ECLI:NL:TADRSGR:2026:14 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-359/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:14 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 21-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-359/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Verweerder is T, een kwetsbare, hoogbejaarde man, gaan bijstaan, zonder zich ervan te vergewissen dat T wilsbekwaam was en in staat was verweerder een opdracht te verstrekken. Diverse omstandigheden maakten dat verweerder alle reden had om aan de wilsbekwaamheid te twijfelen en daarnaar eerst onderzoek te doen. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft vervolgens diverse fouten gemaakt. De opdracht blijft onduidelijk, omdat hierover niets is vastgelegd. Verweerder heeft T bovendien op betalende basis bijgestaan, terwijl T (vanwege de rechterlijke machtiging) in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand. Des te wranger is dat verweerder in zes en een halve maand tijd ruim € 53.000,- heeft gedeclareerd, terwijl niet blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en of die noodzakelijk of van enig nut waren. Sprake van exorbitant en excessief declareren. Handelen in strijd met diverse gedragsrels en in strijd met de kernwaarden deskundigheid en (financiële) integriteit. Verweerder al meer dan 50 jaar advocaat en geen tuchtrechtelijk verleden. De raad rekent het verweerder ernstig aan dat hij op deze wijze met een kwetsbare, hoogbejaarde man is omgegaan die niet of onvoldoende in staat was zijn wil te bepalen. Schrapping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 januari 2026
in de zaak 25-359/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. A.D. van Erp
over
verweerder
gemachtigde: mr. M.A.T. Schroots
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 29 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 2 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/056 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Daarbij
waren klaagster en haar gemachtigde, alsmede verweerder en zijn gemachtigde aanwezig.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 16. Ook heeft de raad kennisgenomen
van:
- de e-mails met bijlagen van verweerder van 7 juli 2025 en 29 oktober 2025;
- de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van klaagster van 8 juli 2025 en
1 december 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 De heer [T] (hierna: T) is geboren in 1935. Klaagster is de nicht van T.
Bij levenstestament van 8 december 2020 heeft T klaagster benoemd tot zijn algemeen
gevolmachtigde.
2.3 Sinds 2015 is bij T sprake van hersenletsel na het verwijderen van een hersentumor.
In mei 2023 heeft T een herseninfarct (CVA) gehad. Sinds medio 2023 verbleef T in
een verpleeghuis.
2.4 Bij brief van 9 april 2024 heeft een specialist ouderengeneeskunde gerapporteerd
over T in het kader van een aanvraag rechterlijke machtiging. In de brief staat onder
meer:
“Deze patiënt heeft vanwege een complexe psychiatrische aandoening nl. een NAH beeld
met fors ontremd gedrag zowel verbaal, fysiek als sexueel, intensieve begeleiding,
verpleging en zorg nodig. (..)
Patiënt kan zijn hulpvraag niet uitstellen en/of verwoorden en is niet in staat
om tijdig hulp te vragen. (…) Er is overname van taken op alle levensterreinen nodig.
(…)
Bij deze patiënt ontbreken de besluitnemings- en oplossingsvaardigheden en moet
het initiëren en uitvoeren van bijna alle taken worden overgenomen Patiënt heeft begeleiding
nodig bij het beheren van geld en het verrichten van administratieve handelingen.
Dit wordt door de nicht van de heer gedaan, zij is zijn eerste contactpersoon. Nicht
vindt dit een zware taak en dreigt overbelast te raken. Patiënt heeft intensieve ondersteuning
nodig ten aanzien van alle cognitieve/psychische functies.”
2.5 Op 19 april 2024 is bij de rechtbank een verzoekschrift rechterlijke machtiging
(ex artikel 26 Wet zorg en dwang, hierna: Wzd) ingediend.
2.6 Bij beschikking van 2 mei 2024 heeft de rechtbank een rechterlijke machtiging
tot opname en verblijf van T verleend voor de duur van zes maanden. In de beschikking
staat onder meer:
“Betrokkene heeft geen goed besef en geen enkel reëel inzicht in de ernst van zijn
aandoening, de mogelijkheden om zichzelf nog goed te redden en het effect daarvan
op zijn dagelijks leven. (…)
Mede dankzij zijn nicht heeft betrokkene, ondanks zijn hersenletsel, nog enkele
jaren thuis kunnen wonen. Nu is echter het moment aangebroken dat thuis wonen gewoonweg
niet langer tot de mogelijkheden behoort.”
2.7 Een kennis van T, de heer [J] (hierna: J) heeft onderwijl verweerder ingeschakeld.
Uit de door verweerder overgelegde urenspecificatie maakt de raad op dat hij sinds
1 mei 2024 werkzaamheden verricht voor T. Op 14 mei 2024 heeft een (eerste) fysieke
ontmoeting plaatsgevonden tussen T en verweerder, in aanwezigheid van J.
2.8 Op 21 mei 2024 heeft T een handgeschreven briefje ondertekend waarin hij
zijn volmacht aan klaagster intrekt.
2.9 Op 29 mei 2024 heeft een medewerker van het verpleeghuis aan klaagster onder
meer geschreven:
“Naar aanleiding van uw e-mail met het ondertekende briefje (waarin stond dat u
geen gevolmachtigde meer zou zijn) heb ik overleg gehad met een collega. (…)
Op dit moment vinden wij het ondertekende briefje niet rechtsgeldig, aangezien Dhr.
bij meerdere personen heeft aangegeven niet te weten dat hij met het tekenen van dat
briefje u uit de volmacht heeft gezet. In zijn beleving heeft hij een briefje ondertekend
dat ervoor zorgt dat hij naar huis zou kunnen gaan en dat zijn advocaat hierbij kan
helpen.”
