ECLI:NL:TADRSGR:2026:2 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-895/DH/DH/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:2 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-01-2026 |
| Datum publicatie: | 14-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-895/DH/DH/D |
| Onderwerp: | Artikel 60 b e.v., subonderwerp: Artikel 60 b Advocatenwet |
| Beslissingen: | 60b |
| Inhoudsindicatie: | Verzoek 60ab en 60b Advocatenwet. De raad is van oordeel dat in beginsel sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 60ab Advocatenwet. De raad acht het momenteel niet verantwoord om (veelal kwetsbare) rechtszoekenden (nog verder) bloot te stellen aan de wijze waarop verweerder zijn praktijk voert. De raad stelt echter ook vast dat een schorsing met onmiddellijke ingang op grond van artikel 60ab, eerste lid, Advocatenwet niet kan samengaan met het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot de praktijkuitoefening. De raad acht het treffen van een voorziening ook aangewezen. Gelet daarop is de raad van oordeel dat het primaire verzoek van de deken niet voor toewijzing in aanmerking komt en dat de raad kiest voor toewijzing van het subsidiaire verzoek op grond van artikel 60b Advocatenwet, dat wél de mogelijkheid biedt om een schorsing te laten samengaan met het treffen van een voorziening met betrekking tot de praktijkuitoefening. De raad wijst daarom het subsidiaire verzoek van de deken (op grond van artikel 60ab Advocatenwet) toe en schorst verweerder voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk. De raad treft daarnaast een voorziening: verweerder moet een coachingstraject doorlopen om zijn praktijk op orde en de bijstand aan cliënten op het vereiste niveau te krijgen. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 5 januari 2026
in de zaak 25-895/DH/DH/D
naar aanleiding van het verzoek ex artikel 60ab, subsidiair 60b Advocatenwet van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
de deken
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 22 december 2025 heeft de deken een verzoek op grond van artikel 60ab, subsidiair 60b Advocatenwet ingediend tegen verweerder. Het verzoek bevat eveneens een dekenbezwaar.
1.2 Het verzoek is met gesloten deuren behandeld ter zitting van de raad van 29 december 2025. Daarbij waren de deken en verweerder aanwezig.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde verzoek en de daarbij behorende bijlagen.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van het verzoek gaat de raad, gelet op het dossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder voert praktijk (een eenmanszaak) op het gebied van psychiatrisch patiëntenrecht en (sinds november 2024) asielrecht. In het rechtsgebiedenregister staat hij ingeschreven op het rechtsgebied: algemene praktijk.
2.3 Op 14 oktober 2024 heeft de deken via de president van de rechtbank Den Haag een signaal ontvangen over verweerder. Naar aanleiding van dit signaal is verweerder op 2 december 2025 uitgenodigd voor een gesprek op het bureau van de Orde.
2.4 Op 3 december heeft mr. Van der Eerden (lid van de raad van de Orde) namens de deken aan verweerder onder meer bericht:
“Zoals tijdens het gesprek aangegeven heeft de deken tijdens een regulier overleg met de president van de rechtbank een signaal over u ontvangen. De rechtbank heeft haar zorgen geuit over uw bijstand aan kwetsbare cliënten. Bij de rechtbank bestaat het beeld dat u niet altijd voor de zitting met uw cliënten hebt gesproken. Ook zou u een keer niet fysiek bij een ggz-zitting aanwezig zijn geweest.
Tijdens het gesprek hebt u aangegeven u niet in het signaal te herkennen. U spreekt voor de zitting altijd af met uw cliënten. Ten aanzien van het voorbeeld dat de rechtbank heeft geschetst heeft u erkend dat u die kwestie anders had moeten aanpakken. Het lukte u tijdens uw vakantie in de zomer van 2024 niet om een vervanger te regelen. Om die reden hebt u toen verzocht om telefonisch deel te nemen aan de zitting. Zoals ook tijdens het gesprek aangegeven had u de rechtbank kunnen bellen om te informeren welke advocaat voor en of na u op de route zou staan zodat u met die advocaat contact had kunnen opnemen.
U hebt toegezegd om voor de zitting altijd met uw cliënten af te spreken en beter zorg te dragen voor vervanging bij afwezigheid.
U bent inmiddels toegevoegd aan de Whatsappgroep psychiatrie.”
2.5 Op 8 december 2024 heeft de deken, samen met een stafjurist, het kantoor van verweerder bezocht. Verweerder houdt kantoor aan huis.
2.6 Op 10 december 2025 heeft de deken haar bevindingen naar aanleiding van het kantoorbezoek aan verweerder gestuurd. In de brief staat onder meer:
“Vanwege het signaal afkomstig van de rechtbank waarover op 2 december jl. met u is gesproken heb ik enkele dossiers van u op het gebied van de Wvggz bekeken. De rechtbank heeft haar zorgen geuit over uw bijstand aan de overwegend kwetsbare cliënten in zorgrecht zaken. Bij de rechtbank bestaat het beeld dat u uw cliënten voor de zitting niet spreekt.
