ECLI:NL:TADRSGR:2026:19 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-495/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:19 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 21-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-495/DH/RO |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een kort geding over door klager gedane uitlatingen. Niet gebleken is dat verweerder vertrouwelijke informatie heeft ingebracht die hij niet had mogen inbrengen. De raad kan gezien de beperkte context niet vaststellen dat verweerder zich onnodig grievend heeft uitgelaten. Een e-mailbericht is bij vergissing niet bij klager terechtgekomen. De raad kan niet vaststellen dat deze enkele vergissing tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Klacht in alle onderdelen ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 januari 2026
in de zaak 25-495/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 23 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 28 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/073 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 november 2025. Daarbij
was klager aanwezig. Verweerder is – met bericht van afwezigheid – niet ter zitting
verschenen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 12. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de op 13 november 2025 van verweerder ontvangen pleitnota.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 De zoon van klager heeft een relatie gehad met D. De verhoudingen tussen
de zoon en D en hun respectieve families zijn na hun uiteengaan ernstig verstoord
geraakt.
2.3 Verweerder treedt op namens de vader van D. Op 4 februari 2025 heeft verweerder,
namens zijn cliënt, klager in kort geding gedagvaard. De dagvaarding maakt geen onderdeel
uit van het klachtdossier.
2.4 Op 9 april 2025 is het vonnis in kort geding gewezen, waarbij het door verweerder
gevorderde gebod tot rectificatie is toegewezen en de overige vorderingen zijn afgewezen.
In het vonnis staat onder meer:
“3.1. De dochter van [eiser], [D], en de zoon van [klager], [P], hebben een affectieve
relatie gehad (…). In verband met de beëindiging van de relatie zijn tussen [D] en
[P] meerdere rechtszaken aanhangig.
3.2. [Eiser] en [klager] zijn beiden lid van de netwerk-/vriendenclub Probusclub
(…). [Eiser] is tevens als bestuurslid bij de Probusclub betrokken. (…) [Klager] heeft
sinds december 2023 niet meer deelgenomen aan vergaderingen en/of bijeenkomsten van
de Probusclub.
3.3. De verhoudingen tussen [D] en [P] en hun respectieve families zijn na hun
uiteengaan ernstig verstoord geraakt en verzuurd. Over die situatie, en in connectie
daarmee over de door gesteld toedoen van [eiser] door [klager] ervaringen (be)dreigingen
en onveiligheid en het lidmaatschap van partijen van de Probusclub, is gecorrespondeerd
en hebben gesprekken plaatsgevonden. Het gaat in elk geval om contact door: (…)
- [Klager], in de brief van 10 januari 2024 gericht aan het bestuur en de leden
van de Probusclub, die kennelijk alleen het bestuur heeft bereikt. (…)
- [Klager], op 5 april 2024 in een gesprek met twee bestuursleden van de Probusclub;
- [Klager], in de brief van 1 november 2024 gericht aan de leden van de Probusclub.
(…)
3.7. Bij brief van 21 november 2024 heeft [verweerder] [klager] verzocht en gesommeerd
1) per omgaande geen negatieve en beschadigende uitingen in de richting van [eiser]
en zijn dochter naar buiten te brengen en zich te onthouden van het doen van dergelijke
uitlatingen naar derden toe en 2) aan het bestuur en de leden van de Probusclub een
rectificatiebericht (als verwoord in een e-mail van 10 december 2024) te sturen. [Klager]
heeft daarop bij brief van 13 december 2024 met verbazing gereageerd en aangegeven
dat hij bereid is om zijn zorgen over het gedrag en de handelwijze van [eiser] aan
hem toe te lichten.
5.6. Vooropgesteld wordt dat de voorzieningenrechter enkel overgaat tot de beoordeling
van de (on)rechtmatigheid van de uitlatingen van [klager] in zijn brieven van 4 oktober
(met bijlagen) en 1 november 2024. (…) De onvoldoende concreet gemaakte en met stukken
onderbouwde stelling van [eiser] dat [klager[ over deze kwestie ook andere dan deze
uitlatingen in het openbaar heeft gedaan is, gelet op de betwisting van [eiser], niet
aannemelijk. De brief van 10 januari 2024 van [klager] die feitelijk aan het bestuur
en de leden van de Probusclub is gericht, geldt niet als geopenbaard, omdat niet in
geschil lijkt dat die brief de leden niet heeft bereikt.“
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) Verweerder bedient zich in de procedure van vertrouwelijke informatie zonder
die informatie te checken op juistheid en zonder te controleren of die informatie
wel gebruikt had mogen worden.
b) Verweerder laat zich (onnodig) negatief uit over klager als persoon, waarbij
sprake is van een persoonlijk getinte hetze tegen klagers persoon. Verweerders stellingen
en uitspraken hebben een insinuerend karakter.
c) Verweerder handelt slordig en onzorgvuldig.
