We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:136 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-878/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:136
Datum uitspraak: 15-06-2026
Datum publicatie: 17-06-2026
Zaaknummer(s): 25-878/DH/RO
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijk geschil. Verweerster heeft met haar eerste brief aan klager polariserend gehandeld en gezorgd voor (onnodige) escalatie. Verweerster heeft klager ook niet geïnformeerd over de zitting en heeft de conceptdagvaarding niet/te laat aan klager gestuurd. Klachten gegrond. Klacht over lasterlijke uitlatingen niet onderbouwd en daarom ongegrond. Ondanks dat verweerster al geschrapt is, ziet de raad aanleiding een berisping op te leggen.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 15 juni 2026
in de zaak 25-878/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 9 oktober 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 18 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/109 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 4 mei 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 27. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 15 januari 2026 en 22 januari 2026 en van verweerster van 22 januari 2025.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager heeft twee kinderen met zijn ex-partner (hierna: de moeder). De moeder woont in [plaats].
2.3    Uit een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 23 maart 2022 volgt dat de kinderen op dat moment al ongeveer twee jaar bij klager wonen en in zijn woonplaats naar school gaan, daar hun sociale leven hebben en ook de hulp die zij krijgen aldaar is gevestigd. De gecertificeerde instelling heeft geadviseerd dat het in het belang van de kinderen is dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij klager houden, mede gelet op de binding met de woonplaats. Het gerechtshof heeft vervolgens bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij klager houden, om de rust en stabiliteit niet te doorbreken. Het gerechtshof heeft het gezamenlijke gezag in stand gelaten. 
2.4    Op enig moment daarna heeft de moeder het hoofdverblijf van de kinderen eenzijdig en zonder rechterlijke titel naar zich toegetrokken. De kinderen blijven ingeschreven op een school in de woonplaats van klager, waardoor zij dagelijks lange treinreizen naar school dienden te maken en er leerplichtverzuim optrad. 
2.5    In oktober 2025 is verweerster de moeder gaan bijstaan. Op 2 oktober 2025 heeft zij aan klager geschreven:
“Ik ben door [de ex-partner] aangezocht om mijn collega [voorgaande advocaat] op te willen volgen in de kwestie terzake van uw weigering mee te werken aan inschrijving van uw beide dochters bij een school te [plaats].
Mijn collega is al meer dan uitgebreid op de zaak ingegaan, u liet echter weten wel toestemming te willen geven maar dan op uw voorwaarden, zoals onder meer eerst een betere omgangs- c.q. zorgregeling.
Ik begrijp u heel goed natuurlijk, echter het hebben van ouderlijk gezag is niet bedoeld als onderhandelingspunt voor verkrijging van andere regelingen die er los van staan. Het hebben van gezag is bedoeld om in het belang van de kinderen te handelen en dat laatste lijkt u aan voorbij te gaan.
Ik verzoek u deswege zeer dringend mij binnen uiterlijk acht dagen te willen berichten of u alsnog bereid bent mee te werken, bij gebreke waarvan ik namens cliënte plaatsvervangende toestemming aan de kantonrechter zal moeten gaan verzoeken omdat uw kinderen niet door kunnen gaan met dagelijks uren reizen, waarbij ik er u in uw eigen belang ook op wijs dat u het gezag kan verliezen indien er meer dan eens plaatsvervangende toestemming gevraagd moet worden aan de rechter.. (…)”
2.6    Op 3 oktober 2025 heeft klager op de e-mail gereageerd. Verweerster heeft op 6 oktober 2025 gereageerd niet anders te kunnen dan de rechter om plaatsvervangende toestemming te verzoeken en dat zij dat diezelfde week nog gaat doen. Klager heeft daarop in twee e mailberichten van dezelfde dag kenbaar gemaakt dat hij tot 5 januari 2026 vanwege persoonlijke omstandigheden verhinderd is.
2.7    Op 21 oktober 2025 heeft verweerster de rechtbank verzocht om een datumbepaling voor een kortgedingzitting. De rechtbank heeft vervolgens diezelfde dag 5 november 2025 als zittingsdatum bepaald. Daarbij is aan verweerster medegedeeld dat zij uiterlijk binnen twee werkdagen de zittingsdatum en een concept-dagvaarding aan de gedaagde partij dient toe te sturen.
2.8    Op 28 oktober 2025 heeft klager een bericht van de Raad voor de Kinderbescherming ontvangen over de aanwezigheid op een zitting bij de voorzieningenrechter van 5 november 2025. Klager was niet op de hoogte van die zitting. Klager heeft vervolgens contact opgenomen met de rechtbank. De rechtbank heeft de zitting van 5 november 2025 vervolgens niet laten doorgaan, omdat er geen dagvaarding aan klager is betekend. Er is vervolgens een nieuwe zitting op 3 december 2025 bepaald. Op 6 november 2025 heeft verweerster klager geïnformeerd over deze nieuwe zittingsdatum en medegedeeld dat zij ‘komende week de dagvaarding uit [zal] laten gaan’. 
2.9    Verweerster heeft de dagvaarding op 21 november 2025 laten betekenen aan klager.
2.10    Bij beslissing van 10 april 2026 (ECLI:NL:TAHVD:2026:107) is aan verweerster de (onherroepelijke) maatregel van schrapping opgelegd.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.
a)    Verweerster heeft klager erg dwingend en bedreigend aangeschreven in haar brief van 2 oktober 2025.
b)    Verweerster heeft klager niet geïnformeerd over de zitting van 5 november 2025 en heeft de dagvaarding niet aan hem betekend.
c)    Verweerster heeft smadelijke, lasterlijke, indoctrinerende en onrechtmatige uitspraken gedaan over klager en heeft onrechtmatige handelingen verricht.
3.2    Ter zitting heeft klager nieuwe klachtonderdelen naar voren gebracht. Op grond van artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet moeten nieuwe klachtonderdelen bij de deken worden ingediend. De raad neemt de nieuwe klachtonderdelen daarom niet mee in deze procedure.

