We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:137 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-017/DH/DH/D

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:137
Datum uitspraak: 15-06-2026
Datum publicatie: 17-06-2026
Zaaknummer(s): 26-017/DH/DH/D
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Dekenbezwaar tegen asielrechtadvocaat deels gegrond en deels ongegrond. Verweerder heeft geen/onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek door de deken, in strijd met gedragsregel 29. Verder heeft hij niet voldaan aan zijn verplichten om deel te nemen aan kwaliteitstoetsen. Bezwaar ongegrond waar het gaat over het verwijt dat verweerder zaken lijkt aan te nemen voor eigen financieel gewin, omdat de raad dit onvoldoende kan vaststellen. Het staat verweerder vrij om rechtsmiddelen in te stellen tegen afgewezen verblijfsaanvragen, ook als die procedure op zichzelf weinig kans op succes heeft, omdat verweerder daardoor procedureel rechtmatig verblijf kan genereren voor zijn cliënt. Raad ziet geen reden c.q. mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen. Voorwaardelijke schorsing van 12 weken met de bijzondere voorwaarde dat verweerder dient mee te werken aan onderzoeken van of namens de deken.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 15 juni 2026
in de zaak 26-017/DH/DH/D
naar aanleiding van het dekenbezwaar van:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
deken

over:

verweerder


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 8 januari 2026 heeft de deken het dekenbezwaar bij de raad ingediend. Gelijktijdig is een verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet gedaan.
1.2    Bij beslissing van 13 februari 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:34) heeft de raad het verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet gedeeltelijk toegewezen.
1.3    Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 4 mei 2026. Daarbij waren de deken, bijgestaan door haar stafjurist, en verweerder aanwezig.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het dekenbezwaar en het verweerschrift van 19 januari 2026.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Verweerder is advocaat in Den Haag. Hij behandelt (onder andere) zaken op het gebied van het familierecht en het vreemdelingenrecht.
2.3    In augustus 2024 heeft de deken een signaal ontvangen van de rechtbank Den Haag over de kennis en kwaliteit van verweerder in familierechtzaken. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op een specifiek dossier waarin verweerder een verzoek "voorlopige voorziening 821 jo 824 lid 2 sub. 223 Rv" heeft ingediend.
2.4    De deken heeft verweerder naar aanleiding van dit signaal uitgenodigd voor een gesprek op het Ordebureau op 17 september 2024. Verweerder had het betreffende dossier op dat moment enkel digitaal beschikbaar op zijn telefoon. De deken heeft verweerder daarom verzocht om het volledige dossier uiterlijk 20 september 2024 om 12:00 uur af te geven.
2.5    De volgende dag heeft verweerder daarop gereageerd dat hij de vordering van de deken om inzage in het dossier in beraad heeft genomen en niet direct heeft geweigerd, waarbij hij erop heeft gewezen dat privégegevens onder de AVG vallen. Vervolgens heeft hij aangegeven na beraad en om praktische redenen het betreffende verzoekschrift, het hogerberoepschrift en correspondentie met de rechtbank over aanhouding na de behandeling tot na een beschikking aan de deken toe te sturen. Dat heeft verweerder bij hetzelfde bericht gedaan.
2.6    De deken heeft daarop vastgesteld dat verweerder niet heeft voldaan aan het verzoek om het volledige dossier toe te sturen en heeft hem gewezen op gedragsregel 29. Daarbij heeft de deken verweerder verzocht om haar op de hoogte te houden van de voortgang in de procedures en de beslissing van het gerechtshof c.q. de rechtbank toe te sturen, waarbij zij het volledige dossier wenst in te zien. Ook heeft de deken verzocht om uiterlijk 13 november 2024 ontbrekende certificaten uit de CCV-opgave over 2023 ten aanzien van de behaalde 20 opleidingspunten, acht uur intervisie of acht uur gestructureerd intercollegiaal overleg en een peerreview-verslag aan te leveren.
2.7    Op 13 november 2024 heeft verweerder de certificaten opgestuurd aan de deken. Deelnamebewijzen aan de kwaliteitstoetsen zijn niet opgestuurd. De (waarnemend) deken heeft deze op 27 november 2024 opnieuw opgevraagd.