3.2 Klager wijst op de volgende punten:
i. Verweerder heeft klagers brief van 10 januari 2024 aan het bestuur van de
Probusclub gebruikt, terwijl deze brief niet openbaar is gemaakt (punt 5 dagvaarding).
ii. Verweerder maakt melding van informatie uit een vertrouwelijk gesprek tussen
klager en de voorzitter van de Probusclub (punt 8 dagvaarding). Verweerder gebruikt
het alsof het om feiten gaat. Ook schrijft verweerder: “Eiser heeft begrepen dat van
dit gesprek een verslag is opgemaakt”, terwijl er van dit gesprek geen verslag is
opgemaakt. Verweerder verschuilt zich achter een verslag dat nooit is opgesteld. Klager
acht dat onzorgvuldig.
iii. Verweerder verwijst (in punt 11 van de dagvaarding) naar klagers brief van
1 november 2024 waarin de volgende zin is opgenomen: “In de verklaringen van de dochter
van […](dat is eiser) en van andere personen is er eveneens sprake van een hetze tegen
mij en mijn familie. Over mijn vrouw en mij wordt bijvoorbeeld gezegd dat wij het
hoofd zijn van leidinggevenden aan een sektarische familie. “Een familie vergelijkbaar
met de familie Ruinerwold”. In de dagvaarding gaat verweerder ervan uit dat dit slaat
op de eiser of zijn dochter. Verweerder heeft de tekst van de brief onzorgvuldig gelezen
en brengt zijn onjuiste conclusie als een feit naar voren.
iv. Zonder enig bewijs te leveren, poneert verweerder de stelling dat klager
publiekelijk en in het openbaar beschuldigingen heeft geuit over verweerders cliënt
(punt 14 dagvaarding). Klager wijst op overweging 5.6 van het vonnis.
v. Klager heeft verweerders brief van 10 december 2024 nooit ontvangen, doordat
verweerder een onjuist e-mailadres heeft gebruikt. Dat is verregaand slordig. Het
had een kort geding kunnen voorkomen. Een door klager per post verzonden brief is
volgens verweerders kantoor nooit ontvangen.
vi. Verweerder schrijft (in punt 19 van de dagvaarding) “De enige manier om [klager]
te stoppen” en “omdat uit ervaringen uit het verleden blijkt dat hij gewoon blijft
doorgaan.” Klager stelt dat dit een zeer persoonlijke mening van verweerder is. Hij
heeft de afgelopen 15 jaar geen enkel contact gehad met verweerder. Klager vindt dit
een ongefundeerde verdachtmaking die zeer grievend en ongepast is.
vii. In verweerders brief van 21 november 2024 staat “Sedert het begin van dit
jaar meldt u zich voor iedere bijeenkomst af met de mededeling dat u dat doet omdat
u zich bedreigd en onveilig voelt, waarmee u insinueert dat cliënt u niet alleen bedreigd
heeft, maar ook fysiek bedreigd heeft.” Dit is opnieuw een insinuatie die niet gebaseerd
is op feiten. In de brief staat ook “U zoekt een zondebok in de persoon van mijn cliënt.”
Klager stelt dat dit een persoonlijk en insinuerend standpunt van verweerder is.
3.3 Klager voelt zich gegriefd door verweerders handelwijze. Hij stelt dat zijn
goede naam en eer is aangetast.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat hij geen
onpartijdige derde is, maar als partijdig advocaat de belangen van zijn cliënt heeft
behartigd. Verweerder is uitgegaan van de informatie die hij van zijn cliënt en diens
dochter heeft ontvangen en had geen reden om daaraan te twijfelen. Verweerder heeft
niets meer of minder gedaan dan het verstrekken van een chronologisch overzicht van
e-mails en berichten, ofwel van de hand van verweerders cliënt, ofwel van klager,
waarna verweerder, namens zijn cliënt, heeft geconcludeerd dat sprake is van smaad/laster.
4.2 Verweerder vindt het spijtig dat er bij de op 10 december 2024 verzonden
e-mail een cijfer is weggevallen, maar dat betekent niet dat daarmee een kort geding
voorkomen had kunnen worden. De dagvaarding is op 28 januari 2025 uitgebracht, terwijl
de mondelinge behandeling om diverse reden pas op 26 maart 2025 heeft plaatsgevonden
en er ruimschoots de tijd was om de zaak te regelen.