2.10 Bij brief van 18 juni 2024 heeft een specialist ouderengeneeskunde van GeriCall
gerapporteerd over T. In de brief is onder meer vermeld:
“Betreft: Beoordeling wilsbekwaamheid ter zake financiën, administratie en medische
beslissing(en) bij [T] (…)
Op 17-06-2024 heb ik [T] (…) een bezoek gebracht. (…)
In het gesprek die plaats heeft gevonden met [T] zelf, wordt waargenomen dat er
sprake is van stoornissen over meerdere cognitieve domeinen. (…) Er wordt geconstateerd
dat [T] onvoldoende uiting kan geven van het begrijpen van relevante informatie, en
hierdoor ook onvoldoende uiting kan geven aan logisch redeneren in het overwegen van
de mogelijke opties en de gevolgen hiervan. (…)
Alles bij elkaar genomen zorgt dit ervoor dat [T] niet zelfstandig in staat is tot
het nemen van een beslissing over zaken in de financiën, administratie en medische
beslissing(en)/eigen gezondheid.”
2.11 Op 19 juni 2024 heeft klaagster een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank,
strekkende tot instelling van een bewind over de goederen van T en het instellen van
een mentorschap ten behoeve van T. Klaagster heeft verzocht haar te benoemen tot bewindvoerder
en mentor.
2.12 Op 26 juni 2024 is een nieuw levenstestament voor T opgemaakt door notaris
P, waarin alle eerder gemaakte levenstestamenten en de daarin verleende algemene volmachten
zijn herroepen en mevrouw [V] (hierna: V) is benoemd tot algemeen gevolmachtigde van
T.
2.13 Op 24 juli 2024 heeft notaris P, in reactie op een e-mail van verweerder,
aan verweerder bericht:
“Naar aanleiding van uw onderstaande mail kan ik u mededelen dat ik op 26 juni jl.
geen twijfels had inzake de wilsbekwaamheid van [T].
Als ik dat wel zou hebben gehad zou ik het levenstestament niet hebben verleden.”
2.14 Op 25 juli 2024 heeft verweerder bij de rechtbank een verweerschrift ingediend
in de procedure over bewind en mentorschap. In het verweerschrift staat onder meer:
“10. Doorslaggevend in deze zaak is het welzijn van verweerder. Hij wordt in Verpleeghuis
[naam] slecht behandeld, de toegang aldaar van een vaste vertrouweling van verweerder
wordt door deze instelling zonder opgave van reden verboden en de komst van een geriatrisch
arts om de geestelijke en fysieke gesteldheid van verweerder te onderzoeken is ook
verboden. (…)
11. Verweerder wil zo snel als mogelijk het Verzorgingshuis [W] verlaten en hetzij
verder thuis met behulp van PGB worden verzorgd, hetzij in een waardige omgeving waar
hij de hem toekomende zorg krijgt.”
2.15 Op 30 juli 2024 is het verzoek tot bewind en/of mentorschap door de kantonrechter
op zitting behandeld. Klaagster was daarbij aanwezig, evenals T, bijgestaan door verweerder.
Ook J en V waren aanwezig. In het proces-verbaal van inlichtingen staat onder meer:
“[T] verklaart – zakelijk weergegeven -: (…)
[Klaagster] heeft al zoveel voor mij gedaan. Zij heeft goed voor mij gezorgd maar
heeft het te druk met andere dingen. Zij heeft weinig tijd voor mij waardoor zij voor
mij nog geen plekje heeft kunnen vinden om te wonen. [V] gaat mij nu daarbij helpen.
(…) Mijn testament wil ik zo gaan inrichten dat een deel van mijn vermogen naar mijn
nicht [klaagster] gaat en naar wat buren die voor mij zorgen. Ik ben gelovig. Een
flink gedeelte van mijn vermogen wil ik nalaten aan de kerk zodat ze kunnen uitbreiden
met de bouw. (…)
[V] verklaart – zakelijk weergegeven-: (…)
Mijn doel is om zijn laatste levensfase in zijn eigen woning door te laten brengen
met professionele hulp.”
2.16 Bij beschikking van 1 augustus 2024 heeft de kantonrechter de verzoeken
van klaagster afgewezen. In de beschikking is onder meer opgenomen:
“Verzoekster voert aan dat betrokkene wilsonbekwaam is. Zij legt daartoe een verklaring
over van de geriater van 18 juni 2024 en een uitspraak van de rechter van 2 mei 2024
betreffende een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel
24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.
(…)
Betrokkene heeft aangevoerd dat hij bij levenstestament zijn algemeen gevolmachtigde
heeft gewijzigd van verzoekster naar [V] vanwege de wijze waarop verzoekster zijn
financiële en medische belangen heeft behartigd. (…) Daarbij wil betrokkene graag
zijn laatste levensfase weer thuis wonen met de benodigde zorg. [V] zou hem daarbij
willen en kunnen helpen en begeleiden. (…)
De kantonrechter heeft ter zitting van 30 juli 2024 betrokkene tweemaal alleen gehoord.
Hetgeen betrokkene heeft verklaard komt overeen met hetgeen hij in zijn levenstestament
heeft opgenomen.
Het is de notaris die toetst of betrokkene wilsbekwaam is bij het opmaken van een
(levens)testament. (…) Gelet hierop en op hetgeen betrokkene heeft verklaard, kan
de kantonrechter voor nu niet anders concluderen dan dat het levenstestament van 26
juni 2024 rechtsgeldig is opgemaakt. Daarbij is het niet aan de kantonrechter om in
deze procedure de eventuele nietigheid van het levenstestament te beoordelen. Daar
zijn andere procedures voor.”
Klaagster heeft appel ingesteld tegen deze beschikking. Zij heeft het hoger beroep
later ingetrokken in verband met het overlijden van T.
2.17 In september 2024 is een verlenging van de rechterlijke machtiging verzocht.
Bij de zitting daarover was verweerder aanwezig. De rechterlijke machtiging is verlengd.