2.8    Op 5 januari 2025 heeft verweerder een toelichting aan de deken geschreven waarom hij meent dat hij voldoende uren aan intervisie heeft gevolgd. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat de vrije bewijsleer geldt voor de gevraagde bewijsstukken, dat de intervisienorm in de afgelopen jaren regelmatig is aangepast en dat er daarom geen sprake is van een nauwe interpretatie is van de norm, maar dat het nuttig effect (teleologie) redengevend moet zijn voor de ruime interpretatie. Verweerder heeft onder overlegging van drie deelnamecertificaten d.d. 20 januari 2023, 26 januari 2023 en 20 november 2023 aangevoerd dat tijdens die bijeenkomsten de minimaal acht punten voor intervisie zijn behaald. Dat de intervisiebijeenkomsten uit meer dan tien advocaten bestonden kan volgens verweerder geen grond zijn om de drie sessies niet als intervisie aan te merken, omdat volgens hem het betrekken van meer dan tien advocaten juist de onderlinge uitwisseling van ervaringen heeft bevorderd en verrijkt, waardoor het nuttig effect van intervisie is bevorderd.
2.9    De deken heeft daarnaast ook een signaal ontvangen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dat verweerder tientallen kansloze aanvragen zou indienen, waarbij beroep wordt gedaan op niet relevante arresten waar zijn cliënten op geen enkele wijze rechten aan zouden kunnen ontlenen. De IND heeft daarbij opgemerkt dat het vermoeden bestaat dat de aanvragen worden ingediend om procedureel rechtmatig verblijf te genereren en dat tot dusver geen enkele aanvraag is ingewilligd, maar verweerder wel stelselmatig rechtsmiddelen instelt. Elke zaak is volgens de IND voorzien van eenzelfde begeleidend schrijven wat niet is toegespitst op de specifieke zaak en gestelde psychische problematiek wordt niet onderbouwd. De IND heeft erop gewezen per ongeluk een factuur van verweerder aan een cliënt te hebben ontvangen, waaruit volgt dat € 9.000,- wordt gevraagd voor een procedure, wat de IND niet in verhouding acht met de kansloze aanvragen en zij geen zuivere praktijk acht.
2.10    Bij het signaal is de genoemde ‘factuur’ (zijnde een overeenkomst van dienstverlening) bijgevoegd. Daarin is opgenomen dat de opdrachtgever afstand doet van gefinancierde rechtsbijstand en akkoord gaat met de totale kosten van € 9.000,- voor een verblijfsprocedure gedurende circa twee jaar. Ook staat daarin:
“(…) Ondergetekende verklaart zich bewust te zijn dat de nieuw op te starten verblijfsprocedure in Nederland (nog) geen grote kans van slagen heeft op verlening van een verblijfsvergunning nu een mvv ontbreekt en er zeer strenge afhankelijkheids- (en gezins)eisen gelden en voorts dat (…)”
2.11    Op 22 april 2025 heeft de deken verweerder naar aanleiding van het IND-signaal opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op het Ordebureau. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 9 mei 2025. De deken heeft dit gesprek als onprettig en dreigend ervaren. Tijdens dit gesprek heeft verweerder toegelicht dat de IND het naar zijn mening onjuist heeft. Het zou niet gaan om zaken waarin een beroep wordt gedaan op het Chavez-Vilchez-arrest, maar om een beroep op het K.A.-arrest. Verweerder heeft betwist dat de zaken kansloos zijn, laat staan dat zij niet onderbouwd zouden zijn.
2.12    Op 13 mei 2025 heeft de deken verweerder verzocht uiterlijk 23 mei 2025 de certificaten ten aanzien van de opleidingspunten en deelnamebewijzen aan intervisie en/of GIO over de jaren 2023 en 2024 aan te leveren. Ook heeft zij medegedeeld dat op korte termijn een kantoorbezoek zal plaatsvinden waarbij de dossiers waarop het IND-signaal betrekking heeft zullen worden bekeken. Afsluitend heeft de deken aangegeven niet gediend te zijn van de wijze waarop verweerder zich jegens haar heeft opgesteld tijdens het gesprek van 9 mei 2025.
