als ouder. Dat had verweerster nader moeten onderbouwen. Verweerster heeft daarbij toegelicht haar lopende dossiers onder de loep te hebben genomen als gevolg van de klacht en is zich nu zeer bewust van wat zij in haar processtukken schrijft en hoe zij dat formuleert. Ook heeft zij deze casus tijdens een intervisiebijeenkomst met vakgenoten besproken.

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Beoordeling
5.3    De raad stelt vast dat door verweerster ernstige verwijten zijn geuit ten aanzien van de persoon van verweerder, waaronder dat hij de cliënte van verweerster heeft verkracht. Deze kunnen als kwetsend worden ervaren door klager. Omdat sprake is van een familierechtkwestie kan van een advocaat in dat geval worden verwacht dat deze waakt voor polarisatie en terughoudend is in het doen van zulke beschuldigingen. De raad is van oordeel dat verweerster in zijn algemeenheid bezien over kon gaan tot het benoemen van de omstandigheden die zij heeft gedaan. Dat was immers nodig om het standpunt over te brengen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind zouden worden geschaad, net als dat daardoor de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang zou komen. Daarbij was de persoon van klager een relevant aandachtspunt.
5.4    Wel is de raad van oordeel dat verweerster de verwijten op zichzelf staand minder scherp had kunnen en moeten stellen. Zij heeft daarover ook zelf erkend dat zij meer had moeten verduidelijken dat het ging om de ervaringen van haar cliënte en dat zij ten aanzien van het middelen- en medicatiegebruik van klager had moeten volstaan met wat zij daarover hard kon maken. De raad zal de klacht daarom gegrond verklaren.

6    MAATREGEL
6.1    Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zich in te scherpe bewoordingen uit te laten over de persoon van klager. Omdat de klacht gegrond is verklaard, is in beginsel de oplegging van een maatregel gepast. De raad weegt echter ook mee dat het tuchtrecht bedoeld is om het vertrouwen in de advocatuur te herstellen. Verweerster heeft onomwonden te kennen gegeven dat zij fout zat en dat zij het in het vervolg beter zal doen. Dit komt de raad ook geloofwaardig over. De raad is daarom van oordeel dat het vertrouwen in de advocatuur met een ‘kale’ gegrondverklaring al voldoende is hersteld. De raad zal daarom afzien van het opleggen van een maatregel.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.


BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht gegrond;
-    bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.