2.18 T is op 19 november 2024 overleden.
2.19 Het dossier bevat de declaraties van verweerder aan T, inclusief de specificaties
(alleen de specificaties bij de facturen van 30 mei 2024 en 1 juli 2024 zijn compleet,
de overige specificaties zijn geanonimiseerd). Het totaal van alle declaraties is:
€ 54,435.-. Het gaat om de volgende declaraties (alle bedragen inclusief btw):
Declaraties voor advies
- 16 mei 2024: € 3.327,50 (voorschot);
- 30 mei 2024: € 2.660,49 (na verrekening van het betaalde voorschot);
- 1 juli 2024: € 4.961,-
- 5 augustus 2024: € 3.010,18;
- 12 september 2024: € 5.989,50;
- 23 oktober 2024: € 8.107,-
- 18 november 2024: € 7.732,44.
Totaal: € 35.788,11
Declaraties voor onderbewindstelling
- 5 augustus 2024: € 5.964,09;
- 12 september 2024: € 1.452,-
- 23 oktober 2024: € 3.414,50;
- 18 november 2024: € 906,29.
Totaal: € 11.736,88
Declaraties voor ‘Rabobank’
- 5 augustus 2024: € 971,03;
- 12 september 2024: € 4.477,-;
Totaal: € 5.448,03
Declaraties voor ‘[T]/[T]’
- 23 oktober 2024: € 847,- ;
- 18 november 2024: € 614,98.
Totaal: € 1.461,98
2.20 Op de dag van het overlijden van T, 19 november 2024, is een verzoekschrift
tot het leggen van conservatoir beslag op de rekening en het huis van T opgesteld
door de gemachtigde van verweerder. Dit verzoekschrift is op 22 januari 2025 ingekomen
bij de rechtbank.
2.21 Het dossier bevat een e-mail van de J aan verweerder van 26 november 2024,
waarin onder meer staat:
“Uiteindelijk verzocht [T] mij om op zoek te gaan naar een geschikte advocaat teneinde
uit de problemen te komen. (….) Eind april informeerde ik [T] dat het verstandig zou
zijn om [kantoor verweerder] te [plaats] in te schakelen (…).
Op 1 mei van dit jaar gaf [T] mij opdracht om [kantoor verweerder] in te schakelen
om zijn belangen te laten behartigen. Advocaat [verweerder] was bereid om voor een
tarief van Euro 250,00 per uur exclusief BTW de belangen van [T] te behartigen en
daarmee ging [T] direct akkoord. De ingediende declaraties van advocaat [verweerder]
waren voor [T] ook akkoord tot het moment dat [V] de financiële belangen van [T] overnam.
[V] is blijkens het levenstestament van 26 juni 2024 benoemd tot belangenbehartigster
van [T]. Voorzover mij bekend zijn de declaraties van advocaat [verweerder] vervolgens
door haar ontvangen en volledig akkoord bevonden. Door onbegrip van de Rabobank zijn
de declaraties evenwel helaas niet betaald.”
Deze e-mail is door verweerder ook wel aangeduid als de opdrachtbevestiging.
2.22 Het dossier bevat een e-mail van V aan verweerder van 27 november 2024,
waarin onder meer staat:
“Hierbij mijn bevestiging tot benoeming tot belangenbehartiger voor financiële zaken
van [T]. (…)
De aangeleverde nota’s met bijbehorende specificaties van [verweerder] zijn door
mij gecontroleerd en in orde bevonden.
De bank heeft helaas de nota’s nooit betaald.”
2.23 Op 28 november 2024 heeft verweerder de erfgenamen, waaronder klaagster,
gesommeerd tot betaling van de openstaande declaraties ad € 53.435,-, uiterlijk op
1 december 2024. Als bijlagen bij de e-mail heeft verweerder de opdrachtbevestiging
(de e-mail van J van 26 november 2024), declaraties en specificaties (waarbij de omschrijvingen
zijn weggelaten) gevoegd.
2.24 Op 17 december 2024 is door een notaris een verklaring van erfrecht opgemaakt,
waaruit volgt dat klaagster en haar twee zussen erfgenaam zijn. De erfgenamen hebben
de nalatenschap zuiver aanvaard. Klaagster is tevens executeur.
2.25 Op 9 januari 2025 heeft de gemachtigde van verweerder klaagster en haar
zussen (mede erfgenamen) in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling over te gaan
van de declaraties ten bedrage van € 53.435,- met rente en incassokosten.
2.26 Op 14 januari 2025 heeft de gemachtigde van klaagster hierop gereageerd
en namens klaagster gemotiveerd betwist dat de werkzaamheden van verweerder hebben
plaatsgevonden, althans dat daartoe een opdracht bestond van T. De gemachtigde van
klaagster heeft in haar bericht een schikkingsvoorstel gedaan.
2.27 Op 22 januari 2025 heeft de gemachtigde van verweerder het schikkingsvoorstel
afgewezen.
2.28 Diezelfde dag heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank verlof verleend
voor het leggen van conservatoir beslag. Op 27 januari 2025 en 3 februari 2025 is
namens verweerders praktijkvennootschap C conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen
van T en op de woning.
2.29 Op 10 februari 2025 heeft verweerders praktijkvennootschap C de erven van
T, waaronder klaagster, gedagvaard en betaling van de declaraties gevorderd. In de
dagvaarding is onder meer vermeld:
“3. De opdracht hield onder meer in de volmacht aan [klaagster] in te trekken, te
zorgen voor een nieuw levenstestament en vervolgens ook voor een gewijzigd testament
waarin [klaagster] niet langer als erfgenaam of legataris zou zijn vermeld.”