2.13    Op 23 mei 2025 heeft verweerder een overzicht gestuurd van de door hem behaalde opleidingspunten in 2023 en 2024 en zijn toelichting van 5 januari 2025 herhaald.
2.14    Op 6 juni 2025 is namens de deken aan verweerder medegedeeld dat op korte termijn een kantoorbezoek zal plaatsvinden, samen met een lid van de Raad van de Orde en een stafjurist.
2.15    Op 16 december 2025 heeft de deken, samen met een stafjurist en een lid van de Raad van de Orde een kantoorbezoek verricht bij verweerder. Tijdens dit bezoek heeft verweerder de deken de toegang tot zijn computer, waarop de dossiers zich bevonden, geweigerd.
Na het kantoorbezoek heeft de deken diezelfde dag aan verweerder geschreven het gesprek als zeer onaangenaam te hebben ervaren en de wijze waarop hij meent te mogen praten tegen de stafjurist, het lid van de Raad van de Orde en haarzelf onaanvaardbaar te achten. Ook heeft de deken een uitspraak opgevraagd waarover het signaal van de rechtbank ging. Over de inzage in de dossiers heeft de deken geschreven: 
“(…) Tijdens het bezoek aan uw kantoor leek u niet te weten dat het doel van het bezoek aan uw kantoor was om dossiers in te zien. Dit terwijl ik u in mijn e-mail d.d. 13 mei jl. duidelijk te kennen gegeven dat ik tijdens het bezoek aan uw kantoor de dossiers waar het herhaalde signaal van de IND betrekking op had zou inzien. U was echter niet bereid mij inzage te geven in uw digitale dossiers (u beschikt niet over papieren dossiers). Dit terwijl ik u er tijdens het bezoek aan uw kantoor op heb gewezen dat ik het recht heb om inzage in uw dossiers te verlangen (ogv de Awb). U twijfelt aan mijn bevoegdheid daartoe vanwege een EU-verordening. Ik heb u daarom nogmaals voorgehouden dat ik wel degelijk de bevoegdheid heb om uw dossiers in te zien. U hebt mij niet toegestaan om de dossiers op uw computer in te zien. U gaf wel aan bereid te zijn stukken toe te sturen. Ik heb u echter te kennen gegeven dat ik zelf de dossiers wil selecteren die ik wil inzien op uw kantoor, hetgeen ook de reden is geweest om u een bezoek te brengen. Omdat u hebt geweigerd mij toegang te verschaffen tot uw dossiers heb ik het bezoek aan uw kantoor beëindigd en u te kennen gegeven dat ik een dekenbezwaar en schorsingsverzoek tegen u zal indienen bij de Raad van Discipline. (…).”
2.16    De deken heeft de opgevraagde uitspraak en e-mail niet van verweerder ontvangen. Nadien is het de deken gebleken dat dit ging om het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:2273), waarin het gerechtshof aan een verzoek van verweerder voorbij is gegaan omdat hij niet heeft geconcretiseerd op welke Unierechtelijke of verdragsrechtelijke bepalingen hij een beroep doet en waarom voorbijgegaan moest worden aan het nationale procesrecht.
2.17    De deken heeft verder in september tot en met december 2025 diverse klachten ontvangen over verweerder van (voormalige) cliënten:
In september 2025 heeft een cliënte van verweerder telefonisch contact gezocht met het Ordebureau. In dit telefoongesprek heeft de cliënte toegelicht dat zij documenten moest ondertekenen en verweerder € 11.000,- moest betalen zonder echt te weten waarvoor dit was. Ook zou verweerder tegen haar hebben geschreeuwd en haar hebben beledigd, en was hij niet bereikbaar. De stafjurist heeft de cliënte verwezen naar het klachtenformulier. Er is uiteindelijk geen klacht ingediend.
