We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:132 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-238/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:132
Datum uitspraak: 28-04-2026
Datum publicatie: 05-06-2026
Zaaknummer(s): 25-238/DH/DH
Onderwerp:
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet ongegrond

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 28 april 2026 in de zaak 25-238/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 4 juni 2025 op de klacht van:

1.    […]
2.    […]
klagers

over:

verweerder
gemachtigde: mr. M.L. Batting


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 14 augustus 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 9 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K164 2024 van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 4 juni 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter):
-    de klachtonderdelen I, II, III, V en X deels niet-ontvankelijk verklaard (ingevolge artikel 46g lid 1, aanhef en onder a Advocatenwet) en voor het overige kennelijk ongegrond;
-    de klachtonderdelen IV, VII, VII en IX kennelijk ongegrond verklaard;
-    klachtonderdeel VI niet-ontvankelijk verklaard.
De beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen. 
1.4    Op 4 juli 2025 hebben klagers verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 
1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Daarbij waren klager 1 en de gemachtigde van verweerder aanwezig. Klager 1 heeft tijdens deze zitting de raad, bestaande uit mr. S. Wierink, voorzitter, en mrs. H. Warendorp Torringa en M.M. van Wijk, leden, gewraakt. 
1.6    Bij beslissing van 12 januari 2026 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en bepaald dat de behandeling van de klachtzaak zal worden hervat in de stand waarin het zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek werd ingediend.
1.7    De behandeling van het verzet is voortgezet op de zitting van de raad van 16 maart 2026, in een gewijzigde samenstellen, te weten: mr. S. Wierink, voorzitter, en mrs. W.R. Arema en F.G.L. van Ardenne, leden. Bij de zitting waren klager 1 en de gemachtigde van verweerder aanwezig.
1.8    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mails met bijlage(n) van klager 1 van 25 november 2025 en 11 maart 2026. 