2.30 Het dossier bevat een pagina van een Conclusie van Antwoord van de gemachtigde
van klaagster, waarin onder meer is vermeld:
37. Uit een gesprek dat [R] met erflater had en dat zij heeft opgenomen, zegt erflater:
“Ik weet niet meer wat er gebeurd is. Die advocaat die moet nagaan of er niet een
foutje gemaakt is, zodat ik wel naar huis kan met ja met enige zorg, omdat eh dan
al eh bijna 89 is. Dat kan iedereen begrijpen. […] [J] is zeg maar voorlopig nog eventjes
bezig met de mogelijkheid te onderzoeken of… Hij heeft dus die advocaat in de arm
genomen […] Hij gaat onderzoeken of er inderdaad een mogelijkheid is om mij… een second
opinion… om aan een eh… in cassatie te doen… Nou en dat moet onderzocht worden.” In
andere gesprekken komt duidelijk naar voren dat erflater niet begrijpt wie [verweerder]
is, dat hij de strekking van het briefje, waarmee de volmacht van [klaagster] is ingetrokken
niet begrijpt en dat hij niet weet wie nu zijn financiële belangen behartigt. In het
gesprek met [R] omtrent het briefje van [J] geeft erflater aan dat [klaagster] nog
moet betalen. Daarbij gaf erflater aan dat [J] hem vertelde dat deze advocaat het
voor een koopje zou doen”
2.31 Het dossier bevat een verklaring van J, gedateerd 7 juli 2025, waarin onder
meer staat:
“[Verweerder] heeft regelmatig zijn declaraties (welke steeds conform afspraak op
maandbasis werden gestuurd) en het kostenverloop ervan in mijn aanwezigheid met [T]
besproken.”
2.32 Het dossier bevat een e-mail van V aan de gemachtigde van klaagster van
8 juli 2025, waarin V onder meer schrijft:
“Er is door mij nooit iets opgestart of toestemming gevraagd of gesproken over kosten.
Immers was alles al in volle beweging toen ik in het levenstestament terecht kwam.
De eerste drie rekeningen zijn nog naar [klaagster] gestuurd en toen was ik nog niet
in beeld.
Toen ik de rekeningen onder ogen kwam besefte dat er een advocaat van vermogen was.
Dat wist ik niet. Ik heb dus de eerste drie rekeningen aan de bank overhandigd maar
er werd niets mee gedaan. De bank zat op slot dus verder heb ik met de rekeningen
niets gedaan.
Alle rekeningen heb ik de bedragen bij elkaar opgeteld en dat klopte. Uiteraard
verder geen flauw benul hoelang en hoeveel er is gewerkt. Dat kon ik niet nagaan.
Verder kon meneer [T] geen rekeningen meer inzien. Hij was er al te slecht aan toe.
In het nieuwe levenstestament zou een groot bedrag naar de kerk gaan. Dit was de
wil van meneer [T]. daarnaast zouden kleinere bedragen naar een aantal personen gaan.
(…)
Maar hij wilde thuis sterven en dat laatste had ik nog graag voor hem willen doen.
Hij was al te ver weg toen er nog over “naar huis terug” werd gesproken en met een
Rechterlijke Machtiging ging het helemaal niet meer lukken.”
2.33 Het dossier bevat verder twee (ongedateerde) WhatsAppberichten van V aan
klaagster, waarin V onder meer schrijft:
“Nou… en deze week kreeg ik een mail van [J]/[verweerder]. Of ik een verklaring
wilde tekenen en opgesteld door [verweerder] wat niet klopte. Heb gemaild dat ik er
NIETS meer mee te maken wilde hebben. Nog een mail want dan zouden ze bij mij de papieren
ophalen (…) Wederom gezegd als ik onder ede moet gaan getuigen komen er ook niet de
leukste dingen voor de dag”
en (andere bericht):
“[T] heeft gedacht dat hij naar huis toe mocht Denk dat hij daarom heeft getekend
en de kuil waar die in is gevallen”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) Verweerder heeft zich opgeworpen als advocaat van T, terwijl T op dat moment
al niet langer in staat was zijn financiële en niet-financiële belangen te behartigen.
Verweerder heeft T beloofd dat hij hem kon helpen om weer thuis te wonen, terwijl
er een goed onderbouwde rechterlijke machtiging lag. De toetsing van de wilsbekwaamheid
heeft niet (deugdelijk) plaatsgevonden.
b) Verweerder is zonder (schriftelijke) opdracht werkzaamheden gaan verrichten
in het kader van het wijzigingen van het levenstestament en testament van T ten gunste
van een kerk in geldnood. De opdrachtbevestiging ontbreekt dan wel is onvoldoende
duidelijk, de afspraken zijn niet voldoende redelijk en duidelijk en de zorg- en informatieplicht
is niet goed gewaarborgd.
c) Verweerder heeft in amper zes maanden tijd het exorbitante bedrag van ruim
€ 53.000,- in rekening gebracht. Het is onduidelijk wat verweerder daar allemaal voor
heeft gedaan. Verweerder verlangt nu van de erfgenamen betaling en heeft al beslag
laten leggen.
3.2 Klaagster heeft toegelicht dat T met een rechterlijke machtiging was opgenomen
in een verpleeghuis, verward was en geen enkel inzicht had in zijn ziektebeeld. T
wilde alleen nog maar naar huis, maar dat was onmogelijk. Er zijn vele onderzoeken
gedaan, ook naar zijn wilsbekwaamheid. T was in mei 2024 niet in staat een opdracht
aan verweerder te verstrekken. Niettemin is verweerder werkzaamheden gaan verrichten,
terwijl uit gesprekken met T blijkt dat hij niet goed weet wie verweerder is en wat
hij voor hem doet. Verweerder heeft geen deskundige ingeschakeld om de conditie van
T te beoordelen voordat hij aan zijn werkzaamheden begon. Op 17 juni 2024 is een wilsbekwaamheidsonderzoek
gedaan waaruit bleek dat T niet wilsbekwaam was. Verweerder was bekend met het resultaat
van dit onderzoek. Zeker vanaf die datum had verweerder zijn werkzaamheden, voor zover
daartoe al een opdracht bestond, moeten staken.
3.3 Aan verweerder is verzocht een opdrachtbevestiging te verstrekken. Verweerder
heeft alleen een verklaring van een goede kennis van hem (J) van 26 november 2024
overgelegd, derhalve ruim na het overlijden van T. Deze verklaring kan niet dienen
als opdrachtbevestiging in het kader van het verlenen van juridische bijstand. Tot
op heden blijkt nergens uit dat er een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen.