Op 18 november 2025 heeft een andere cliënte van verweerder een klacht ingediend omdat verweerder volgens haar nieuwe advocaat geen goed advies heeft gegeven en juridische argumenten heeft aangevoerd die niet kloppen. De cliënte heeft daarbij opgemerkt € 3.500,- te hebben geleend om verweerder te kunnen betalen en dat zij niet zou zijn voorgelicht dat zij in aanmerking kwam voor een toevoeging. De klacht is op 18 december 2025 ingetrokken.
Op 19 december 2025 heeft een derde cliënt bij de deken een klacht ingediend over verweerder, omdat verweerder volgens de cliënte een inhoudelijk onbruikbare verblijfsaanvraag zou hebben ingediend en niet transparant is geweest in zijn urendeclaraties.
2.18    In de periode van april 2025 tot en met december 2025 hebben diverse vreemdelingenrechters geoordeeld dat verweerder zijn beroepsgronden (grotendeels) niet of nauwelijks heeft geconcretiseerd, waarna deze zijn verworpen. 
2.19    In het verleden is eerder, in 2014, een dekenbezwaar en een verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet tegen verweerder ingediend. Het artikel 60b-verzoek is destijds door de deken ingetrokken. Het dekenbezwaar heeft geleid tot de oplegging van de maatregel van berisping (RvD Den Haag 13 april 2015, ECLI:NL:TADRSGR:2015:112), onder meer omdat verweerder onnodig lang heeft gewacht met het verstrekken van door de deken gevraagde informatie.

3    DEKENBEZWAAR
3.1    De deken stelt zich op het standpunt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 29, een of meer kernwaarden en de artikelen 4.3a en 4.3b van de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda). Daaraan legt de deken het volgende ten grondslag:
a)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 29, door de deken geen toegang te verstrekken tot zijn digitale dossiers. Doordat verweerder allerlei bezwaren opwerpt over de bevoegdheid van de deken en haar de toegang tot zijn dossiers weigert, kan de deken haar taak als bedoeld in artikel 45a lid 1 van de Advocatenwet niet uitoefenen. Verweerder frustreert daarmee de onderzoeks- en toezichthoudende taken van de deken op ernstige wijze. Hierdoor dreigen verweerders (voormalige) cliënten ernstig in hun (financiële en processuele) belangen te worden geschaad, althans kan niet worden bezien wat er in het belang van deze cliënten noodzakelijk is.
b)    Op basis van de klachten, het signaal van de IND en verschillende rechterlijke uitspraken ontstaat het beeld van een advocaat die zijn eigen belang extreem laat prevaleren boven dat van zijn cliënt. Verweerder lijkt enkel zaken aan te nemen voor eigen financieel gewin, terwijl het lijkt te gaan om kansloze procedures.
c)    Verweerder heeft in 2023 en 2024 niet voldaan aan de verplichting om deel te nemen aan kwaliteitstoetsen, als bedoeld in de artikelen 4.3a en 4.3b van de Voda. De bijeenkomsten die verweerder wenst op te voeren als deelname voldoen niet aan de vereisten, terwijl hij in zijn CCV-opgave wel heeft ingevuld te hebben voldaan aan zijn verplichtingen.
3.2    Ter zitting heeft de deken subsidiair verzocht om, mochten de klachtonderdelen niet tot een gegrondverklaring leiden, de Rotterdamse deken een nader kantooronderzoek te laten verrichten als vooronderzoeker op grond van artikel 46l van de Advocatenwet.

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft het volgende verweer gevoerd.
4.2    Verweerder acht het dekenbezwaar feitelijk onjuist, onnodig grievend en ten onrechte incriminerend. Hij betwist dat hij geen medewerking verleent aan het dekenonderzoek. Op grond van artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient sprake te zijn van een schriftelijke vordering door de deken, wat niet het geval was. Het gedragsrecht (via gedragsregel 29) kan deze wet in formele zin niet passeren. Ook volgt daaruit volgens verweerder verder geen verplichting om de deken toegang te verschaffen tot een kantoorcomputer waarop verweerder naast dossiers ook privéfoto’s heeft opgeslagen. De deken had een minder verstrekkend verzoek kunnen doen, zoals afgifte van alle gevraagde dossierstukken op een gegevensdrager zoals dat via artikel 5:17 van de Awb mogelijk is of verweerder vragen om een specifiek dossier te laten zien. Ook had de deken niet laten weten door wie zij vergezeld zou worden tijdens het kantoorbezoek, waarbij verweerder verzoekt om het betreffende lid van de Raad van de Orde op te roepen als getuige.