2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klagers zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kunnen verenigen. Klagers stellen zich op het standpunt dat sprake is van gebrekkige of afwezige motivering, de schijn van partijdigheid en de onjuiste uitleg van artikel 46g Advocatenwet. Klachten zijn op onjuiste wijze geherformuleerd. Klagers noemen als kernverwijt in deze tuchtprocedure: het verbergen van de pedonetcomplottheorie over de “pedofiele ouder” die onder justitieambtenaren ontstond en aantoonbaar samenhangt met de bekende complottheorie de “Demmink Doofpot”. Verweerder verborg daarmee de drijvende kracht achter meer dan tien jaar procedures en 150 uitspraken over klagers. Klagers vinden dat verwijtbaar.
2.2    De gronden van het verzet houden, allereerst, in:
A)    Ten onrechte gaat de voorzitter voorbij aan de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit. Hij miskent de wezenlijke klacht dat verweerder, als landsadvocaat, bij uitstek gehouden is tot onafhankelijke en integere procesvoering, ook ten opzichte van zijn eigen opdrachtgever de Staat als ‘partijdig belangenbehartiger’. 
B)    De voorzittersbeslissing is genomen in strijd met de fundamentele waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid en schendt artikel 6 EVRM doordat het dekenstandpunt vrijwel ongewijzigd werd doorgeleid als besluit vóórdat over netwerkcorruptie werd geoordeeld. 
C)    De voorzitter creëert het valse beeld van strijdende ouders of ‘nasleep van een scheiding’ terwijl de klachten betrekking hebben op procedures waarin klagers geen procespartij waren en waarin verweerder bewust heeft bijgedragen aan de instandhouding van een pedonetcomplot-narratief. Dit valse beeld doet onrecht aan de ernst van de klachten.
D)    De voorzitter stelt dat de kern van de klacht ‘ongenoegen van klagers’ zou zijn. Daarmee miskent hij dat de kern is dat klagers slachtoffer werden van complotdenken over de “Pedofiele Ouder” in samenhang met de “Demmink Doofpot”. Dit is een ernstige vertekening. 
E)    Ten onrechte noemt de voorzitter de beslissing van 17 augustus 2021 de “slotsom” (ro. 1.3) alsof alle gevolgen zoals bedoeld in artikel 46g lid 2 Advw van een continuüm aan procedures met het complotdenkers-narratief toen volledig bekend waren. Procedures met dezelfde kernverwijten over klagers duren echter nog altijd voort. 
F)    Ten onrechte spint de voorzitter het argument dat er nog steeds nieuwe gevolgen bekend worden tot het ‘ten volle zichtbaar zijn’ (ro. 4.11) of ‘voelbaar blijven’ (ro. 4.13) van gevolgen. De gevolgen in lopende procedure 200.346.342/01 stuiten verjaring echter omdat deze informatie uit de toekomst logischerwijs nog niet bekend is bij klagers.
2.3    Ten aanzien van klachtonderdeel I: Ten onrechte reduceert de voorzitter klacht I tot het ontbreken van een informatieplicht, zonder in te gaan op het feit dat verweerder zelf het direct belang van klagers in de procedure erkende en daarmee een zorgvuldigheidsplicht op zich nam. De voorzitter gaat niet in op het verwijt dat verweerder het gezin van klagers in gevaar bracht door hen niet te informeren.
2.4    Ten aanzien van klachtonderdeel II: Ten onrechte reduceert de voorzitter klacht II tot het ontbreken van een informatieplicht, zonder in te gaan op het verwijt dat verweerder sinds 2017 bekend was met gemotiveerde correcties maar stelselmatig dezelfde valse aantijgingen bleef bespreken.
2.5    Ten aanzien van klachtonderdeel III: Ten onrechte reduceert de voorzitter klacht III tot een algemene opmerking over partijdigheid, zonder in te gaan op het specifieke argument dat verweerder niet onafhankelijk kon opereren doordat hij intensief samenwerkt met twee medewerkers van cliënt die leiding gaven aan heimelijke onderzoeken naar klagers. 