Als al sprake zou zijn van een overeenkomst, vervalt die, omdat geen sprake is van
een (duidelijk en transparant) kostenbeding. Voor T is het nooit duidelijk geweest
welke werkzaamheden verweerder voor hem zou verrichten, noch wat hem dit zou gaan
kosten. Bovendien is er geen kansenafweging over de mogelijke uitkomsten met hem besproken
en vastgelegd. Nergens blijkt uit dat T (die daartoe overigens niet in staat was)
of V verweerder opdracht hebben gegeven om werkzaamheden te verrichten die ertoe zouden
strekken dat het levenstestament of testament van T zou worden aangepast.
3.4 Verweerder heeft twee zittingen over de rechterlijke machtiging bijgewoond,
een verweerschrift (twee A4) ingediend in de procedure omtrent mentorschap en bewind
en de betreffende zitting bijgewoond. Verder zal overleg hebben plaatsgevonden met
twee notarissen. Onduidelijk is waarom dit € 53.000,- zou moeten kosten. Wat opvalt
is dat verweerder meerdere uren besteedt aan het bestuderen van het levenstestament,
terwijl de inhoud daarvan standaard is. Ook wordt urenlang gecorrespondeerd en gebeld
met derden. De declaraties zijn nimmer met T besproken, zo volgt uit een verklaring
van V, althans hij kon deze niet begrijpen.
3.5 Ter zitting is toegelicht dat er voor verweerder alle aanleiding was om te
twijfelen aan de wilsbekwaamheid van T en dat hij daarnaar onderzoek had moeten laten
verrichten, alvorens tot het verrichten van werkzaamheden over te gaan. Dit klemt
temeer nu niet blijkt dat verweerder enige ervaring heeft met bijstand aan psychiatrische
patiënten. Verweerder heeft niet de nodige zorgvuldigheid betracht bij de beoordeling
of hij T wel bij kon staan en evenmin bij de vaststelling van de opdracht. De opdracht
lijkt te zijn geweest dat T naar huis wilde, maar door geen beroep in te stellen tegen
de rechterlijke machtiging is daar niet aan voldaan. T had in ieder geval een ander
idee van de opdracht aan verweerder, dan waar de werkzaamheden van verweerder toe
hebben geleid. T had bovendien op grond van de Wzd recht op gefinancierde rechtsbijstand.
Niet gebleken is dat verweerder T op dit recht heeft gewezen, noch dat T daar uitdrukkelijk
afstand van heeft gedaan. Aan alle vereisten voor het geldig tot stand komen van een
overeenkomst is niet voldaan.
3.6 Ter zitting is verder toegelicht dat verweerder namens zijn persoonlijke
vennootschap een bodemprocedure is gestart, terwijl de opdracht, voor zover daarvan
sprake is, aan het kantoor van verweerder is verstrekt. Er wordt bewust namens een
onjuiste entiteit geprocedeerd, wat in strijd is met gedragsregel 6 en leidt tot onnodige
hoge kosten voor klaagster en de andere erven. Ook heeft verweerder de rechter van
onjuiste informatie voorzien in strijd met gedragsregel 8. Klaagster verwijt verweerder
verder dat hij zich in contact met derden, waaronder V en de gemachtigde van klaagster,
op onzorgvuldige wijze en in strijd met gedragsregel 22 en 24 heeft geuit. Klaagster
vindt het ook buitengewoon kwetsend dat verweerder in zijn antwoord stelt dat zij
er letterlijk alles aan gedaan heeft om het leven van T onmogelijk te maken. Dit is
onjuist. Klaagster heeft jarenlang goed voor T gezorgd en dankzij klaagsters inspanningen
heeft T nog jaren na zijn hersenoperatie thuis kunnen wonen. J hield T steeds voor
dat hij er wel voor kon zorgen dat hij weer naar huis kon, wat T dan ook wilde, maar
wat al uitgesloten was door de behandelaars.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd.
4.2 Verweerder stelt dat hij de belangen van T conform afspraak met hem naar
eer en geweten heeft behartigd. T werd tijdens zijn eerste gesprek met verweerder
bijgestaan door gemeenschappelijke kennis J. T was weliswaar fysiek beperkt, maar
wist ondanks die beperking precies wat hij wilde. T was daarin duidelijk en stellig:
hij wilde weg uit het verpleeghuis, hij wilde af van de bemoeienis van klaagster en
wilde zijn nichten (waaronder klaagster) buitenspel zetten en onterven. Verweerder
stelt dat klaagster er alles aan heeft gedaan om T het leven zuur te maken. Om die
reden heeft T de volmacht aan klaagster ingetrokken. T wilde een nieuw levenstestament
en vervolgens ook een gewijzigd testament.
4.3 Verweerder stelt dat hij T nooit in het vooruitzicht heeft gesteld dat hij
ervoor zou zorgen dat T terug naar huis zou kunnen. Voor de omgeving was echter duidelijk
dat dat laatste geen reële optie was. Door zijn vertrouwelingen is nog wel de mogelijkheid
van een andere verzorgingsplek onderzocht, maar dat is uiteindelijk niet meer gelukt.
4.4 Verweerder stelt dat wel degelijk sprake is van een overeenkomst van opdracht
tussen hem en T. De voorwaarden zijn besproken in het bijzijn van J en door T akkoord
bevonden. Dit blijkt uitdrukkelijk uit de verklaringen van J (van 26 november 2024)
en V (van 27 november 2024). Verweerder heeft conform afspraak maandelijks gedeclareerd
en daarbij het afgesproken uurtarief van € 250,- (ex btw) aangehouden. Ook is steeds
(mondeling) met T de stand van zaken doorgenomen en is gesproken over de gemaakte
en nog te verwachten kosten. Deze gesprekken hebben steeds in aanwezigheid van J en/of
V plaatsgevonden. Ook uit de gespecificeerde maanddeclaraties was duidelijk welke
werkzaamheden tegen welke kosten in die maand door verweerder waren verricht. De declaraties
hebben nooit tot enig dispuut geleid en zijn door J en V akkoord bevonden.