4.3    Verweerder wijst erop dat niet de deken, maar de Staat (de IND en de Raad van State) de werkelijke wederpartij en directe instigator is van het dekenbezwaar en de gepretendeerde klachten die over hem zijn ingediend bij de deken. Verweerder verzoekt in dat verband de voorzitter van de vreemdelingenkamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op te roepen als getuige. De procedures zijn volgens verweerder geen kansloze procedures; verweerder dient daarmee de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënten. Hij wijst erop dat de vreemdelingenrechters zijn beroepschriften niet kennelijk ongegrond hebben verklaard of hebben geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht. Ook wijst hij erop dat ongegrond verklaarde beroepen kunnen worden teruggedraaid als er een doorbraak volgt bij het Hof van Justitie. 
4.4    Verweerder betwist dat hij zich met dreigende taal heeft uitgelaten richting de deken. Wel was sprake van ongenoegen als gevolg van het uitgenodigd worden en vervolgens mondeling afgekapt worden. Verweerder wilde vernemen welke personen namens de Raad zijn kantoor zouden bezoeken. Hij wijst erop dat zijn uurtarief in 2015 al redelijk is bevonden door de toenmalige deken en dat deze concludeerde dat verweerder zijn dossiers correct behandelde. Verweerder verzoekt de toenmalige deken mr. [X] als getuige op te roepen om hierover te worden gehoord. 
4.5    Verweerder heeft verder toegelicht waarom hij zou hebben voldaan aan de doelstellingen van intervisie en meent dat de deken hem ook geen mogelijkheid heeft geboden om certificaten alsnog op de door de deken gewenste wijze te behalen. Het dekenbezwaar moet op dit onderdeel niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook dient de deken niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek om de Rotterdamse deken als vooronderzoeker aan te wijzen, omdat zij dit verzoek pas voor het eerst ter zitting en daarmee te laat heeft gedaan.
4.6    Volgens verweerder dient als prejudiciële vraag gesteld te worden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of het gegrond verklaren van het dekenbezwaar een ongerechtvaardigde inbreuk behelst op de rechten van een advocaat zoals beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol, artikelen 7 en 17 van het Handvest, artikel 6 van het EVRM en artikel 8 van het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van het advocatenberoep (hierna: het Advocatenverdrag), in het licht van de Staat als informele belanghebbende bij de verzochte maatregelen. Verweerder wijst in dat verband ook op het Remling-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5    BEOORDELING
Ontvankelijkheid
5.1    De raad ziet geen aanleiding om de deken niet-ontvankelijk te verklaren in klachtonderdeel c), zoals door verweerder wordt bepleit omdat hem niet de mogelijkheid is geboden om zijn intervisiepunten in te halen. Aan alle ontvankelijkheidseisen is voldaan. Dat verweerder het klachtonderdeel onterecht vindt, is iets wat bij de inhoudelijke beoordeling van klachtonderdeel c) aan de orde komt. 
5.2    Ook ziet de raad geen aanleiding om de deken niet-ontvankelijk te verklaren in haar subsidiaire verzoek om de Rotterdamse deken als vooronderzoeker aan te wijzen. De deken kan dat verzoek doen binnen een procedure. Het is aan de raad om dat verzoek toe- of af te wijzen.
5.3    De raad gaat hierna dan ook over tot de inhoudelijke beoordeling van het dekenbezwaar.
Toetsingskader
5.4    Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. De deken vertegenwoordigt met het dekenbezwaar een algemener belang, waaronder het belang van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur. Voor de beoordeling van het dekenbezwaar wordt bij deze maatstaf aansluiting gezocht.
5.5    Gedragsregel 29 luidt: 
Bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, is de betrokken advocaat verplicht alle gevraagde inlichtingen aanstonds aan de deken te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen.