2.6    Ten aanzien van klachtonderdeel IV: Ten onrechte stelt de voorzitter dat klacht IV betrekking heeft op een zitting van 26 januari 2015 en veinst onbegrip over de betekenis van de aanwezigheid van een bekende Demmink Doofpot complotdenker bij een stiekeme zitting over klagers (26-11-’15).
2.7    Ten aanzien van klachtonderdeel V: Ten onrechte verzuimt de voorzitter in klacht V in te gaan op het verwijt dat verweerder doelbewust procedeerde op basis van onvolledige raadsrapporten waarin de reactie van klager 1 was weggelaten. 
2.8    Ten aanzien van klachtonderdeel VI: Ten onrechte beperkt de voorzitter het verwijt dat verweerder actief bijdroeg aan een vals en alarmerend beeld van “gevaarlijkheid” door feiten die daarmee in tegenspraak waren te verbergen tot de periode vóór augustus 2021. 
2.9    Ten aanzien van klachtonderdeel VII: Ten onrechte bagatelliseert de voorzitter klacht VII tot begrijpelijke opmerking, zonder in te gaan op de werkelijke klacht dat een fatsoenlijk advocaat zich niet schuldig maakt aan ‘victim blaming’ na de vaststelling van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ). 
2.10    Ten aanzien van klachtonderdeel VIII: Ten onrechte verdraait de voorzitter klacht VIII tot het innemen van standpunten, zonder in te gaan op het verwijt dat verweerder bewust een valse en feitelijke beschuldiging heeft herhaald en klager 1 actief de gelegenheid tot verweer heeft ontnomen. 
2.11    Ten aanzien van klachtonderdeel IX: Ten onrechte reduceert de voorzitter deze klacht tot een kwestie van processtrategie, zonder in te gaan op het verwijt dat verweerder actief heeft verhinderd dat klager 2 zich kon verdedigen tegen ernstige valse beschuldigingen en zonder uitleg waarom hij zich niet verzette tegen het sluiten van de deuren. 
2.12    Ten aanzien van klachtonderdeel X: Ten onrechte stelt de voorzitter dat klacht X niet onderbouwd zou zijn, terwijl duidelijk is dat het verzwijgen van de ontlastende verklaring van klager 2 uit 2015 ertoe heeft bijgedragen dat het pedonetcomplot-narratief na tien jaar nog steeds een rol in zijn leven speelt. 
2.13    Klagers hebben in hun pleitnota van de zitting van 8 december 2025 verzocht drie voor hun relevante essentiële feiten op te nemen in de feitenvaststelling, te weten:
I.    De drie Demmink Doofpot Activisten, advocaat [A], journalist [J] en oud-rechercheur [R], waren wél aanwezig bij civiele zittingen 2015-2017 over onze rol in het pedonetcomplotnarratief terwijl wij ‘figuranten’ niets van die rechtszaken wisten.
II.    Het OM merkte ons in 2016 aan als slachtoffers van ‘stalking bij law’ of ‘stalking by proxy’ volgens het advies van de LEBZ. Wij moesten beschermd worden tegen valse meldingen. Argos suggereerde echter in 2018-2020 dat de LEBZ pedonet-onderzoeken zou ‘belemmeren’. Sindsdien verzwijgen topambtenaren en rechters dit belangrijke LEBZ deskundigenoordeel uit 2016 dat ons moest beschermen. 
III.    Justitieambtenaren deden vanaf 2016 klokkenluider-meldingen over een vermeend pedofielennetwerk rond ons die serieus genomen werden in de op van het Ministerie en tot allerlei onderzoeken leidden. Na de eindconclusie van recherchebureau Hoffmann in 2018 dat er géén aanwijzing was voor het bestaan van een Haags pedonet bleven dezelfde complotambtenaren ons gezin belagen. Het OM (met steun van het Hof Den Haag) weigerde complotambtenaren en (oud)justitiecollega’s te onderzoeken na onze aangiftes.
2.14    Tegen de overige vaststaande feiten en de klachtomschrijving komen klagers in verzet (verder) niet op. 

