ECLI:NL:TADRSGR:2026:12 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-344/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:12 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 21-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-344/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. De raad is niet gebleken dat verweerster op het punt van communicatie, informatie en kwaliteit tekort is geschoten. Verweerster heeft bij het beëindigen van haar werkzaamheden onvoldoende oog gehad voor de belangen van klaagster. Verweerster heeft zich onttrokken met een kort bericht, zonder klaagster te informeren over wat er op korte termijn moest gebeuren. Verweerster had zich bovendien niet op deze termijn voor de zitting nog mogen onttrekken dan wel meer voortvarendheid dienen te betrachten in de overdracht. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 januari 2026
in de zaak 25-344/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: [V]
over
verweerster
gemachtigde: mr. F.G. Schalker
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 augustus 2024 heeft de gemachtigde van klaagster bij de deken van de
Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend
over verweerster.
1.2 Op 23 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K174 2024 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Daarbij
waren klaagster en haar gemachtigde, alsmede verweerster en haar gemachtigde aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2. genoemde klachtdossier en van
de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 In 2018 is de vader van klaagster overleden. In 2022 is ook de moeder van
klaagster overleden. Na het overlijden bleek dat moeder klaagster had onterfd. Er
is een geschil ontstaan over de hoogte van het door klaagster te ontvangen bedrag
uit de erfenis(sen).
2.3 Klaagster heeft DAS Rechtsbijstand ingeschakeld voor bijstand. Klaagster
is aanvankelijk bijgestaan door mr. [B] (hierna: mr. B) van DAS.
2.4 Op 17 april 2024 heeft mr. B aan de gemachtigde van klaagster (klaagsters
echtgenoot) onder meer geschreven dat er is onderhandeld over opheffing van het (door
klaagster gelegde) beslag op de woning en dat daarover nog geen deal is. Vanwege een
verschil van inzicht (hierover), heeft mr. B in de e-mail aangegeven zijn werkzaamheden
voor klaagster te beëindigen. In de e-mail van 17 april 2024 heeft mr. B ook geschreven:
“Tot slot wil ik u verzoeken tijdig (ruim voor 21 mei a.s.) aan mijn opvolger aan
te geven of u nog in hoger beroep wenst van het vonnis in incident van 21 februari
2024.”
2.5 Op 18 april 2024 heeft mr. B de advocaat van de wederpartij geïnformeerd
over zijn onttrekking.
2.6 Diezelfde dag heeft mevrouw [O] (hierna: O) van DAS aan klaagster onder meer
geschreven:
“Kort Geding
[Mr. B] heeft u laten weten dat hij het kansloos acht om in kort geding met succes
verweer te voeren. Op dat specifieke punt won ik inmiddels intern een second opinion
in. Deze advocaat onderschrijft het standpunt van [mr. B] volledig. Dat betekent dat
DAS zich op het standpunt stelt dat een redelijke kans van slagen ontbreekt. In dat
geval mag DAS de rechtsbijstandsverlening stopzetten. (…)
Het staat u vrij om het kort geding op eigen kosten buiten DAS om te laten behandelen.
(…)
Voor de lopende procedures zal ik nagaan wie uw zaak kan overnemen.”
2.7 Op 21 april 2024 stuurt de gemachtigde van klaagster een e-mail aan de advocaat
van de wederpartij waarin hij onder meer schrijft:
“Wat betreft de beslaglegging kunt u nu, tot nader order, mij als contactpersoon
gebruiken. Ik ben namelijk van oordeel dat het beslag er wel af kan, maar dat we het
moeten hebben over de voorwaarden. Kun u mij daarom uw voorstel mailen. Dan zal ik
daarop reageren.”
2.8 Op 22 april 2024 heeft de advocaat van de wederpartij gereageerd en aan klaagster
en haar gemachtigde onder meer geschreven:
“Ik heb in mijn eerdere berichten aan [mr. B] reeds aangegeven dat als voorwaarden
voor het opheffen van het beslag op de woning zullen gelden:
1. In een overeenkomst wordt vastgelegd dat de opbrengst van de verkoop na aftrek
van de hypotheekschuld, makelaarskosten en notariskosten in depot blijft bij de notaris
tot is beslist in de bodemprocedure of tussen partijen anderszins overeenstemming
is bereikt m.b.t. de verdeling van het bedrag.