5.6    Artikel 4.3a van de Voda luidt:
1. Een advocaat is verplicht ieder kalenderjaar, en voor het eerst het kalenderjaar volgend op de onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau, deel te nemen aan kwaliteitstoetsen door:
a. intervisie ofwel onder begeleiding van een gespreksleider ofwel als gespreksleider die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag; of
b. (…)
2. De algemene raad stelt nadere regels over:
a. de vereisten aan intervisie en peer review; en
b. (…)
5.7    Artikel 13a, lid 1 en onder a, van de Regeling op de advocatuur (hierna: Roda) luidt:
1.    Intervisie als bedoeld in artikel 4.3a, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening voldoet aan de volgende vereisten:
a.    intervisie vindt plaats in een groep van ten minste drie en ten hoogste tien advocaten;
b.    (…)
c.    De advocaten brengen ieder in één of meer dilemma’s of vragen over het eigen functioneren, de praktijkvoering of de praktijkuitoefening in (…)
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdeel a)
5.8    De deken heeft naar aanleiding van de signalen die zij heeft ontvangen over de kwaliteit van verweerders dienstverlening onderzoek willen doen naar de dossiers van verweerder. De opgevraagde dossiers heeft verweerder niet (volledig) aan de deken verschaft. Ook heeft hij haar de toegang tot zijn digitale dossiers geweigerd. Verweerder dient op eerste verzoek mee te werken aan informatieverzoeken van de deken. Door hieraan niet mee te werken, heeft verweerder in strijd gehandeld met gedragsregel 29. 
5.9    Verweerder heeft formele bezwaren opgeworpen waarom hij geen medewerking zou hoeven verlenen aan het onderzoek van de deken. Zo zou volgens hem niet zijn voldaan aan de vereisten uit hoofdstuk 5 van de Awb. Verweerder miskent daarmee dat de deken hem om informatie heeft verzocht op grond van een andere grondslag dan als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Awb, namelijk via gedragsregel 29. De omstandigheid dat verweerder privéfoto’s heeft staan op zijn zakelijke computer, vormt ook geen omstandigheid waarom hij geen opvolging hoeft te geven aan gedragsregel 29. Als verweerder deze privéfoto’s afgeschermd wil houden, dan moet hij deze niet op zijn zakelijke computer bewaren. De omstandigheid dat het lid van de Raad van de Orde die meekwam bij het kantoorbezoek niet met naam en toenaam is aangekondigd, waar verweerder grote bezwaren over heeft geuit, vormt evenmin een gerechtvaardigde reden om niet mee te werken aan het onderzoek van de deken. Dit vormt ook geen aanleiding om mr. [Y] als getuige te horen. De deken heeft verder voldoende toegelicht dat zij haar toezicht niet op minder verstrekkende wijze kan uitoefenen zoals door verweerder is gesuggereerd, omdat het voor haar ook noodzakelijk is om toezicht te houden op dossiers waarover geen signaal is ontvangen. Zij dient een volledig beeld te krijgen van de praktijkvoering van verweerder en te voorkomen dat sprake is van tunnelvisie.
5.10    Klachtonderdeel a) is gegrond.
Klachtonderdeel b)
5.11    Verweerder wordt verder verweten zijn eigen (financiële) belang extreem te laten prevaleren boven het belang van zijn cliënten, doordat hij kansloze procedures start. De deken heeft ter zitting bevestigd dat dit klachtonderdeel alleen ziet op de vreemdelingenrechtelijke uitspraken waarop zij heeft gewezen (zie voetnoot 1 bij deze beslissing) en de klachten die daarover van cliënten zijn ontvangen.