3    FEITEN EN KLACHT
3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. Op de onder 2.13 verzochte toevoeging van feiten, zal de raad bij de beoordeling ingaan. 

4    BEOORDELING
4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2    De raad heeft er allereerst begrip voor dat klagers gefrustreerd zijn over de gevoerde procedures waarin zij onderwerp van gesprek waren, terwijl waarin zij geen procespartij zijn (geweest), waarvan zij destijds niet wisten en waarin zij niet zijn gehoord. Er werd over hen gepraat, maar niet met hen. Daarbij betreft het zeer ernstige verwijten aan het adres van klager 1 en werden zij niet beschermd op het moment dat zij dat nodig hadden. Klagers hebben zich niet gehoord gevoeld en hun klachten werden gebagatelliseerd tot een conflictscheiding. Het is de raad duidelijk dat alles wat er de afgelopen tien (of meer) jaar is gebeurd, grote gevolgen heeft gehad (en nog dagelijks heeft) voor klagers. Dat alles leidt er echter niet toe dat verweerder een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het tuchtrecht kan klagers niet de vergelding en genoegdoening bieden die zij zoeken. De door klagers aangevoerde verzetgronden slagen niet; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De raad zal de verzetgronden hierna stuk voor stuk bespreken.
4.3    Klagers wensen uitdrukkelijk dat de feiten zoals weergegeven onder 2.13 letterlijk worden overgenomen in de feitenvaststelling door de raad. Een onjuiste of onvolledige feitenvaststelling in voor de klacht relevante feiten kan immers tot een gegrond verzet leiden. De raad ziet niet alleen daarin het belang voor klagers bij het ingestelde verzet, maar ook in erkenning van leed zoals onder 4.2 weergegeven. De raad volgt klagers niet dat de door hen gestelde feiten voor de beoordeling van de voorzittersbeslissing naar de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid relevant zijn. De klachtbehandeling kan slechts de periode van drie jaar voorafgaand aan de klacht betreffen. Zo neemt de raad aan van klagers dat zij niet(s) van alle rechtszaken in 2015-2017 wisten. Deze rechtszaken vallen echter buiten de termijn van 3 jaar. Voor de vaststelling dat [A], [J] en [R] bij alle civiele zittingen aanwezig zijn geweest in 2015-2017, is nodig dat  alle processen-verbaal met voor- en achternamen beschikbaar moeten zijn, nog daargelaten dat deze civiele zittingen ook buiten de termijn van drie jaar vallen. Dat klagers beschermd moesten worden tegen valse meldingen, is voor de raad een vaststaand feit. Het verzwijgen van het LEBZ rapport is echter voor de raad niet vast te stellen. En ook het onder III benoemde feit is niet een feit, voor zover dat al kan worden vastgesteld, dat kan afdoen aan de voorzittersbeslissing. 
4.4    Met betrekking tot verzetsgrond B overweegt de raad dat de tuchtrechter op geen enkele wijze gebonden is aan het standpunt van de deken. De tuchtrechter komt tot een zelfstandig en gemotiveerd oordeel op basis van de processtukken en de argumenten van beide partijen. Dat de voorzitter tot een vergelijkbaar oordeel is gekomen als de deken, maakt niet dat geen sprake is van een zelfstandig inhoudelijk oordeel. Daarmee is ook niet gebleken van (schijn van) partijdigheid of schending van artikel 6 EVRM. 
4.5    Met betrekking tot de verzetsgronden E en F (die zien op de ontvankelijkheid van de klacht) geldt dat de raad met de voorzitter van oordeel is dat de klachten deels te laat zijn ingediend en daarom niet-ontvankelijk zijn. De voorzitter heeft terecht opgemerkt dat in artikel 46g lid 2 Advocatenwet niet is bepaald dat het recht tot klagen blijft bestaan zolang de gevolgen van het handelen of nalaten van de beklaagde advocaat blijven voortbestaan of voelbaar blijven voor de klager. Voor een geslaagd beroep op artikel 46g lid 2 Advocatenwet moet worden geconcretiseerd wanneer en met welke informatie de klager precies bekend is geworden. Samenhang tussen procedures en (mogelijke) toekomstige gevolgen zijn daarvoor onvoldoende. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 
4.6    Met betrekking tot de verzetgronden A, C en D overweegt de raad dat de Advocatenwet voor de landsadvocaat of een advocaat die werkzaam is bij het kantoor van de landsadvocaat geen andere of zwaardere norm kent dan voor andere advocaten. De voorzitter heeft terecht vooropgesteld dat verweerder optrad als partijdig belangenbehartiger. Dat daarbij andere kernwaarden zijn miskend, is de raad niet gebleken. Evenmin is de raad gebleken dat door dan wel voor de voorzitter een vals of onjuist beeld is gecreëerd. De voorzitter heeft aanleiding gezien de inhoudelijke beoordeling van de klachten te voorzien van een inleiding (ro. 4.15 en 4.16). De voorzitter heeft de tien klachten vervolgens gemotiveerd beoordeeld (vanaf 4.17). Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 