2. De notaris zal dus pas nadat door de rechtbank is beslist tot betaling uit
het depot mogen over gaan of na instructie van beide partijen daartoe.
2.9 Diezelfde dag heeft de gemachtigde van klaagster aan de advocaat van de wederpartij
onder meer geschreven dat hij denkt dat ze er wel zonder proces uit gaan komen.
2.10 Verweerster, eveneens werkzaam bij DAS, heeft de behandeling van de zaak
overgenomen per 26 april 2024.
2.11 Op 30 april 2024 heeft verweerster aan de gemachtigde van klaagster een
voorstel voor een bericht aan de advocaat van de wederpartij gestuurd en daarbij onder
meer geschreven:
“Ik ben vanaf morgen weer bereikbaar. Ik bel u in de ochtend. Stemt u in met onderstaande
mail?”
2.12 Op 2 mei 2024 heeft verweerster aan de advocaat van de wederpartij onder
meer geschreven:
“Wellicht ten overvloede bericht ik u dat cliënten akkoord gaan met het opheffen
van het conservatoir beslag. De voorwaarde is wel dat partijen een depotovereenkomst
ondertekenen waarin is vastgelegd dat de opbrengst van de verkoop van de woning na
aftrek van de hypotheekschuld, makelaarskosten en notariskosten in depot blijft bij
de notaris tot partijen duidelijkheid hebben over de verdeling van de opbrengst. De
notaris zal pas overgaan tot uitbetaling na instructies van beide partijen. U heeft
de voorwaarden op 22 april jl. naar cliënt gemaild. Naast de door u genoemde voorwaarden
stellen cliënten voor om gezamenlijk een notaris aan te wijzen. (…)
Tot slot bericht ik u dat inzake de beslaglegging (en alles daaromheen) u zich rechtstreeks
dient te wenden tot cliënten.”
2.13 Op 13 mei 2024 heeft verweerster aan de gemachtigde van klaagster onder
meer geschreven:
“De advocaat van uw schoonzus heeft inderdaad gebeld omdat hij niet begrijpt waarom
hij inzake het conservatoir beslag rechtstreeks met u moet communiceren maar u in
uw mail aan hem ook aan het onderhandelen bent over de geldbedragen waar uw vrouw
recht op heeft. Het onderhandelen is een taak van advocaten. Omdat dit erg verwarrend
is voor hem heb ik dan ook besloten om de communicatie vanaf heden verder over te
nemen en indien dit tot niets leidt en [advocaat wederpartij] een kort geding zal
starten omdat u niet akkoord gaat met het opheffen van het conservatoir beslag, is
het standpunt van DAS dat het een redelijk voorstel is en dat u geen argumenten hebt
om hier niet aan mee te werken. U heeft op dat moment dan recht om het standpunt van
DAS te beoordelen door beroep te doen op een geschillenregeling. (…)
Ik neem dan vanaf nu de correspondentie met [advocaat wederpartij] weer over.
Ik heb het dossier bestudeerd en het is mij wel duidelijk wat de diverse geschilpunten
zijn. (…)
[Mr. B] heeft op 2 februari 2024 namens u een voorstel gedaan waarbij de waarde
van de woning is bepaald op 435.000,- en bij de berekening van de legitieme portie
zijn o.a. giften meegenomen in de berekening. Uw erfdeel in de nalatenschap van vader
bent u van mening dat dit 38.158,73 is en de legitieme portie vindt u is 87.647,82
wat neerkomt op een totaalbedrag van 125.000,-. (…)
Bij brief van 28 februari 2024 heeft [advocaat wederpartij] gereageerd op het voorstel
en heeft aangegeven het erfdeel in de nalatenschap van erflater te bepalen op 34.418,58
en de legitieme portie op 62.344,57 wat neerkomt op een bedrag van 98.828,16. De tegenpartij
weerlegt uw stelling dat 80.000,- van de verkoop van Tjalk is geschonken. (…)
Ik heb de mail van [mr. B] op 1 maart 2024 zijn visie heeft gegeven op het verhaal
van [advocaat wederpartij] van 28 februari 2024. Ik deel dit standpunt ook. Niet omdat
[mr. B] mijn collega is maar om de vrij eenvoudige reden dat het juridisch juist is
wat hij in zijn mail aangeeft. Het maar ‘strooien’ met diverse op-/ en aanmerkingen
is niet voldoende. U moet uw stellingen onderbouwen en vooral als de tegenpartij uw
stelling weerlegt. U geeft aan dat het bedrag van 80.000,- is geschonken aan uw zus.