Uw primaire reactie op het door mij aangehaalde signaal van de rechtbank was dat veel van uw cliënten op leeftijd zijn en dementerend, hetgeen blijkbaar voor u een reden is om de zaak niet met uw cliënten te bespreken. U acht zich voldoende voorgelicht door de medische verklaring en het verzoekschrift.
Ik heb vervolgens de volgende dossiers ingezien op het gebied van de Wvggz: het dossier van mevrouw [S], de heer [W], de heer [S], mevrouw [B] en de heer [C}. Opvallend is dat dit allen geen ‘dementerende cliënten’ betroffen. Zoals reeds aangeven tijdens het bezoek aan uw kantoor maak ik mij ernstig zorgen om uw bijstand aan uw cliënten. Uit de dossiers blijkt op geen enkele wijze dat u cliënten schriftelijk hebt geïnformeerd of met cliënten hebt gesproken. U zegt wel dat u dit doet maar u kunt dat op geen enkele wijze aantonen. U legt afspraken met cliënten niet vast in uw agenda, nog declareert u uw reistijd bij de Raad voor Rechtsbijstand. U declareert enkel reistijd voor de zitting. U houdt geen urenregistratie bij in uw dossier.
U hebt op geen enkele wijze kunnen aantonen dat u uw cliënten bezoekt, laat staan wat u met hen hebt besproken.
Het voorgaande betekent dat het ook voor uw vervanger onmogelijk is om uw praktijk waar te nemen op het moment dat u daar niet toe in staat zou zijn. U hebt met mr. [E] wel een waarnemingsovereenkomst gesloten maar die overeenkomst gaat uit van de situatie dat u gepland afwezig bent. De waarneming dient juist voor de situatie dat u (tijdelijk) niet in staat bent om uw vervanger te instrueren. Vastgesteld kan worden dat uw vervanger op dit moment op geen enkele wijze toegang heeft tot uw praktijk (aan huis) en ook al zou hij wel toegang hebben tot uw praktijk dan nog is het voor een vervanger volstrekt onduidelijk wat de stand van zaken is van uw zaken wegens het gebrek aan schriftelijke vastlegging.
Voor wat betreft uw zaken op het gebied van asiel geldt hetzelfde. U hebt mij vijf asielzaken laten zien, te weten [K]/IND, [A]/IND, [C]/IND, [HA]/IND en [AA]/IND. U hebt toegelicht hoe de behandeling van asielzaken in het algemeen verloopt. Ook in deze dossiers zegt u dat u met cliënten spreekt (met een tolk), maar ook in deze dossiers blijkt dit op geen enkele manier.
U bewaart de asielzaken fysiek in een ladekast die voor een ieder die u toegang tot uw woning geeft toegankelijk is. U hebt wel aangegeven dat de kast is af te sluiten maar ten tijde van het bezoek aan uw kantoor bevonden zich de sleutels gewoon in de lades.
Voor wat betreft het dossier van de heer [C] hebt u mij te kennen gegeven dat u de heer [C] hebt uitgenodigd voor een bespreking op uw kantoor, te weten aan uw eettafel in de keuken. In dat kader heb ik mijn zorgen geuit over uw veiligheid in deze. Hoewel ik u niet kan verbieden om kantoor aan huis te hebben, heb ik u wel dringend aangeraden om in het vervolg niet met cliënten thuis af te spreken, maar op een spreeklocatie. Dit voor uw eigen veiligheid maar ook vanuit oogpunt van professionaliteit.”
De deken heeft in haar bericht aangekondigd een dekenbezwaar en een verzoek ex artikel 60ab/60b Advocatenwet in te zullen dienen.
2.7 Op 16 december 2025 heeft verweerder als volgt hierop gereageerd:
“Tot mijn spijt moet ik erkennen dat de verslaglegging van mijn kantoor niet goed is geweest. Ik had dit veel beter en uitgebreider moeten doen.
Ook heb ik spijt van mijn opmerking over dementerende bejaarden. Dat is op zijn zachtst gezegd ongelukkig geformuleerd. Uw bezoek heeft veel spanning en stress veroorzaakt bij ondergetekende, dat wilde ik benoemen want mijn nonchalante voorkomen geeft soms een ander beeld. Ik wil hiermee aangeven dat ik uw zorgen begrijp en aan de slag ben gegaan om de tekortkomingen te herstellen op het gebied van de waarneming, de website en de verslaglegging.
Terugkijkend moet ik constateren dat er heel veel niet goed is gegaan de afgelopen periode. Dat kan ik alleen mijzelf aanrekenen.
Mijn welgemeende excuses.”
