ECLI:NL:TADRSGR:2026:23 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-804/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:23 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 17-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 24-804/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 januari 2026 in de zaak 24-804/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 8 januari 2025 op de klacht van:
1. […] B.V.
klaagster
2. […]
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 januari 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 7 november 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K007 2024
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 8 januari 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna
ook: de voorzitter) de klacht deels niet-ontvankelijk, deels kennelijk niet-ontvankelijk
en deels kennelijk ongegrond verklaard.
1.4 Op 7 februari 2025 hebben klagers verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025 in
de volgende samenstelling: mr. H.F.R. van Heemstra, als voorzitter, en mrs. J.G. Colombijn-Broersma
en M.G. van den Boogerd, leden. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Klagers
hebben op de zitting een wrakingsverzoek ingediend.
1.6 Bij beslissing van 6 oktober 2025 (ELCI:NL:TADRAMS:2025:182) heeft de wrakingskamer
van de raad van discipline Amsterdam de wraking kennelijk ongegrond verklaard.
1.7 De behandeling van het verzet is voortgezet op de zitting van de raad van
1 december 2025 in de volgende samenstelling: mr. H.F.R. van Heemstra, als voorzitter,
en mrs. M.G. van den Boogerd en D. Rijpma, leden. Daarbij waren klager en verweerder
aanwezig. Klagers hebben op de zitting opnieuw een wrakingsverzoek ingediend. Ter
zitting is besloten dat dit wrakingsverzoek niet in behandeling werd genomen, omdat
het wrakingsverzoek niet gericht was tot een persoon die op grond van het Wrakingsprotocol
kan worden gewraakt en niet gaat over bevooroordeling, maar bezwaren van klagers betreffen
tegen het systeem van de tuchtrechtspraak. Daarmee voldoet het verzoek kennelijk niet
aan de vereisten van artikel 1 van het Wrakingsprotocol.
1.8 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd,
van het verzetschrift en van de aanvullende stukken van klagers van 8 september 2025.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 Klagers hebben klachten ingediend tegen verweerder en drie van zijn kantoorgenoten.
Op de klachten is door dezelfde voorzitter en dezelfde griffier op dezelfde datum
beslist. Klagers menen dat de griffier hun klachten niet had mogen behandelen, omdat
zij in een eerder stadium een discussie met haar hebben gehad. Ook vinden klagers
dat dezelfde voorzitter en dezelfde griffier maximaal twee klachten mogen beoordelen
om tunnelvisie te voorkomen.
2.3 Uit alles blijkt dat de voorzitter de leeswijzer met aanvullende stukken
van 26 november 2024 met bijlage 1 tot en met 6 niet of onvoldoende bekend was. In
klachtonderdeel a) is daarom onterecht door de voorzitter gesteld dat klagers de dossiervermenging
niet met stukken hebben onderbouwd.
2.4 Het oordeel in overweging 4.9 is onjuist. De vertegenwoordiger van de gemeente
kan verklaren of hij de stukken heeft gebruikt en hoe hij daaraan is gekomen.
2.5 Klachtonderdeel b) is niet geformuleerd als een retorische vraag, maar dat
is oorzaak gevolg en heeft alles te maken met het toetsingskader of een advocaat zich
betamelijk heeft gedragen.
2.6 De voorzitter was bij klachtonderdeel c) onvoldoende bekend met bijlage 5
en 6 van de e-mail van 26 november. Het is een uitzonderlijke situatie en daarom geldt
een uitzondering. Klager is er pas recent achter gekomen dat hij cliënt is geweest
bij de voorganger van verweerders huidige kantoor.
2.7 Ter onderbouwing van de klacht over het in strijd handelen met de AVG (klachtonderdeel
d) hebben klagers in hun verzetschrift een nieuw document, bijlage 9, ingediend;
2.8 Klagers hebben weldegelijk een rechtstreeks belang bij de klacht over de
deskundigheid van verweerder. Klagers zijn direct belanghebbende. Als verweerder allerlei
onjuistheden inbrengt omdat hij ondeskundig is, dan moet de advocaat van klagers telkens
zaken herstellen of juist vertellen, met als gevolg een hogere nota voor klagers.
2.9 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komen klagers in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een
gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klagers aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.