Deze stelling onderbouwt u niet. Vervolgens geeft zus een toelichting wat met het
geld is gebeurd en (een deel van haar toelichting) onderbouwt zij. De bal ligt nu
bij u. U moet nu aantonen dat hetgeen zus vertelt niet juist is door met het bewijs
te komen waaruit blijkt dat geld is overgemaakt van de rekening van ouders naar de
rekening van zus. Dit heeft u niet. Of dat u hebt gezien dat 80.000,- contant is gegeven
aan schoonzus. Dit bewijs heeft u ook niet. (…)
Stel het lukt u wel om te onderbouwen dat het geldbedrag (volledig) is geschonken
aan zus dan valt slechts de helft in de nalatenschap van moeder en dus is de aanspraak
van uw vrouw slechts 10.000,-.
Ik las in de mail iets over bankafschriften tot 10 jaar voor overlijden. In de nalatenschap
van uw overleden moeder heb ik u ook meermaals medegedeeld dat het opvragen of inzake
krijgen in bankafschriften tot 10 jaar voor overlijden er geen juridische basis voor
is. In de nalatenschap van uw schoonouders is mijn standpunt niet anders.
Mail van 8 mei aan [advocaat wederpartij]
Uw mail aan [advocaat wederpartij] bevat wat op-/ aanmerkingen die niet juist zijn.
De verkoopopbrengst in depot storten is een zekerheid die een beslaglegger krijgt
wanneer hij beslag heeft gelegd. Om die reden is er geen enkele rechter die uw vrouw
‘gelijk’ zal geven wanneer u niet instemt met het opheffen van het beslag als voorwaarde
dat de gehele opbrengst wordt gestort op een derdengeldenrekening. Vaak wordt het
geldbedrag waar partijen over bakkeleien, in uw geval 125,000,- verhoogt met nog een
beetje in de pot gestort. Nu de tegenpartij de gehele opbrengst (!) in depot wil storten
tot er duidelijkheid komt over de wijze van verdeling van het geld, gaat geen rechter
u hierin steunen en is de kans dat u wordt veroordeeld in de proceskosten van het
kort geding groot. U jaagt uw schoonzus onnodig op kosten. Mijn advies hierin is dan
ook om niet moeilijk hierover te doen. Als er geen akkoord wordt bereikt over het
bedrag dat aan uw vrouw toekomt, adviseer ik u om mee te werken aan de depotovereenkomst.
(…)
Advies
Er zijn diverse rechtszaken gevoerd en tot nu toe weinig met succes. In hoger beroep
vrees ik gaat uw vrouw het ook redden.
Als ik bekijk wat het voorstel was van ons van 125.000,- en wat het tegenvoorstel
van 98.828,16 is mijn advies, gezien het moeilijk zal worden om bepaalde stelling
te onderbouwen met bewijzen, stel ik voor dat wij een tegenvoorstel doen van 110.000,-.
Het bedrag van 98.828,16 + 4.000,- (verschil erfdeel vader + nog een beetje). Het
is dan aan de tegenpartij om te reageren.
Het voorstel van € 125.000,- kunnen we niet handhaven en zal ik ook niet redden
in een rechtszaak.”
2.14 Op 14 mei 2024 heeft de gemachtigde van klaagster gereageerd en aan verweerster
onder meer geschreven:
“Het is verwarrend voor iedereen dat de Das deze zaak niet vertegenwoordigd, maar
wel de communicatie gaat doen. U gaat wel onderhandelen, maar staat mij niet bij in
het proces. (…)
Ik was niet op de hoogte dat advocaten een taak van advocaten is. Kun u mij aangeven
welk wetsartikel dit is? (…)
Het valt mij wel op dat ik nu al meer heb uit onderhandeld met de tegenpartij. [Advocaat
wederpartij] heeft mij toegezegd dat het volledige bedrag in depot gaat na aftrek
van hypotheek en notariskosten. U wil de tegenpartij al een deel van het geld geven.
Dat is in mijn nadeel, waar ik het ook niet mee eens ben.”
