ECLI:NL:TADRSGR:2026:111 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-444/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:111 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-05-2026 |
| Datum publicatie: | 03-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-444/DH/RO |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 18 mei 2026 in de zaak 25-444/DH/RO
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 27 augustus 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 9 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 7 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/067 van
de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 27 augustus 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.4 Op 7 september 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 16 maart 2026. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig. Gedurende de afronding van de zitting waarin
de voorzitter enkel nog de uitspraakdatum diende aan te kondigen, heeft [klager] een
wrakingsverzoek ingediend.
1.6 Bij beslissing van 9 april 2026 (ECLI:NL:TADRAMS:2026:77) is het wrakingsverzoek
kennelijk niet-ontvankelijk verklaard door de wrakingskamer en is bepaald dat de klachtprocedure
zal worden hervat in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek
werd ingediend. Bij brief van 14 april 2026 heeft de raad het onderzoek ter zitting
gesloten.
1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 De voorzitter heeft ten onrechte geoordeeld dat het voor klagers rekening
en risico is dat hij zijn klacht niet bij de deken heeft onderbouwd. De voorzitter
miskent daarmee de cruciale context dat het dekenale onderzoek fundamenteel was gecompromitteerd
en klager werd gedwongen om blind te varen. Klagers wantrouwen richting de deken was
objectief gerechtvaardigd, wat wordt bewezen met de beslissing van de voorzitter van
het hof van discipline van 22 mei 2025. Daarbij is klagers klacht over de deken verwezen
naar de deken Gelderland. De voorzitter van het hof van discipline erkent daarmee
dat de zorgen over de partijdigheid van de deken substantieel genoeg waren om de behandeling
aan hem te onttrekken.
2.3 Klager is daarnaast de mogelijkheid ontnomen om adequaat en tijdig te reageren
op de voorstelling van zaken, omdat hij pas na zijn verzoek van 17 juni 2025 op 24
juli 2025 het volledige dossier ontving. De beslissing van de voorzitter om de andere
onderbouwing van 16 juli 2025 buiten beschouwing te laten, was onrechtvaardig en ontnam
klager de eerste reële mogelijkheid om zijn klacht voor te leggen aan een onpartijdig
orgaan.
2.4 De inhoudelijke beoordeling is daarnaast gebrekkig, omdat deze is gebaseerd
op een fundamentele misvatting van de kern van de klacht. De kern van de klacht is
niet de formele hoedanigheid van ‘patroon’, maar de verantwoordelijkheid die verweerder
vanuit zijn positie als dominus litis had. De voorzitter heeft volstaan met een enkele,
niet gemotiveerde mededeling dat het haar ook verder niet is gebleken dat verweerder
als procesadvocaat dan wel sparringpartner tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Dat is geen onderbouwde conclusie, maar een constatering die de kern van de klacht
negeert en waardoor een zorgwekkend precedent wordt gecreëerd. De positie van de procesadvocaat
als centraal aanspreekpunt voor de cliënt wordt daardoor volledig uitgehold.
2.5 Tegen de vaststaande feiten komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen, moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen. Anders dan klager van mening is, zorgt het indienen van een klacht tegen een
deken er niet voor dat deze geen onderzoek (meer) mag doen naar een tuchtklacht tegen
tot zijn arrondissement behorende advocaat (vergelijk HvD 2 april 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:93).
De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en rekening gehouden
met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, voor zover deze binnen
de kaders van de goede procesorde naar voren zijn gebracht. Gesteld noch gebleken
is dat het dossier onvolledig is. De voorzitter heeft ook een oordeel gegeven over
verweerders handelen als procesadvocaat, zoals volgens klager de kern van zijn klacht
is. Er hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. F.G.L. van Ardenne en W.R. Arema,
leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare
zitting van 18 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 18 mei 2026