3 VERZOEK
3.1 De deken verzoekt de raad om verweerder primair op grond van artikel 60ab Advocatenwet met onmiddellijke ingang dan wel subsidiair op grond van artikel 60b Advocatenwet voor onbepaalde tijd te schorsen in de uitoefening van de praktijk.
3.2 De deken stelt dat er een situatie is ontstaan die om direct ingrijpen vraagt, omdat verweerder er geen blijk van geeft zijn praktijk behoorlijk te kunnen uitoefenen en omdat de in artikel 46 Advocatenwet beschermde belangen ernstig worden of dreigen te worden geschaad. De deken is op kantoorbezoek geweest en is dermate geschrokken van de situatie dat zij het op dit moment onverantwoord acht dat verweerder nog langer praktijk voert als advocaat, gelet op de aard van zijn praktijk. Verweerder heeft in de Wvggz en asiel namelijk te maken met kwetsbare cliënten.
3.3 De deken stelt dat verweerder niet handelt met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De deken stelt dat verweerder zich (stelselmatig) niet houdt aan de op hem rustende informatieverplichting om cliënten van belangrijke zaken schriftelijk op de hoogte te brengen. Verweerder staat overwegend kwetsbare cliënten bij en juist in die gevallen is de informatieverplichting van belang. Verweerder zegt wel dat hij zijn cliënten bezoekt en de zaak met hen bespreekt, maar hij kan dit op geen enkele wijze aantonen. Nergens blijkt uit dat hij zijn cliënten heeft gesproken. Bovendien voldoet zijn kantoororganisatie niet aan de basisverplichtingen die gelden voor de advocatuur. In de Wvggz-dossiers die de deken tijdens het kantoorbezoek heeft ingediend, was vrijwel niets aanwezig, alleen de medische verklaring en het verzoek van de officier van justitie. In de asieldossiers die zijn ingezien komt hetzelfde beeld naar voren: ook die dossiers zijn onder de maat. Daarmee worden de cliënten van verweerder blootgesteld aan het risico dat hun belangen bij zijn uitval niet adequaat behartigd kunnen worden, omdat zijn waarnemer geen toegang heeft tot de praktijk in het geval hij plotseling een zaak voor verweerder moet waarnemen.
3.4 De deken acht het noodzakelijk dat verweerder zich op korte termijn laat bijstaan door een coach op het gebied van advocatuurlijke administratie en kantooradministratie (zoals dossiervoering, schriftelijke vastlegging en soortgelijk).
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft ter zitting erkend dat de verslaglegging in zijn dossiers onder de maat is geweest. In het begin deed verweerder nog alles schriftelijk, maar in de loop der tijd is dat minder geworden. Verweerder gaat naar zitting en spreekt dan (direct voorafgaand aan de zitting) met de cliënt. Hij spreekt de cliënt niet thuis of op kantoor ruim voorafgaand aan de zitting, waardoor hij de strategie niet bespreekt en ook niet op zoek gaat naar mogelijkheden om gedwongen zorg te voorkomen. Verweerder meent dat er echter niemand benadeeld is. De verslaglegging is er bij ingeschoten.
4.2 Verweerder heeft toegelicht dat hij van de Wvggz-praktijk niet rond kon komen en daarom asielrecht erbij is gaan doen. Vanuit financieel oogpunt is hij vanuit huis gaan werken. Dat heeft er echter wel toe geleid dat verweerder onder druk is komen te staan. Verweerder heeft last gehad van de financiële spanning en dat hij alles vanuit huis moet doen. De dure cursussen/opleidingen vallen verweerder daardoor zwaar. Ook privé heeft er het een en ander gespeeld.
4.3 Verweerder is geschrokken van de hele situatie en is het met de deken eens dat het niet goed genoeg is geweest. Verweerder heeft aangegeven dat sprake is van een combinatie van niet goed genoeg organiseren, niet goed genoeg plannen en niet voldoende zijn best doen om de klant wel tijdig te bezoeken. Verweerder staat open voor begeleiding van een coach. Hij kan wel wat hulp gebruiken. Het is echter geen vetpot in de sociale advocatuur. Verweerder wil graag een serieuze poging doen om zijn praktijk naar een hoger niveau te brengen. Hij heeft aangegeven dat het alleen c.q. als ondernemer kantoor houden mogelijk niet de beste optie voor hem is.
4.4 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 60ab Advocatenwet kan de raad op verzoek van de deken een advocaat jegens wie een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang ernstig is geschaad of dreigt te worden geschaad, met onmiddellijke ingang schorsen in de uitoefening van de praktijk of een voorlopige voorziening met betrekking tot diens praktijkuitoefening treffen, indien enig door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang dit vergt.