2.15 Op 15 mei 2024 laat de gemachtigde van klaagster per e-mail aan mevrouw
[J] (hierna: J) van DAS weten dat hij e-mail van mr. B van 17 april 2024 niet kan
vinden. Hij heeft verzocht de e-mail alsnog aan hem te doen toekomen. Ook heeft de
gemachtigde van klaagster verzocht om het hele dossier (digitaal, via de portal) te
kunnen inzien.
2.16 Op 22 mei 2024 heeft de gemachtigde van klaagster een klacht ingediend over
de kwestie. In zijn e-mail schrijft hij onder meer:
“Nu wil de tegenpartij, dat we het beslag opheffen om het huis te kunnen verkopen.
Vanaf het eerste moment hebben wij aangegeven daaraan te willen meewerken, echter
wel onder een aantal voorwaarden. De voorwaarden die [mr. B] voorstelde vonden wij
te slecht. Eén van de punten was, dat hij een deel van het geld (125.000 euro uit
mijn hoofd) in depot zou blijven. Wij willen het volledige bedrag in depot na aftrek
van hypotheek, notaris en makelaarskosten. (…)
Ik heb zelf contact gezocht met de advocaat van de tegenpartij. Heb nu al voor elkaar
dat het volledige bedrag in depot blijft exclusief hypotheek, notaris en makelaarskosten.(…)
Op 13 mei 2024 ontvangen we een schrijven van onze advocaat van DAS. Zie bijlage.
Echter de DAS staat me NIET bij in deze zaak, maar neemt wel de communicatie over.
Dit lijkt me niet redelijk en billijk. Niet de zaak voeren, maar ik mag ook niet zelf
dit afwikkelen of aan een andere advocaat overlaten. (…)
Het probleem is dat DAS nu niet alle drie de zaken meer vertegenwoordigd, die ze
eerst wel vertegenwoordigde. Gezien het nu gaat zou ik graag willen, dat al deze zaken
door een ander kantoor worden behandeld. Daar de nieuwe advocaat en [mr. B] (oude
advocaat) naaste collega’s zijn. Ze kennen elkaar persoonlijk en hebben ook contact
betreffende deze zaken.”
2.17 Op 24 mei 2024 heeft J gereageerd op de e-mail van 15 mei 2024. Zij heeft
daarbij de e-mail van 17 april 2024 aan de gemachtigde van klaagster gestuurd. Zij
heeft onder meer geschreven dat het verzoek om inzage intern is doorgegeven.
2.18 Op 30 mei 2024 heeft verweerster aan de gemachtigde van klaagster onder
meer geschreven:
“U heeft een aantal keer gebeld en gemaild met de vraag of DAS/ik in hoger beroep
ben gegaan tegen de uitspraak van 21 februari jl. Het antwoord hierop is nee. Een
mogelijkheid om nu in hoger beroep te gaan, is er niet. De Rechtbank heeft de vorderingen
in het incident afgewezen. Tegen deze afwijzing is pas hoger beroep mogelijk wanneer
in de hoofdzaak (!) vonnis is gewezen/een beslissing is genomen. De verdere behandeling
van de hoofdzaak vindt plaats op 19 juni a.s. Er is nu dus nog geen mogelijkheid om
in hoger beroep te gaan.
Ik heb u op 13 mei jl. mijn kijk op de zaak gemaild. U heeft inhoudelijk hier niet
op gereageerd.
Ik heb van mijn collega’s van de klachtenafdeling vernomen dat u geen vertrouwen
(meer) heb in mijn persoon om uw belangen op juiste wijze (verder) te behartigen.
Onder deze omstandigheden kan ik niet anders dan mij nu als advocaat uit de behandeling
van zaken terugtrekken.
Een collega zal zo spoedig mogelijk contact met u opnemen over het vervolg van de
behandeling van uw zaak.”
2.19 De gemachtigde van klaagster heeft hier diezelfde dag op gereageerd en onder
meer geschreven:
“Ik ben ten zeerste verbaasd over onderstaande reactie. Ik ben nu al weken aan het
mailen en aan het bellen en het is onbegrijpelijk dat niemand mij telefonisch te woord
wil staan, gevraagde informatie niet geleverd wordt en waardoor deadlines mogelijkerwijs
niet gehaald kunnen worden. En mij dan vervolgens verwijten dat ik niet op de zaak
reageer. Waar de klachtencommissie op baseert, dat ik geen vertrouwen in [verweerster]
heb is mij een raadsel.