4.3 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) – gebruik van vertrouwelijke informatie
5.2 Dit verwijt ziet er allereerst op dat verweerder klagers brief van 10 januari
2024 aan het bestuur van de Probusclub in de procedure heeft ingebracht, terwijl die
brief nimmer openbaar is gemaakt (ook niet binnen de Probusclub). De raad is met verweerder
van oordeel dat verweerder mocht afgaan op de informatie en stukken die hij van zijn
cliënt kreeg. Verweerder heeft deze brief, die ook daadwerkelijk naar het bestuur
is verzonden, kennelijk van zijn cliënt ontvangen. Hij mocht de brief dan ook gebruiken
in die procedure zonder schending van de kernwaarde dat de tussen een advocaat en
zijn cliënt bestaande vertrouwelijkheid moet worden gerespecteerd.
5.3 Klager maakt verweerder verder verwijten over het gesprek tussen klager en
twee bestuursleden van de Probusclub in april 2024. Ook hier geldt dat verweerder
mocht afgaan op de van zijn cliënt ontvangen informatie. Wat verweerder precies heeft
vermeld over de inhoud van het gesprek, kan de raad niet vaststellen, omdat de dagvaarding
geen onderdeel is van het klachtdossier. Dat verweerder heeft vermeld dat zijn cliënt
heeft begrepen dat er van het gesprek een verslag is opgemaakt, kan niet worden aangemerkt
als onjuist of onzorgvuldig.
5.4 Klager maakt verweerder ook het verwijt dat persoonlijke correspondente tussen
klager en de secretaris van de club openbaar is gemaakt. Klager wijst op verweerders
brief van 21 november 2024. Verweerder heeft klager in deze brief gesommeerd geen
negatieve uitlatingen meer te doen over verweerders cliënt en zijn dochter en een
rectificatiebericht aan de Probusclub te sturen. Verweerder mocht daarin namens zijn
cliënt de betreffende verzoeken opnemen. Welke correspondentie door verweerder hierin
openbaar is gemaakt, wordt niet duidelijk, omdat de brief van 21 november 2024 geen
onderdeel is van het klachtdossier.
5.5 De raad is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder vertrouwelijke
informatie in de procedure heeft ingebracht die hij niet had mogen inbrengen. Dat
verweerder informatie op (kennelijk) onrechtmatige of onzorgvuldige wijze heeft verkregen,
is de raad evenmin gebleken. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b) – uitlatingen over klager
5.6 Klager verwijt verweerder dat hij zich – zowel in het kort geding als daarbuiten
– onnodig negatief en insinuerend over klager heeft uitgelaten. Hoewel de dagvaarding
geen onderdeel uitmaakt van het klachtdossier, is uit de door klager geciteerde stellingen
duidelijk dat op scherpe toon is geprocedeerd. Hoewel niet onbegrijpelijk dat klager
zich door verschillende uitlatingen gegriefd voelt, kan de raad gezien de beperkt
geschetste context niet vaststellen dat verweerder zich onnodig grievend heeft uitgelaten.
5.7 Voor zover klager ook klaagt over uitlatingen van verweerder in het kader
van de tuchtprocedure, geldt dat verweerder een grote mate van vrijheid heeft om verweer
te voeren. Dat verweerder in zijn reacties op de klacht die vrijheid te buiten is
gegaan, is de raad niet gebleken.
5.8 Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel c) – slordig handelen
5.9 Klager verwijt verweerder met name dat een belangrijk bericht door verweerder
naar het verkeerde e-mailadres is gestuurd, waardoor klager dit niet heeft ontvangen.
Uit verweerders pleitnota volgt dat het bericht van 10 december 2024 per e-mail is
verzonden, maar dat er een cijfer is weggevallen, waardoor het bericht klager niet
heeft bereikt. Bij het verzenden van het betreffende e-mailbericht is kennelijk een
vergissing begaan. Dat kan gebeuren. Niet elke vergissing levert op zichzelf direct
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. De raad kan niet vaststellen dat deze enkele
vergissing tuchtrechtelijk verwijtbaar is.
5.10 Dat verweerder(s kantoor) een door klager per post verzonden brief niet
heeft ontvangen, leidt even min tot de conclusie dat sprake is van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen. Niet kan worden vastgesteld waar het mis is gegaan. Niet ondenkbaar
is – zoals klager ook zelf heeft geopperd – dat de brief bij de post vermist is geraakt.
Dat verweerder hierin een verwijt kan worden gemaakt, is niet gebleken.
5.11 Dat verweerder in zijn dagvaarding een brief onjuist zou citeren, kan de
raad niet vaststellen, omdat zowel de dagvaarding als de betreffende brief geen onderdeel
uitmaken van het klachtdossier. Dat verweerder een misleidende indruk heeft gewerkt
over de omvang van de processtukken, kan de raad evenmin vaststellen.
5.12 De raad is dan ook niet gebleken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
van verweerder op dit punt. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. A.T. Bol en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026