ECLI:NL:TADRSGR:2026:18 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-487/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:18 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 21-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-487/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet niet-ontvankelijk. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 januari 2026
in de zaak 25-487/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 24 september 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 23 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K107 2025 van
de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 24 september 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze
beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 27 oktober 2025 heeft klager onder meer verzocht om een fysieke behandeling
van de tuchtrechtelijke zaak tegen verweerder. De raad heeft het bericht aangemerkt
als verzet zoals bedoeld in artikel 46h en 46j Advocatenwet. Aan klager is op 27 oktober
2025 bericht dat zijn e-mail wordt opgevat als een verzetschrift, waarbij klager erop
is gewezen dat zijn verzet niet tijdig is gedaan en hem is gevraagd of hij zijn verzet
desondanks wil doorzetten.
1.5 Op 30 oktober 2025 heeft klager verzocht om heropening van de tuchtzaak betreffende
verweerder. De raad heeft dit bericht opgevat als een bevestiging dat klager zijn
verzet wil doorzetten.
1.6 De ontvankelijkheid van het verzet is behandeld op de zitting van de raad
van 24 november 2025. Daarbij was klager aanwezig. Verweerder was niet aanwezig.
1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift (klagers e-mail van 27 oktober 2025). Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail met bijlagen van klager van 30 oktober 2025.
2 ONTVANKELIJKHEID VERZET
2.1 Op grond van artikel 46h lid 1 van de Advocatenwet kan binnen dertig dagen
na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk gemotiveerd
verzet worden gedaan.
2.2 De raad stelt vast dat klager pas na afloop van deze termijn verzet heeft
ingesteld tegen de beslissing van de voorzitting van 24 september 2025. De termijn
waarbinnen klager verzet kon instellen ving aan op 25 september 2025 (één dag na verzending
van de beslissing) en eindigde op 24 oktober 2025. Klager diende zijn verzet op 27
oktober 2025 in en dat is te laat.
2.3 Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding
verschoonbaar is, is niet gebleken. Gevraagd naar de oorzaak of reden van de termijnoverschrijding
heeft klager ter zitting aangevoerd dat hij in afwachting was van een proces-verbaal
van de politie. Welk proces-verbaal dat is en de relevantie daarvan, is de raad niet
duidelijk geworden. Met name is de raad niet gebleken dat het proces-verbaal noodzakelijk
was om (tijdig) verzet te kunnen instellen.
2.4 Het verzet is dan ook te laat ingesteld en de termijnoverschrijding is niet
verschoonbaar. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke behandeling
van het verzet komt de raad om die reden niet meer toe.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. A.T. Bol en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026