Het lijkt wel alsof bewust stukken te laat naar mij worden doorgestuurd, zoals de
nooit ontvangen brief van 17 april 2024. Die heb ik meerdere keren opgevraagd en heel
lang niet gekregen. (…)
Met spoed wil ik overleg met iemand hebben, daar ik over een paar weken al in de
rechtbank sta zoals ik van [verweerster] nu begrijp. Ik hoor graag wie mijn zaak nu
WEL gaat behandelen.”
2.20 Op 31 mei 2024 heeft verweerster een e-mail van de advocaat van de wederpartij
(met een aankondiging van het kort geding) aan de gemachtigde van klaagster gestuurd,
waarbij zij schrijft dat zij niet over de verdere behandeling van het dossier gaat.
2.21 Op 3 juni 2024 heeft de klachtafdeling van DAS gereageerd op de klacht van
22 mei 2024. In de brief is onder meer vermeld dat DAS tegen de uitspraak van 21 februari
2024 niet in hoger beroep is gegaan, omdat een mogelijkheid daartoe er (nog) niet
is en dat DAS daarom geen termijn heeft laten verlopen. In de brief is verder vermeld
dat het dossier kan worden uitbesteed aan een externe rechtshulpverlener
2.22 Op 9 juni 2024 heeft de gemachtigde van klaagster hierop gereageerd en gevraagd
naar de overdracht van het dossier naar een externe advocaat gelet op de geplande
zitting, omdat overdracht binnen vijf werkdagen geregeld zou zijn, maar hij nog niets
had vernomen.
2.23 Op 10 juni 2024 heeft mevrouw [S] (hierna: S) van DAS een (externe) advocaat
benaderd om klaagsters zaak over te nemen. Uit het bericht blijkt dat er (na tussenvonnis
van 21 februari 2024) een zitting is gepland op 19 juni 2024. Deze advocaat heeft
op 11 juni 2024 laten weten dat hij onder andere vanwege de zeer korte termijn waarop
een en ander dient te worden opgepakt geen gelegenheid heeft om het dossier aan te
nemen.
2.24 Inmiddels heeft de gemachtigde van klaagster zelf een nieuwe advocaat (mr.
[…], hierna: klaagsters nieuwe advocaat) benaderd. Op 11 en 12 juni 2024 is per e-mail
contact tussen S en klaagsters nieuwe advocaat over de zaak.
2.25 Op 13 juni 2024 laat S aan klaagsters nieuwe advocaat weten dat zij nog
terugkomt op de vraag of er stukken naar de rechtbank zijn gestuurd. Voor zover S
kan zien is dit niet gebeurd.
2.26 Op 16 juni 2024 stuurt klaagsters nieuwe advocaat de stukken die zij aan
de rechtbank heeft gestuurd aan de gemachtigde van klaagster, waarbij zij onder meer
schrijft dat de stukken tien dagen voor de zitting bezorgd hadden moeten zijn, dat
het een behoorlijke haastklus is geweest en dat zij, zoals besproken, niet kan garanderen
dat het in behandeling wordt genomen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster heeft
in haar klachtbrief de volgende klachten geformuleerd:
1) Het onjuist/onduidelijk informeren over hoger beroep mogelijkheden.
2) Het niet in de gaten houden van fatale termijnen voor indienen van stukken
bij de rechtbank.
3) Het niet bereikbaar zijn voor de cliënt.
4) De cliënt niet te woord willen staan en e-mail sturen dat hij maar naar haar
manager moet gaan, terwijl er op korte termijn een zitting aan zat te komen.
5) Het niet verder willen behartigen van de zaak zonder dat er een vervanger
is, nadat ze had aangegeven de zaak niet meer te willen behandelen vlak voordat er
een zitting was.
6) Het niet tijdig aandragen van een nieuw kantoorgenoot.
7) Het niet hebben ingediend van de benodigde stukken bij de rechtbank.
8) Rechtszaak starten met betrekking tot overleden moeder, terwijl de zaak van
overleden vader nog niet afgewikkeld was. Vordering bij vader moet eerst definitief
zijn om startpunt moeder te zijn.