4.7    Met betrekking tot klachtonderdelen I en II is de raad met de voorzitter van oordeel dat verweerder niet gehouden was klagers te informeren, omdat klagers geen procespartij waren. Dat er over hen werd gepraat in de procedures, leidt hier niet tot de plicht om te informeren. 
4.8    Met betrekking tot klachtonderdeel III geldt dat de voorzitter heeft overwogen dat hij geen kennis heeft van de geschillen die na de scheiding van klager 1 en de moeder van klager 2 zijn ontstaan en dat het oordeel wordt gebaseerd op dat wat partijen in dit klachtdossier naar voren hebben gebracht. De problematiek waar klagers in betrokken zijn, is onder andere door de procedures van de moeder van klager 2 tegen (onderdelen van) de staat, ten onrechte gekwalificeerd als alleen een strijd tussen ouders. De problematiek oversteeg (inmiddels) die kwalificatie, hoewel de oorsprong gelegen is in een complexe echtscheiding. Verweerder heeft (ook) opgetreden voor de wederpartij (onderdelen van overheidsorganen) in die procedures van de moeder van klager 2. De raad is echter met de voorzitter van oordeel dat een duidelijke onderbouwing van het verband tussen verweerders optreden en het onderzoek naar een (vermeend) Haags pedonetwerk ontbreekt. Daarmee wordt niet toegekomen aan wat klagers in hun verzet de kernpunten noemen. 
4.9    Met betrekking tot klachtonderdeel IV is, gezien de in de voorzittersbeslissing opgenomen feiten en klachtomschrijving, duidelijk dat de zitting van 26 november 2025 is bedoeld. De raad is met de voorzitter van oordeel dat verweerder niet gehouden was de vraag van klagers, in een procedure waarin zij geen partij waren, te beantwoorden.
4.10    Met betrekking tot klachtonderdeel V geldt dat klagers niet-ontvankelijk zijn verklaard voor zover de klacht ziet op gedragingen van voor 14 augustus 2021. Aan een inhoudelijke beoordeling is daarom niet toegekomen. Dat oordeel is juist. De raad is verder met de voorzitter van oordeel dat verweerder niet gehouden was tot beantwoording van de vragen uit de brief van 29 april 2023.
4.11    Met betrekking tot klachtonderdeel VI geldt dat het ziet op gedragingen van verweerder in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 17 augustus 2021. De raad is met de voorzitter van oordeel dat de klacht daarover te laat is ingediend. Van een uitzondering op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet is niet gebleken. Aan een inhoudelijke beoordeling is daarom terecht niet toegekomen. 
4.12    Met betrekking tot klachtonderdeel VII geldt dat de voorzitter, anders dan klagers stellen, niet heeft geoordeeld dat de gewraakte opmerking van verweerder begrijpelijk was. De voorzitter heeft geoordeeld dat de gewraakte woordkeuze in de context van de zaak waarin de woorden zijn gebruikt, niet kan worden aangemerkt als onnodig grievend in de zin van gedragsregel 7. De raad heeft geen grond om aan de juistheid van dat oordeel te twijfelen.
4.13    Met betrekking tot klachtonderdeel VII is de raad met de voorzitter van oordeel dat het klachtdossier en hetgeen over en weer is aangevoerd geen grond biedt om aan te bieden dat verweerder willens en wetens onjuiste standpunten heeft ingenomen. Op verweerder rustte, omdat klager geen partij was in de kwestie, niet de plicht om te bewerkstelligen dat klager 1 zijn standpunt kenbaar kon maken. De raad heeft ook hier geen grond om aan de juistheid van het oordeel van de voorzitter te twijfelen. 
4.14    Met betrekking tot klachtonderdeel IX geldt dat verweerder in relatie tot klager 2 niet gehouden was om verweer te voeren tegen het verzoek tot gesloten behandeling. Verweerder trad op namens de Staat en niet namens klager 2. De voorzitter heeft terecht geoordeeld dat verweerder zich diende te laten leiden door het procesbelang van zijn cliënte. De raad is met de voorzitter van oordeel dat klager 2 geen aanspraak kon maken op voordracht als informant. 
4.15    Met betrekking tot klachtonderdeel X wordt voor wat betreft de beantwoording van vragen uit de brief van 29 april 2023 verwezen naar klachtonderdeel V (onder 4.9). De verdere verzetgrond (het verzwijgen van een ontlastende verklaring van klager 2 uit 2015) lijkt te zien op gedragingen van verweerder voor 14 augustus 2021. De voorzitter heeft de klacht op dit punt terecht niet-ontvankelijk verklaard. 
4.16    De raad heeft gezien het voorgaande in redelijkheid geen twijfel over de juistheid van de beslissing van de voorzitter. Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 


BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. W.R. Arema en F.G.L. van Ardenne, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2026.