5.2 De raad is van oordeel dat in beginsel van een situatie als bedoeld in artikel 60ab van de Advocatenwet sprake is. Door de manier waarop verweerder de belangen van zijn cliënten behartigt en praktijk voert, bestaat er een ernstig gevaar voor een schending van de door artikel 46 Advocatenwet beschermde belangen. In de Wvggz-zaken spreekt verweerder zijn cliënten niet of – in het beste geval – pas kort voor de zitting. De verdere dossiervorming en verslaglegging ontbreken. Aan de cliënten wordt niets schriftelijk vastgelegd over de bijstand, de procedure, de kansen en de verwachtingen. De wijze waarop verweerder op dit moment praktijk voert voldoet niet aan de professionele standaarden die worden gesteld, wat verweerder ook heeft erkend. De raad acht het momenteel niet verantwoord om (veelal kwetsbare) rechtszoekenden (nog verder) bloot te stellen aan de wijze waarop verweerder zijn praktijk voert.
5.3 De raad stelt echter ook vast dat een schorsing met onmiddellijke ingang op grond van artikel 60ab, eerste lid, Advocatenwet niet kan samengaan met het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot de praktijkuitoefening. Dat volgt uit de wettekst, alsmede de daarbij behorende wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 385, nr. 3), waarin staat vermeld (p. 5) dat de op grond van artikel 60ab, eerste lid, opgelegde schorsing of voorlopige voorziening een tijdelijk karakter heeft, ter overbrugging van de periode tot aan het moment waarop de raad van discipline op grond van een normale tuchtprocedure uiteindelijk een beslissing heeft genomen op de klacht of het bezwaar tegen de advocaat.
5.4 De deken heeft tegelijkertijd het verzoek ex artikel 60ab, subsidiair 60b Advocatenwet en het dekenbezwaar ingediend. Het zal echter enkele maanden duren voordat dit dekenbezwaar kan worden behandeld. De raad acht het treffen van een voorziening ook aangewezen. Gelet daarop is de raad van oordeel dat het primaire verzoek van de deken niet voor toewijzing in aanmerking komt en dat de raad kiest voor toewijzing van het subsidiaire verzoek op grond van artikel 60b Advocatenwet, dat wél de mogelijkheid biedt om een schorsing te laten samengaan met het treffen van een voorziening met betrekking tot de praktijkuitoefening.
5.5 De raad zal daarom het subsidiaire verzoek van de deken toewijzen, strekkende tot schorsing van verweerder voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk, alsmede een voorziening treffen.
Voorziening ex artikel 60b Advocatenwet
5.6 De deken heeft in het verzoek c.q. dekenbezwaar aangegeven dat zij het noodzakelijk acht dat verweerder zich zal laten bijstaan door een coach. Ook verweerder heeft ter zitting aangegeven de toegevoegde waarde van een coach in te zien. De raad acht het noodzakelijk dat verweerder zich laat bijstaan door een coach, om zijn praktijk op orde en de bijstand aan cliënten op het vereiste niveau te krijgen. De raad treft daarom de voorziening dat verweerder een coachingstraject (op het gebied van advocatuurlijke administratie en kantooradministratie) moet doorlopen. Dat laat onverlet dat verweerder de mogelijkheid heeft om op enig moment op de voet van artikel 60b lid 7 Advocatenwet de opheffing van de schorsing en/of de voorziening te verzoeken, waarbij de raad kan betrekken of verweerder onder toezicht van de deken een coachingstraject heeft gevolgd en in hoeverre dat tot het gewenste resultaat heeft geleid.
BESLISSING
De raad van discipline:
- wijst het primaire verzoek van de deken ex artikel 60ad Advocatenwet af;
- wijst het subsidiaire verzoek van de deken op grond van artikel 60b lid 1 Advocatenwet toe en schorst verweerder voor onbepaalde tijd in de uitoefening van zijn praktijk;
- treft de voorziening op grond van artikel 60b lid 1 Advocatenwet dat verweerder een coachingstraject (op het gebied van advocatuurlijke administratie en kantooradministratie) zal doorlopen, waarop de deken toezicht zal houden. Hierbij geldt het volgende:
* Verweerder zoekt in samenspraak met de deken een coach en meldt zich binnen vier weken na deze beslissing aan bij deze, door de deken goedgekeurde, coach;
* Verweerder legt, binnen een met de deken afgesproken termijn, een plan van aanpak van deze coach ter goedkeuring voor aan de deken. Uit dat plan van aanpak blijken in ieder geval de doelen waaraan verweerder gaat werken. Daarnaast stemt verweerder met de deken af op welke wijze en met welke frequentie hij het coachingstraject met de deken evalueert en verweerder houdt zich vervolgens aan de met de deken gemaakte afspraken;
* Verweerder doorloopt het coachingstraject volledig en legt aan het eind van het traject aan de deken een verklaring van de coach over waaruit het resultaat van het traject blijkt.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen en D.M. de Knijff, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 januari 2026