9) Onduidelijke/gebrekkige communicatie:
a) Verweerster behartigde de beslagleggingszaak niet, maar het was klaagster
niet toegestaan daar zelf over te onderhandelen.
b) Klaagster mocht niet onderhandelen. Dat was een taak van advocaten volgens
verweerster. Op de vraag waar dat in de wet stond is nooit antwoord gekomen.
c) Het niet uitleggen dat een hoger beroep tegen een tussenvonnis van 21 februari
niet mogelijk was. Dat had verweersters voorganger onterecht voorgesteld.
d) Geen duidelijke/goede uitleg hoe de beslaglegging in elkaar zat, wat veel
miscommunicatie heeft veroorzaakt.
10) Opnieuw gaan onderhandelen met de tegenpartij en een slechter resultaat realiseren,
dan er al door de tegenpartij initieel was aangeboden.
11) Het niet volledig en veel te laat overdragen van het dossier naar de nieuwe
advocaat. Eén advocaat heeft om die reden de zaak ook niet aangenomen.
12) Belemmeren van de overdracht onder de noemer van budgettaire beperking.
3.2 Samengevat zien de klachten op de communicatie en informatievoorziening (1,
3, 4 en 9), ondermaatse kwaliteit (2, 7, 8 en 10) en de zorgplicht rondom de onttrekking
en overdracht (5, 6, 11 en 12).
3.3 Klaagster heeft toegelicht dat verweerster haar niet of nauwelijks heeft
geholpen. Verweerster stond klaagster (c.q. haar gemachtigde) niet of nauwelijks telefonisch
te woord en er werd niet naar klaagsters wensen geluisterd. Verweerster heeft iedere
suggestie van klaagsters kant afgedaan door te zeggen dat klaagster geen vertrouwen
in verweerster had. Verweerster heeft de zaak simpelweg uit haar handen laten vallen
en geen enkele verantwoording genomen, met nadelige consequenties voor klaagsters
zaak.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij heeft toegelicht dat
zij verantwoordelijk is voor de behandeling van de zaak in de periode van 26 april
2024 tot en met 30 mei 2024. Verweerster stelt dat over de aanpak van de zaak een
verschil van inzicht is ontstaan, wat het meest tot uitdrukking komt in het wel of
niet verweer voeren in een kort geding over opheffing van het beslag. Het opknippen
van een geschil of strategie kan niet. Verweerster stelt dat deadlines zijn bewaakt
en dat hoger beroep nog niet mogelijk was. Dat aan wensen of suggesties geen opvolging
of uitvoering is gegeven, betekent niet dat er niet is geluisterd. Uit de stukken
blijkt niet dat verweersters dienstverlening ondermaats is geweest.
4.2 Ter zitting is naar voren gebracht dat de onttrekking van 30 mei 2024 beter
had gekund, in die zin dat verweerster in dat bericht had moeten aangeven wat de consequenties
van de onttrekking waren, ook voor de procedure. Daar is op 3 juni 2024 in de klachtbehandeling
aandacht aan besteed. Verweerster meent dat zij zich met het oog op de zitting van
19 juni 2024 tijdig heeft onttrokken.
4.3 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden
gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk handelende advocaat. De
tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de
gedragsregels, waarbij de gedragsregels zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij
die toets.
5.3 Gedragsregel 14 bepaalt:
1) De advocaat draagt volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de
opdracht. De advocaat kan zich niet aan deze verantwoordelijkheid onttrekken met een
beroep op de van zijn cliënt verkregen opdracht. Hij mag evenwel geen handelingen
verrichten tegen de kennelijke wil van de cliënt.
2) Indien tussen de advocaat en zijn cliënt verschil van mening bestaat over
de wijze waarop de opdracht moet worden uitgevoerd en dit geschil niet in onderling
overleg kan worden opgelost, dient de advocaat zich terug te trekken.
3) Wanneer de advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, dient
hij dat op zorgvuldige wijze te doen en dient hij ervoor zorg te dragen dat zijn cliënt
daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.
5.4 Gedragsregel 16 bepaalt:
1) De advocaat dient zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie,
feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient
hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen.
