ECLI:NL:TADRSGR:2026:125 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-278/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:125 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-05-2026 |
| Datum publicatie: | 03-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-278/DH/DH |
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de kantoorgenoot van een curator. Verweerders naam is ten onrechte vermeld in een taxatierapport. Dat kan verweerder niet worden verweten, aangezien niet hij maar de taxateur dat rapport heeft opgesteld. Dat sprake zou zijn van ‘ongeoorloofde delegatie van curatorstaken’ is dan ook niet gebleken en door klagers overigens op geen enkele manier onderbouwd. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 27 mei 2026
in de zaak 26-278/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 31 maart 2026 met kenmerk K158 2025 en van de op de
inventaris genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klagers en hun onderneming V.O.F. [naam bedrijf] zijn op 23 april 2024 failliet
verklaard. [Naam 1] is benoemd tot curator. Verweerder is een kantoorgenoot van de
curator.
1.2 Op 9 januari 2025 is de woning van klagers getaxeerd, omdat deze mogelijk
verkocht zou worden. Namens de curator was een andere kantoorgenoot, [naam 2], tijdens
de taxatie aanwezig in de woning. In het taxatierapport is (kennelijk abusievelijk)
opgenomen dat verweerder in plaats van [naam 2] aanwezig was tijdens de taxatie.
1.3 Op 7 juli 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
Ook zijn klachten ingediend tegen [naam 1] en [naam 2].
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat hij in
het taxatierapport als aanwezige is vermeld hetgeen feitelijk neerkomt op ongeoorloofde
delegatie van curatorstaken.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht
heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een
behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt
in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft voor hem het advocatentuchtrecht
gelden. Indien de advocaat zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt
dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake
zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt
waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Voor een advocaat die
optreedt als faillissementscurator brengt deze maatstaf mee dat niet snel van tuchtrechtelijk
laakbaar handelen sprake zal zijn. Dat komt onder meer omdat een curator bij de uitoefening
van zijn taak rekening dient te houden met uiteenlopende belangen nu hij de boedel
vertegenwoordigt en het belang van de schuldeisers van de gefailleerde. Ook speelt
een rol dat de curator zijn taak uitoefent onder toezicht van de rechter-commissaris
en dat het in de eerste plaats aan de rechter-commissaris is te beslissen of het handelen
van de curatoren zich binnen de wettelijke kaders afspeelt (zie HvD 24 november 2025,
ECLI:NL:TAHVD:2025:236 en HvD 1 februari 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:11).
4.2 Verweerder heeft niet opgetreden als curator en evenmin als diens hulppersoon
(zijn naam is immers abusievelijk in het taxatierapport terechtgekomen), maar de voorzitter
zal desalniettemin aansluiten bij het hiervoor opgenomen toetsingskader.
Beoordeling
4.3 Niet kan worden ingezien waarom het vertrouwen in de advocatuur zou zijn
geschaad doordat verweerders naam ten onrechte in het taxatierapport is vermeld. Dat
kan verweerder ook niet worden verweten, aangezien niet hij maar de taxateur dat rapport
heeft opgesteld. Dat sprake zou zijn van ‘ongeoorloofde delegatie van curatorstaken’
is dan ook niet gebleken en door klagers overigens op geen enkele manier onderbouwd.
De klacht is daarom kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 mei 2026