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
5.3    De raad is van oordeel dat verweerster met haar eerste brief aan klager, van 2 oktober 2025, polariserend heeft gehandeld en voor (onnodige) escalatie heeft gezorgd door direct een procedure aan te kondigen als klager niet akkoord zou gaan met wijzigen van de school van de kinderen. Datzelfde geldt voor de passage waarin zij insinueert dat klager niet in het belang van de kinderen handelt en dat hij daardoor mogelijk het ouderlijk gezag kan verliezen. Verweerster had hierom, zeker in haar eerste brief aan klager, op een andere en minder scherpe wijze kunnen en moeten verzoeken. Klachtonderdeel a) is gegrond.
Klachtonderdeel b)
5.4    Verweerster is door de rechtbank opgedragen om uiterlijk binnen twee werkdagen aan klager een conceptdagvaarding toe te sturen en hem te informeren over de datumbepaling. De raad kan niet vaststellen dat verweerster hieraan heeft voldaan. Zo raakte klager pas na de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 oktober 2025 op de hoogte van de zitting van 5 november 2025. De zitting is vervolgens uitgesteld tot 3 december 2025. Die nieuwe zittingsdatum is op 5 november 2025 aan verweerster medegedeeld. De raad stelt vast dat verweerster ook toen pas na ruim twee weken is overgegaan tot het laten betekenen van de dagvaarding, ondanks haar toezegging dat diezelfde week van 5 november 2025 nog te doen. Niet gebleken is dat zij klager daarvoor al een conceptdagvaarding heeft toegezonden. De raad is van oordeel dat verweerster klager hiermee op onnodige en onevenredige wijze in zijn (verdedigings)belangen heeft geschaad. Klachtonderdeel b) is gegrond.
Klachtonderdeel c)
5.5    Verweerster wordt ten slotte verweten zich smadelijk, lasterlijk, indoctrinerend en onrechtmatig te hebben uitgelaten over klager en dat zij onrechtmatige handelingen heeft verricht. Klager heeft dit klachtonderdeel niet nader geconcretiseerd en ook niet voorzien van een feitelijke onderbouwing. Voor zover klager met dit klachtonderdeel heeft gedoeld op de inhoud van de kortgedingdagvaarding, bevindt die dagvaarding zich niet in het dossier. De raad kan dan ook niet vaststellen of verweerster op dit punt klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel c) is daarom ongegrond.
    
6    MAATREGEL
6.1    Verweerster heeft polariserend en escalerend gehandeld door direct in haar eerste brief aan klager te dreigen met een procedure, waarbij zij ook (te) scherpe bewoordingen heeft gebruikt door te stellen dat klager niet in het belang van zijn kinderen handelt en mogelijk zijn gezag zou kunnen verliezen. Nadat verweerster is overgegaan tot het starten van een procedure, heeft zij klager ook in zijn belangen geschaad door hem niet tijdig te informeren over de zittingsdatum en de inhoud van de dagvaarding.
6.2    De raad weegt het bepalen van de op te leggen maatregel mee dat verweerster een uitgebreid tuchtrechtelijk verleden heeft. Hoewel verweerster inmiddels geen advocaat meer is sinds zij onherroepelijk door de tuchtrechter is geschrapt, vormt dit voor de raad geen reden om af te zien van het opleggen van een maatregel. Gelet op de ernst van het verwijtbare handelen zal de raad een berisping opleggen. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat. 
7.3    Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 
7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel c) ongegrond;
-    legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3; 
-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.


Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, M.M. van Wijk, W.R. Arema en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 15 juni 2026