Communicatie/informatie (klachtonderdelen 1, 3, 4 en 9)
5.5 De raad stelt vast dat verweerster klaagster vrij kort heeft bijgestaan,
vanaf 26 april 2024 tot en met de onttrekking op 30 mei 2024. Uit het dossier blijkt
dat er in ieder geval eind april/begin mei 2024 contact is geweest tussen verweerster
en de gemachtigde van klaagster over een aan de wederpartij te sturen bericht. Op
13 mei 2024 heeft verweerster een uitgebreide e-mail gestuurd over de zaak, waarop
door klaagsters gemachtigde ook is gereageerd. Verweerster is ingegaan op de beslaglegging
en heeft aangegeven dat zij de communicatie met de advocaat van de wederpartij (weer)
op zich nam, omdat verwarring was ontstaan. De gemachtigde van klaagster onderhandelde
voor een deel van de zaak zelf met de (advocaat van de) wederpartij, maar voor een
deel ook niet. Niet onbegrijpelijk is dat hierdoor verwarring ontstond bij de advocaat
van de wederpartij. Verweerster heeft kennelijk duidelijkheid willen creëren voor
de advocaat van de wederpartij. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat ze niet
uitdrukkelijk heeft gereageerd op de vraag waar in de wet staat dat onderhandelen
door advocaten gebeurt, is evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.6 Vervolgens heeft de gemachtigde van klaagster kennelijk een aantal keer gebeld
en gemaild met de vraag of hoger beroep is ingesteld tegen het (tussen)vonnis van
21 februari 2024. Daarmee is nog geen sprake van onbereikbaar zijn voor de cliënt.
Van een advocaat wordt immers niet verwacht dat hij direct op elk telefoontje of mailtje
reageert. Verweerster heeft in haar e-mail van 30 mei 2024 gereageerd en de gemachtigde
van klaagster geïnformeerd dat er nog geen mogelijkheid bestond voor hoger beroep.
Het is de raad niet gebleken dat verweerster op dit punt onjuist heeft geïnformeerd.
Zij heeft hier bovendien op het moment dat hier een vraag over was op gereageerd.
Op dit punt heeft verweerster afdoende met de gemachtigde gecommuniceerd.
5.7 In dezelfde e-mail van 30 mei 2024 heeft verweerster haar werkzaamheden neergelegd,
waarbij zij heeft laten weten dat een collega contact zal opnemen met de gemachtigde
van klaagster over het vervolg van de zaak. Niet blijkt dat zij klaagster niet te
woord wilde staan. Evenmin blijkt dat verweerster heeft verwezen naar de manager.
5.8 De raad is dan ook niet gebleken dat verweerster op het punt van communicatie
en informatie tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens klaagster. De verwijten
op dit punt zijn ongegrond.
Ondermaatse kwaliteit (klachtonderdelen 2, 7, 8 en 10)
5.9 Deze verwijten zien allereerst op (de termijn voor) het indienen van stukken
bij de rechtbank. De zitting was bepaald op 19 juni 2024 en stukken konden tot 10
dagen voor de zitting worden ingediend, dus uiterlijk op 9 juni 2024. Verweerster
heeft haar bijstand al eerder, op 30 mei 2024, neergelegd. De termijn was op dat moment
dus nog niet verlopen en de verwijten op dit punt zijn daarmee ongegrond.
5.10 Het is overigens onduidelijk of verweerster op dat moment had geïnventariseerd
of, en zo ja welke, stukken nog moesten worden ingediend bij de rechtbank. Uit de
overgelegde e-mails blijkt niet dat daarover al contact was geweest tussen verweerster
en klaagsters gemachtigde. Met de beëindiging van de bijstand op 30 mei 2024 kwam
de mogelijkheid om tijdig stukken in te brengen wel in het gedrang. De raad zal daar
hierna (onder 5.14) nader op ingaan.
5.11 Klaagster verwijt verweerder verder dat er een rechtszaak is gestart met
betrekking tot de overleden moeder, voordat de zaak van de overleden vader was afgewikkeld,
terwijl dat wel eerst had gemoeten. De raad kan niet vaststellen dat verweerster een
procedure is gestart. Dat blijkt niet uit het dossier. Het lijkt erop dat mr. B de
procedures is gestart. Daarvan kan aan verweerster geen verwijt worden gemaakt. Dit
verwijt is dan ook ongegrond.
5.12 Klaagster verwijt verweerster verder dat zij opnieuw is gaan onderhandelen
met een slechter resultaat tot gevolg. Ook dit blijkt niet uit het klachtdossier.
