ECLI:NL:TADRSGR:2026:13 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-352/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:13 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 21-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-352/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 januari 2026
in de zaak 25-352/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 23 juli 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. F.K. Doornbos
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 juli 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 26 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K133 2024 van
de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 23 juli 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond. Deze beslissing
is diezelfde dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 2 augustus 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Daarbij
waren verweerder en zijn gemachtigde aanwezig. Klager heeft via een telefonische verbinding
aan de zitting deelgenomen.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager is in zijn verzet met name ingegaan op de onderdelen 3.5, 4.6, 4.7 en 4.9 van
de voorzittersbeslissing.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.
4.3 Klager heeft met betrekking tot 3.5 van de voorzittersbeslissing aangegeven
dat hij nooit heeft gezegd dat hij ermee instemde dat er geen klacht zou worden ingediend.
Onderdeel 3.5 is echter de weergave van het verweer van verweerder. Het is niet vreemd
dat klager het daar niet mee eens is en leidt niet tot een gegrond verzet.
4.4 Klager heeft met betrekking tot 4.6 van de voorzittersbeslissing aangegeven
dat hij veelvuldig heeft gevraagd naar een second opinion, al voor beëindiging van
de bijstand. Klager heeft daarbij verwezen naar de mails in het dossier. De raad overweegt
dat de voorzitter ook heeft vastgesteld dat klager al voor de beëindiging van de bijstand
om een second opinion heeft verzocht. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden
betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.5 Klager heeft met betrekking tot 4.7 van de voorzittersbeslissing aangegeven
dat hij nooit heeft ingestemd met het direct versturen van berichten aan partijen.
De raad stelt vast dat klager voor het eerst in verzet uitdrukkelijk heeft aangegeven
dat hij er niet mee akkoord was dat verweerder hem niet altijd eerst een concepttekst
stuurde. Klagers stelling dat hij dit bij verweerder heeft aangegeven, wordt echter
niet met bewijs ondersteund. Evenmin blijkt dat klager bij verweerder heeft aangegeven
dat hij het niet eens is met door verweerder verstuurde berichten. Verweerder mocht
er dan ook van uitgaan dat hij op deze wijze mocht optreden. Daarmee hoeft in redelijkheid
niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.6 Klager heeft met betrekking tot 4.8 van de voorzittersbeslissing aangegeven
dat verweerder geen vragen wilde stellen aan de medisch adviseur. De raad volgt verweerder
in het oordeel dat sprake was van een gezamenlijke opdracht aan de medische adviseur
en dat dus niet zo maar vragen op verzoek van één van partijen kunnen worden gesteld.
Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.7 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, D.M. de Knijff, H. Warendorp Torringa en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026