5.12    Wat betreft de uitspraken van de vreemdelingenrechters overweegt de raad als volgt. Verweerder dient zich als advocaat slechts te laten leiden door de (gerechtvaardigde) belangen van zijn cliënten, mede gelet op de kernwaarde partijdigheid en gedragsregel 2 lid 2. In dat verband komt aan hem een ruime vrijheid toe om te bepalen hoe hij deze belangen wil behartigen. Met het voeren van procedures, kan verweerder procedureel rechtmatig verblijf genereren voor zijn cliënten. Het signaal van de IND bevestigt dit ook. Daarmee is sprake van een gerechtvaardigd belang voor zijn cliënten. Het staat verweerder dan ook vrij om – in overleg met de cliënt – rechtsmiddelen in te stellen tegen afgewezen verblijfsaanvragen, ook als die procedure op zichzelf weinig kans op succes heeft. Verweerder dient daarmee namelijk de achterliggende belangen van zijn cliënt. Omdat de raad op basis van het voorgaande niet, laat staan met voldoende zekerheid, kan vaststellen dat verweerder enkel procedures start voor eigen financieel gewin, is het klachtonderdeel in zoverre ongegrond. 
5.13    Datzelfde geldt voor de klachten die de deken over verweerder heeft ontvangen. De onderliggende klachtdossiers zijn niet opgenomen in het dekenbezwaar, zodat de raad niet kan beoordelen of de klachten van deze cliënten al dan niet terecht zijn. Ook hieruit kan dus niet worden opgemaakt dat verweerder zijn eigen belang extreem zou laten prevaleren. Ook in zoverre is de klacht dus ongegrond.
5.14    De raad betrekt hierbij wel dat het verweerder kan worden aangerekend dat hij geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de deken, zoals hiervoor bij klachtonderdeel a) is geoordeeld. De deken is daarmee de mogelijkheid ontnomen om de verwijten nader met stukken te onderbouwen. Ter zitting heeft de deken daarom verzocht om, mochten de klachten niet gegrond worden verklaard, de Rotterdamse deken een nader kantoorbezoek uit te laten voeren als vooronderzoeker op grond van artikel 46l van de Advocatenwet. Verweerder heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De raad ziet geen aanleiding om dit verzoek te honoreren. De deken heeft de keuze gemaakt om klachtonderdeel b) gelijktijdig met klachtonderdeel a) in één dekenbezwaar naar voren te brengen, in plaats van bijvoorbeeld het oordeel omtrent onderdeel a af te wachten en daarna alsnog onderzoek te verrichten naar het verwijt van onderdeel b. Dat het dekenbezwaar op dit punt onvoldoende is onderbouwd, komt dan ook voor haar risico (vergelijk RvD ’s Hertogenbosch 26 januari 2026, ECLI:NL:TADRSHE:2026:10, onder 5.30).
5.15    Klachtonderdeel b) is ongegrond. Omdat dit klachtonderdeel ongegrond is, ziet de raad geen aanleiding om mr. [X] of mr. [Z] als getuige te horen.
Klachtonderdeel c)
5.16    Een advocaat is gehouden om jaarlijks deel te nemen aan kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel 4.3a van de Voda (intervisie of peer review) of artikel 4.3b van de Voda (gestructureerd intercollegiaal overleg). Verweerder heeft gekozen voor het deelnemen aan intervisiebijeenkomsten. Op grond van artikel 4.3a lid 2 van de Voda kan de algemene raad nadere regels stellen waaraan een intervisiebijeenkomst moet voldoen. Dat is gebeurd in artikel 13a van de Roda. Daarin is bepaald dat een intervisiegroep uit maximaal tien advocaten mag bestaan. Niet in geschil is dat de intervisiebijeenkomsten waaraan verweerder heeft deelgenomen uit méér dan tien advocaten bestonden. Deze bijeenkomsten kunnen dan ook niet worden meegerekend. Verweerder heeft dan ook niet voldaan aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 4.3a dan wel 4.3b van de Voda. Dat levert tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Anders dan verweerder betoogt, was de deken op grond van de Voda niet verplicht om aan verweerder een herstelmogelijkheid te bieden. Het is aan verweerder zelf om ervoor te zorgen dat hij voldoet aan zijn advocatuurlijke verplichtingen. Klachtonderdeel c) is gegrond.
Verzoek om prejudiciële vragen
5.17    Verweerder heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De raad ziet daartoe geen aanleiding, omdat onderhavige procedure ziet op een zuiver nationaalrechtelijke procedure. Van enige in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde onderwerpen is geen sprake. De vragen die verweerder wenst te laten stellen, zijn dan ook niet relevant in de zin van het Remling-arrest (HvJ EU 24 maart 2026, C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35). 