Op 22 april 2024 heeft de advocaat van de wederpartij aan de gemachtigde van klaagster
het eerder aan mr. B gedane voorstel herhaald: de gehele opbrengst van de woning in
depot. Op 2 mei 2024 heeft verweerster aan de advocaat van de wederpartij laten weten
dat klaagster hiermee akkoord ging. De gemachtigde van klaagster heeft hierover op
8 mei 2024 kennelijk een e-mail aan de advocaat wederpartij hierover gestuurd. Verweerster
heeft daar in haar e-mail van 13 mei 2024 op gereageerd, waarbij zij schrijft dat
(ook) de wederpartij de gehele opbrengst in depot wil storten. Niet blijkt, zoals
klaagster stelt, dat verweerster alleen het bedrag van € 125.000,- in depot wilde
houden. Evenmin blijkt dat er een slechter resultaat is gerealiseerd. De klacht op
dit punt is ongegrond.
5.13 De raad is dan ook niet gebleken dat verweersters inhoudelijke bijstand
ondermaats is geweest. De klachten hierover zijn ongegrond.
Onttrekking en overdracht (klachtonderdelen 5, 6, 11 en 12)
5.14 Verweerster heeft zich op 30 mei 2024 met een kort bericht aan de gemachtigde
van klaagster onttrokken aan de zaak. Uit het bericht blijkt dat dit is gebeurd naar
aanleiding van de door de gemachtigde van klaagster ingediende klacht (van 22 mei
2024). Het is de raad duidelijk dat met die klacht sprake was van een gebrek aan vertrouwen
van klaagster in verweerster. Hoewel het beleid van DAS is dat bij een klacht de klantrelatie
wordt beëindigd, had verweerster zich niet met alleen een dergelijk beperkt bericht
aan de zaak mogen onttrekken, zeker nu sprake was van een naderende zitting (met een
termijn voor het indienen van stukken). Zij had (de gemachtigde van) klaagster uitgebreider
moeten informeren over de ontstane situatie en wat er op korte termijn moest gebeuren
in de zaak. Dat klemt temeer omdat de mogelijkheid om nog tijdig voor de zitting stukken
in te dienen met de onttrekking van verweerster verder in het gedrang kwam, ook gelet
op het feit dat te verwachten was dat overdracht (intern of extern) via DAS enige
tijd in beslag zou nemen. Verweerster heeft bij de onttrekking te weinig oog gehad
voor de belangen van klaagster. Gelet op de nadere zitting en de daarvoor geldende
termijn, had verweerster een zorgplicht in die zin dat bij onttrekking zij zich actiever
in had dienen te zetten voor tijdige dossieroverdracht. Dat overdracht meer tijd
in beslag neemt door de interne procedure van DAS, kan niet voor rekening en risico
komen van klaagster. Het lag daarom op de weg van verweerster voortvarendheid in overdracht
te betrachten door de naderende termijn. Door dit na te laten, althans onvoldoende
te waarborgen, heeft zij tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel 5
is daarmee gegrond.
5.15 Verweerster was niet gehouden een kantoorgenoot aan te dragen, zoals klaagster
haar ook lijkt te verwijten. Dit verwijt is ongegrond.
5.16 De raad kan niet vaststellen dat het dossier onvolledig en/of te laat is
overgedragen aan de nieuwe advocaat. Een van de advocaten die door DAS is benaderd,
heeft de zaak inderdaad geweigerd (zie 2.23). Het is echter niet aan verweerster te
wijten dat DAS pas op 10 juni 2024 voor het eerst een externe advocaat is gaan zoeken.
5.17 Dat verweerster de overdracht zou hebben belemmerd onder de noemer van budgettaire
beperking, is door klaagster niet verder geconcretiseerd en blijkt niet uit het dossier.
Dit verwijt is daarmee ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft bij het beëindigen van haar werkzaamheden onvoldoende oog
gehad voor de belangen van klaagster. Verweerster heeft zich onttrokken met een kort
bericht, zonder klaagster (of haar gemachtigde) te informeren over wat er op korte
termijn moest gebeuren, zoals de indiening van stukken voor de naderende zitting.
Verweerster had zich bovendien niet op deze termijn voor de zitting nog mogen onttrekken
dan wel meer voortvarendheid dienen te betrachten in de overdracht, gelet op de termijn
voor het indienen van stukken en de te verwachten tijd voor overdracht van het dossier
aan een andere advocaat. Verweerster heeft daarmee onzorgvuldig gehandeld.
6.2 De raad is van oordeel dat een zakelijke terechtwijzing op zijn plaats is.
De raad legt aan verweerster daarom de maatregel van waarschuwing op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel 5 gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, D.M. de. Knijff, H. Warendorp Torringa en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026