4.5 Verweerders werkzaamheden bleken niet beperkt tot het doen leveren van een
nieuw levenstestament en een gewijzigd testament (dat er overigens niet gekomen is).
Na het passeren van het nieuwe levenstestament op 26 juni 2024 heeft klaagster er
letterlijk alles aan gedaan om het leven van T zo goed als onmogelijk te maken. Nadat
notaris P na dreigement met een klacht van klaagster zijn verdere medewerking weigerde,
is verweerder – in opdracht van T en zijn zaakwaarneemster – op zoek gegaan naar een
andere notaris die het testament wel wilde passeren. Verweerder is uiteindelijk terechtgekomen
bij notaris A. Toen de door die notaris voorgestelde ouderendeskundige T in de loop
van november 2024 bezocht was zijn fysieke conditie al zover achteruit gegaan dat
hij geen oordeel meer kon geven over de geestelijke gesteldheid van T. Om die reden
kon ook notaris A geen testament meer passeren. Enige dagen later is T overleden.
4.6 Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan klaagster
geen zelfstandig klachtrecht toekomt, omdat zij geen specifiek, concreet en relevant
belang bij de klacht heeft. Zij dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Ook moet niet-ontvankelijkverklaring volgen omdat de oorspronkelijke klacht kretologisch
en ongemotiveerd is en geen specifieke op het advocatuurlijke tuchtrecht gebaseerde
klachten bevat. Klaagster verzuimt verder feiten en omstandigheden aan te voeren die
tot de conclusie zouden moeten leiden dat sprake is van excessief declareren.
4.7 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
5.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster geen zelfstandig
klachtrecht toekomt. De raad passeert dat verweer. Klaagster is erfgenaam van T en
was – ten tijde van de start van de werkzaamheden van verweerder – de algemeen gevolmachtigde
van T. Zij heeft daarmee een rechtstreeks en eigen belang bij de klacht over verweerders
bijstand. Als erfgenaam heeft zij bovendien een rechtstreeks belang bij de klacht
over de declaraties, omdat deze worden verhaald op de erfenis en klaagster door verweerder
hierover in rechte is betrokken.
5.2 Voor zover wordt gesteld dat de klacht ‘kretologisch’, ongemotiveerd en onvoldoende
specifiek zou zijn, passeert de raad ook dat verweer. Het is voldoende duidelijk waar
de klacht op ziet. Er is geen reden om de klacht om deze reden niet-ontvankelijk te
verklaren. De klacht is dan ook (in alle onderdelen) ontvankelijk.
Toetsingskader
5.3 Uitgangspunt is dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van
de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. De tuchtrechter houdt
bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop
hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een
advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid
is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de
advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat
te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot
mag worden verwacht.
Wils(on)bekwaamheid van T
5.4 Tot de zorg van een advocaat in de zin van artikel 46 Advocatenwet behoort
bij twijfel over de wilsbekwaamheid van een cliënt ten minste dat hij daar onderzoek
naar doet, bijvoorbeeld door het houden van een uitvoerig gesprek met de cliënt zonder
aanwezigheid van derden, in welk gesprek – naast een onderzoek naar de voorgelegde
vraag om juridische bijstand – begrip en beslisvaardigheid van de cliënt door open
vragen worden onderzocht. Een advocaat die dat dan niet doet handelt tuchtrechtelijk
verwijtbaar wanneer hij die (mogelijk wilsonbekwame) cliënt bijstaat. (zie RvD Arnhem-Leeuwarden
21 mei 2024, ECLI:NL:TADRARL:2024:133 en HvD 31 januari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:17).
5.5 Omdat noch de Advocatenwet noch de bestaande verordeningen en richtlijnen
van de Nederlandse Orde van Advocaten indicatoren bevat wanneer de wilsbekwaamheid
van een cliënt moet worden betwijfeld, zoekt de raad in navolging van het Hof van
Discipline (ECLI:NL:TAHVD:2014:148 en ECLI:TAHVD:2022:17) daarvoor aansluiting bij
het door het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie vastgestelde
(herziene) ‘Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening’
van 2021.
5.6 Gelet op de daarin opgenomen indicatoren is de raad van oordeel dat ten tijde
van de door verweerder gestelde opdracht aanleiding was voor reële twijfel over de
wilsbekwaamheid van klager. T was op hoge leeftijd, woonde niet meer zelfstandig en
verbleef (sinds medio 2023) in een zorginstelling. Er was sprake van niet aangeboren
hersenletsel door (verwijdering van) een hersentumor en een herseninfarct. Er was
bovendien op 9 april 2024 uitgebreid gerapporteerd over T door een specialist ouderengeneeskunde,
in het kader van een aanvraag rechterlijke machtiging. Deze aanvraag is in april 2024
ingediend, waarop de rechtbank op 2 mei 2024 de rechterlijke machtiging heeft verleend.
Verweerder werd ook niet door T zelf benaderd, maar door een kennis (J). Verweerder
was met al deze informatie bekend op het moment dat hij op 14 mei 2024 met T in gesprek
ging over de vermeende opdracht.
5.7 Die feiten en omstandigheden hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn
om te onderzoeken of klager op dat moment in staat was ten volle zijn wil te bepalen.
Verweerder heeft geen kenbare ervaring met of specialisme op het gebied van psychiatrische
patiëntenzorg of zorgwetten. Zijn rechtsgebieden zijn ondernemingsrecht, transport-
en handelsrecht en verzekeringsrecht. Alleen al daarom had verweerder onvoldoende
kennis om zelfstandig te bepalen of T in staat was zijn wil te bepalen. Bij gebrek
aan specifieke kennis daaromtrent, had verweerder zich daarover moeten laten informeren.
Dat heeft hij niet gedaan.
5.8 Verweerder heeft bovendien alleen een gesprek met T gevoerd op 14 mei 2024,
in het bijzijn van J (de persoon die verweerder had benaderd). Verweerder had echter
minst genomen een gesprek met alleen T moeten voeren, zonder aanwezigheid van derden.
