ECLI:NL:TADRSGR:2026:28 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-532/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 17-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-532/DH/RO |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Wat nooit geoorloofd is |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft de vertrouwelijkheid van de mediation tussen klager en zijn ex-echtgenote geschonden, zowel in de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep. Verweerster heeft dit erkend. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 januari 2026 in de zaak 25-532/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
gemachtigde: mr. M.C. de Jong
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 19 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 7 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/074
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 december 2025. Daarbij
waren klager en verweerster met haar gemachtigde aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 14. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de op 24 november 2025 door klager verstuurde e-mail met bijlage.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerster staat de ex-echtgenote van klager bij in een procedure – zowel
eerste aanleg als hoger beroep - tegen klager.
2.3 Vanaf juni tot en met september 2023 heeft tussen klager en zijn ex-echtgenote
in het kader van het tussen hen bestaande geschil een mediationtraject plaatsgevonden.
2.4 In de procedure in eerste aanleg heeft op 3 juli 2024 de mondelinge behandeling
plaatsgevonden. Tijdens deze zitting heeft verweerster verslag gedaan van het verloop
van de mediation. Een en ander is in het proces-verbaal van de zitting opgenomen.
2.5 Op 31 juli 2024 heeft de rechtbank de beschikking gewezen. Klager is daartegen
in hoger beroep gegaan.
2.6 Bij het verweerschrift in hoger beroep tevens houdende incidenteel appel
d.d. 10 februari 2025 heeft verweerster als productie 1 correspondentie gevoegd die
klager en zijn ex-echtgenote in de zomer van 2023 met de mediator hebben gewisseld.
2.7 Op 20 maart 2025 heeft de advocaat van klager het verweerschrift op incidenteel
appel ingediend. Daarin is gewezen op het feit dat verweerster met de door haar overgelegde
correspondentie de vertrouwelijkheid van de mediation heeft geschonden.
2.8 Op 26 maart 2025 heeft de behandeling van het hoger beroep ter zitting plaatsgevonden.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij de
vertrouwelijkheid van de inhoud van de mediation tussen klager en zijn ex-echtgenote
heeft geschonden.
3.2 De raad zal hierna, waar nodig, op de klacht ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Klager heeft de klacht ingediend tegen verweerster in haar hoedanigheid van
advocaat wederpartij. De maatstaf die de raad bij de beoordeling daarvan hanteert,
is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid. Een advocaat
geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op
de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij
worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad.
Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b)
geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c)
bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij
niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. De advocaat hoeft in het
algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met
de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan
de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op
zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig
voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Eén van de beperkingen van de grote mate van vrijheid is dat een advocaat
niet mag onthullen wat tussen de betrokken partijen in het kader van een mediation
is besproken. Het is vaste jurisprudentie dat de uit hoofde van een mediationovereenkomst
tussen partijen geldende geheimhoudingsverplichting op onaanvaardbare wijze aan waarde
zou inboeten als het de advocaat zou zijn toegestaan naar eigen goeddunken, op grond
van een eigen opvatting omtrent hetgeen het belang van zijn cliënt meebrengt en zonder
de wederpartij daarin te kennen, te bepalen dat in de procedure gebruik zal worden
gemaakt van stukken uit de mediation, of zich anderszins uit te laten over het vermeend
doel, de inhoud en/of de uitkomst van de mediation. De geheimhoudingsverplichting
rust ook op de advocaat als deze, zoals in het geval van verweerster, niet direct
bij de mediation betrokken is geweest en (dus) ook geen geheimhoudingsverklaring heeft
ondertekend (vgl. Hof van Discipline 3 juni 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:42, en Raad van
Discipline Den Haag 9 januari 2023, ECLI:NL:TADRSGR:2023:5).
5.3 De raad zal de klacht aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen.
Beoordeling
5.4 Verweerster heeft erkend zowel in de procedure in eerste aanleg als in het
hoger beroep de vertrouwelijkheid van de mediation tussen klager en zijn ex-echtgenote
te hebben geschonden. Daarmee staat vast dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Of verweerster dit al dan niet onbewust heeft gedaan, zoals zij stelt,
is daarbij niet doorslaggevend. De klacht is derhalve gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Gelet op de ernst van de verweten gedraging, en in het bijzonder de omstandigheid
dat verweerster het vaker heeft gedaan, is in beginsel de maatregel van berisping
op zijn plaats. In het voordeel van verweerster weegt de raad echter mee dat zij al
vijfentwintig jaar advocaat is en een schoon tuchtrechtelijk verleden heeft én dat
zij zowel in haar schriftelijke verweer als ter zitting van de raad herhaaldelijk
haar excuses aan klager heeft aangeboden, schuldbesef heeft getoond en heeft aangegeven
open te staan voor een gesprek met klager. Gelet hierop is de raad van oordeel dat
in dit specifieke geval kan worden volstaan met een waarschuwing.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, dient verweerster op grond van
artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan
hem te vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.
Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door te geven.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster dient het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, te betalen aan klager. Klager dient binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster
door te geven.
7.4 Verweerster dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek en W. Knoester,
leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter
openbare zitting van 26 januari 2026.