5.18    Voor zover verweerder ook bedoeld heeft dat er prejudiciële vragen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gesteld dienen te worden ten aanzien van artikel 8 van het EVRM, artikel 1 van het Eerste Protocol en artikel 8 van het Advocatenverdrag, geldt dat de raad niet is aangemerkt als een van de ‘highest courts and tribunals of a High Contracting Party’ als bedoeld in artikel 1 van het Zestiende Protocol bij het EVRM. Die bevoegdheid komt dan ook niet toe aan de raad (zie ook RvD ’s-Hertogenbosch 3 november 2025, ECLI:NL:TADRSHE:2025:153, onder 6.3).
Conclusie
5.19    De raad zal klachtonderdelen a) en c gegrond verklaren. Klachtonderdeel b) is ongegrond.

6    MAATREGEL
6.1    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 29, door het de deken onmogelijk te maken om te onderzoeken of hij zijn praktijk op een behoorlijke wijze uitvoert. Uit verweerders houding in zowel deze procedure als de procedure over het artikel 60b-verzoek is het de raad duidelijk geworden dat verweerder geenszins van plan is om (blijvend) medewerking te verlenen aan het onderzoek van de deken. Zo heeft hij de positie van de deken als toezichthouder op de advocatuur in twijfel getrokken, omdat zij zou worden aangestuurd door de Staat. Verweerder heeft daarbij het voorbeeld gegeven dat hij twee dagen na de mondelinge behandeling van het artikel 60b-verzoek 34 besluiten ontvangen heeft van de IND. Dit zou er volgens hem op duiden dat de deken dit met de IND heeft afgestemd. Verweerder miskent hiermee dat de deken een onafhankelijke toezichthouder is en dat zij signalen die zij ontvangt dient te onderzoeken, wat er toe kan leiden dat zij concludeert dat die signalen onjuist zijn. Verweerder lijkt achter het dekenonderzoek enkel samenzweringen te zien, wat getuigt van een gebrek aan realiteitszin. Dit baart de raad zorgen. Ook weegt de raad mee dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn advocatuurlijke verplichtingen op grond van de Voda en ook daarbij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn tekortkomingen. In positieve zin betrekt de raad dat verweerder recent wél opvolging heeft gegeven aan een informatieverzoek naar aanleiding van een nieuw signaal van de rechtbank Amsterdam. Door zijn verdere houding in de procedure beschouwt de raad dit echter niet als een teken dat verweerder zijn fouten heeft ingezien. Zo is verweerder ook al ruim tien jaar eerder berispt omdat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan verzoeken van de (toenmalige) deken. Dit geeft blijk van een hardleerse houding en onvoldoende respect voor het ambt van de deken als onafhankelijk toezichthouder. De raad acht het daarom nodig om aan verweerder de maatregel van schorsing op te leggen. Deze schorsing zal van langere duur, maar geheel voorwaardelijk zijn als stok achter de deur voor verweerder om in het vervolg wél medewerking te verlenen aan het onderzoek van de deken. De raad acht een voorwaardelijke schorsing van twaalf weken passend en geboden. De raad zal daaraan – in aanvulling op de algemene voorwaarde – de volgende bijzondere voorwaarde verbinden:
-    Verweerder dient mee te werken aan onderzoeken van of namens de deken. Daarbij verleent hij telkens op eerste verzoek van of namens de deken zijn medewerking, binnen de door of namens de deken gestelde termijnen.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 
7.2    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdelen a) en c) gegrond;
-    verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van twaalf weken op;
-    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
-     stelt als bijzondere voorwaarde: Verweerder dient mee te werken aan onderzoeken van of namens de deken. Daarbij verleent hij telkens op eerste verzoek van of namens de deken zijn medewerking, binnen de door of namens de deken gestelde termijnen.
-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
-     stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.2;
-        bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.

Aldus beslist door O.P. van Tricht, voorzitter, D.G.M. van den Hoogen, M.M. van Wijk, W.R. Arema en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 15 juni 2026