De raad is van oordeel dat verweerder op basis van alleen dat gesprek, in de wetenschap
van alle onder 5.6 genoemde informatie, niet de conclusie heeft mogen trekken dat
hij voor T kon optreden. Verweerder heeft – voor zover hij dat al kon (zie 5.7) –
onvoldoende getoetst of T wilsbekwaam was en aan verweerder een opdracht kon verstrekken.
5.9 Dat notaris P later heeft geoordeeld dat T wilsbekwaam was, zoals verweerder
stelt, blijkt niet uitdrukkelijk en kan verweerder niet baten. Verweerder diende zich
er bij aanvang van de werkzaamheden zelf van te verzekeren dat T in staat was zijn
wil te bepalen en een opdracht te verstrekken. Om diezelfde reden is ook de (latere)
beslissing van de kantonrechter van 1 augustus 2024 op dit punt niet relevant.
5.10 De raad is dan ook van oordeel dat verweerder onzorgvuldig en in strijd
met de kernwaarde deskundigheid heeft gehandeld. Klachtonderdeel a is daarmee deels
gegrond.
5.11 Op het verwijt dat verweerder T zou hebben beloofd dat hij hem kon helpen
om weer thuis te wonen, wordt hierna (in 5.13 en 5.14) ingegaan.
5.12 Overigens had de nieuwe rapportage van 18 juni 2024, waarin uitdrukkelijk
is geconcludeerd dat T niet in staat was zijn belangen te behartigen en waarmee verweerder
bekend was, reden voor verweerder moeten zijn om zijn beslissing om T bij te staan
te heroverwegen, althans opnieuw te toetsen. Dat hij dit heeft gedaan, blijkt niet.
De opdracht(bevestiging)
5.13 Verweerder is toch werkzaamheden voor T gaan verrichten. Wat T precies aan
verweerder verzocht zou hebben te doen, daarover verschillen de standpunten van klaagster
en verweerder. Klaagster stelt – kort gezegd – dat T naar huis wilde en daarom had
J verweerder benaderd. Verweerder stelt dat hij was benaderd om ervoor te zorgen dat
de volmacht aan klaagster werd ingetrokken en dat er een nieuw levenstestament en
nieuw testament zouden worden gepasseerd, waarbij de erfenis voor een groot deel aan
de kerk zou worden toebedeeld.
5.14 De raad kan niet vaststellen wat T precies van verweerder heeft verlangd
of heeft verwacht, omdat een schriftelijke bevestiging van de opdracht en gemaakte
afspraken ontbreekt. Dat de rechtshulp uitsluitend zag op het intrekken van de volmacht
en het passeren van een nieuw (levens)testament overtuigt de raad niet. Immers, daarvoor
is geen bijstand van een advocaat nodig, maar van en notaris. De raad acht de e-mail
van de medewerker van het verpleeghuis (2.9) daarbij veelzeggend. De raad kan verweerder
niet volgen in zijn verwijzing naar de e-mail van J van 26 november 2024 als ‘opdrachtbevestiging’.
Deze e-mail dateert van ver na de aanvang van de werkzaamheden en zelfs van na het
overlijden van T en kan alleen al daarom niet als opdrachtbevestiging worden aangemerkt.
Het bericht voldoet ook verder niet aan de voorwaarden waaraan een opdrachtbevestiging
moet voldoen, zoals een omschrijving van de opdracht en de te verwachten werkzaamheden
en een kosteninschatting. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met gedragsregel
16, waarin is bepaald dat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan de
cliënt moeten worden bevestigd. Verweerder heeft ook niet op een later moment, nadat
hij met zijn werkzaamheden is aangevangen, iets schriftelijk aan zijn cliënt bevestigd,
waardoor onduidelijk blijft wat de opdracht zou zijn geweest en welke werkzaamheden
verweerder moest verrichten. Het verbaast de raad daarbij dat verweerder ter zitting
heeft aangegeven dat T niet goed kon horen, maar dat hij desondanks zaken (alleen)
mondeling met T heeft besproken, in het bijzijn van J. Verweerder heeft ook in dit
opzicht onzorgvuldig gehandeld.
5.15 Verweerder had T bovendien moeten voorhouden dat hij, omdat sprake was van
een rechterlijke machtiging op grond van de Wzd, aanspraak kon maken op gefinancierde
rechtsbijstand op grond van artikel 38 lid 3 Wzd. Uit de overgelegde schriftelijke
uitwerking van de mondelinge beslissing van de verlening van de machtiging van 2 mei
2024 blijkt ook dat T een advocaat voor deze procedure had. De schriftelijke uitwerking
van de verlenging van 19 september 2024 is door partijen niet overgelegd. Gelet op
de positie van T had hij ook voor bijstand in de procedure over het bewind en mentorschap
in aanmerking kunnen komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Verweerder had alleen
op betalende basis voor T mogen optreden in het geval T op de hoogte was van zijn
recht op gefinancierde rechtsbijstand en hier uitdrukkelijk afstand van deed (zie
gedragsregel 18). Dat verweerder deze mogelijkheid met T heeft besproken blijkt niet.
Ook op dit punt heeft verweerder onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarde (financiële)
integriteit gehandeld. Daarmee is klachtonderdeel b gegrond.
De declaraties (klachtonderdeel c)
5.16 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter niet bevoegd is om declaratiegeschillen
tussen cliënten en hun advocaten te beslechten. Daar is deze klachtprocedure ook niet
voor bedoeld. De tuchtrechter waakt wel voor excessief declareren. Of daarvan sprake
is hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij wegen alle omstandigheden
mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de
cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen
het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van
die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt
staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal
van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt kan worden.
5.17 De raad stelt vast dat verweerder in een tijdsbestek van 6,5 maand (1 mei
2024 tot en met 18 november 2024) in totaal € 54.435,- in rekening heeft gebracht,
voor “advies”, de onderbewindstelling, “Rabobank” en ‘[T]/[T]”. Alleen al voor advies
heeft verweerder ruim € 35.000,- in rekening gebracht, terwijl volstrekt onduidelijk
blijft waar dat advies op zag, wat verweerder precies heeft gedaan en welk resultaat
het heeft opgeleverd. Uit de (grotendeels geanonimiseerde) urenspecificaties blijkt
met name dat verweerder bijzonder veel heeft gecorrespondeerd en gebeld met (onbekende)
derden. Welke bijstand verweerder heeft geleverd bij de onderbewindstelling, behalve
zijn aanwezigheid bij de zitting en een verweerschrift van twee kantjes, blijft ook
onduidelijk, terwijl daar wel ruim € 11.000,- voor is gedeclareerd. Dat staat niet
in verhouding.
5.18 Nu de precieze opdracht onduidelijk is gebleken en T in beginsel in aanmerking
kwam voor gefinancierde rechtsbijstand, acht de raad het bedrag van ruim € 53.000,-
voor grotendeels onduidelijke werkzaamheden exorbitant en excessief, dit mede in aanmerking
genomen dat volgens verweerder de bijstand uitsluitend zag op de intrekking van de
volmacht en de wijziging van het testament en die bijstand door de notaris wordt verleend.
5.19 De raad merkt daarbij op het ongepast te vinden dat (de gemachtigde van)
verweerder op de dag van het overlijden van T een verzoekschrift tot het leggen van
conservatoir beslag op de rekening en het huis van T heeft opgesteld. Hoewel het verzoekschrift
later is ingediend c.q. is ingekomen bij de rechtbank, getuigt het van een kil opportunisme
dat alleen op financieel gewin gericht is geweest. Dat wordt versterkt doordat verweerder
al op 28 november 2024, een ruime week na het overlijden, de erven (waaronder klaagster)
heeft aangeschreven met het verzoek om binnen twee dagen € 53.435,- te voldoen voor
de openstaande declaraties. Verweerder heeft bovendien zonder overleg met de deken
beslag laten leggen, terwijl hij wel gehouden was daarover eerst met de deken te overleggen
(gedragsregel 17 lid 6). Verweerder heeft ook op dat punt onzorgvuldig gehandeld
5.20 Er is ook hier sprake van onzorgvuldig handelen en handelen in strijd met
de kernwaarde financiële integriteit. Klachtonderdeel c is gegrond.
Overige overwegingen
5.21 Klaagster heeft in haar aanvulling van 8 juli 2025 en ter zitting voor het
eerst gewezen op de manier waarop verweerder zich jegens klaagsters gemachtigde heeft
opgesteld en op het feit dat verweerder de erven namens zijn persoonlijke vennootschap
heeft gedagvaard, terwijl de opdracht aan verweerders kantoor was verstrekt. Voor
zover de klacht hiermee wordt aangevuld, geldt dat dit op gespannen voet staat met
art. 46c van de Advocatenwet. Daarin is bepaald dat klachten worden ingediend bij
de deken en dat die daarnaar onderzoek doet. De raad zal deze punten daarom verder
buiten beschouwing laten.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder is T, een kwetsbare, hoogbejaarde man, gaan bijstaan, zonder zich
ervan te vergewissen dat T wilsbekwaam was en in staat was verweerder een opdracht
te verstrekken. Diverse omstandigheden, waaronder de leeftijd, het medisch dossier
en het feit dat T met een rechterlijke machtiging was opgenomen in een zorginstelling,
maakten dat verweerder alle reden had om aan de wilsbekwaamheid te twijfelen en daarnaar
eerst onderzoek te doen. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft alleen
een gesprek met T gevoerd, in het bijzijn van een derde, terwijl verweerder bovendien
geen enkele kenbare ervaring met of specialisme op het gebied van psychiatrische patiëntenrecht
of zorgwetten heeft.
6.2 Verweerder is T toch gaan bijstaan en heeft vervolgens diverse fouten gemaakt.
De opdracht van T aan verweerder blijft onduidelijk, omdat verweerder niets heeft
vastgelegd hierover. De e-mail die verweerder aanmerkt als ‘opdrachtbevestiging’ is
van na het overlijden van T, opgesteld door een derde en voldoet aan geen enkele van
de vereisten die aan een opdrachtbevestiging worden gesteld. Verweerder heeft T bovendien
op betalende basis bijgestaan, terwijl T (vanwege de rechterlijke machtiging) in aanmerking
kwam voor gefinancierde rechtsbijstand. Dat verweerder T hierop heeft gewezen, blijkt
niet.
6.3 Des te wranger is dat verweerder in zes en een halve maand tijd ruim € 53.0000,-
heeft gedeclareerd, terwijl niet blijkt, en bij gebreke van een opdrachtbevestiging
ook niet kan worden vastgesteld, welke werkzaamheden zijn verricht en of die noodzakelijk
of van enig nut waren. Gelet op het ontbreken van de opdrachtbevestiging en dat T
in beginsel in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand, acht de raad het
bedrag van ruim € 53.000,- in korte tijd voor grotendeels onduidelijke werkzaamheden
exorbitant en excessief.
6.4 Verweerder heeft op meerdere momenten en punten onzorgvuldig gehandeld. Er
is sprake van handelen in strijd met diverse gedragsregels en in strijd met de kernwaarden
deskundigheid en (financiële) integriteit. Verweerder heeft gesteld dat hij al meer
dan 50 jaar advocaat is en geen tuchtrechtelijk verleden heeft. De raad verwacht echter
juist dan dat verweerder bekend is met de relevante wet- en regelgeving. De raad rekent
het verweerder ernstig aan dat hij op deze wijze met een kwetsbare, hoogbejaarde man
is omgegaan die niet of onvoldoende in staat was zijn wil te bepalen. Dit en de geschonden
gedragsregels en kernwaarden acht de raad dusdanig ernstig dat de maatregel van schrapping
op zijn plaats is.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar
vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster
geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schrapping op;
- ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, D.M. de Knijff, H. Warendorp Torringa en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026