ECLI:NL:TADRSGR:2026:104 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-690/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:104 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-05-2026 |
| Datum publicatie: | 19-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-690/DH/RO |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 mei 2026
in de zaak 25-690/DH/RO
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 10 december 2025 op de klacht van:
[...] B.V.
klaagster
gemachtigde: [C]
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 16 april 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 9 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/094
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 10 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze
beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 4 januari 2026 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 16 maart 2026. Daarbij
was de gemachtigde van klaagster aanwezig. Verweerster is – met bericht van afwezigheid
– niet ter zitting verschenen.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de op 1 maart 2026 ontvangen
stukken van de zijde van klaagster.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klaagster stelt dat kennelijke ongegrondverklaring volgens vaste tuchtrechtspraak
niet passend is als sprake is van betwiste feiten, de beoordeling een normatieve afweging
vergt, of de klacht raakt aan de grenzen van professioneel handelen van de advocaat.
De voorzitter heeft miskend dat deze zaak voldoet aan al deze criteria. Klaagster
stelt verder dat sprake is van een onjuiste maatstaf en een onjuiste en onvolledige
feitenvaststelling en dat er geen toetsing van proportionaliteit en subsidiariteit
heeft plaatsgevonden. Ook heeft de voorzitter onvoldoende gemotiveerd waarom geen
sprake is van grievende uitlatingen.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet
(verder) niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Het is
de raad duidelijk dat sprake is van bijzondere medische omstandigheden aan de zijde
van de gemachtigde van klaagster. De raad is echter met de voorzitter van oordeel
dat niet kan worden vastgesteld dat verweerder eerder dan 8 maart 2025 op de hoogte
was van die bijzondere omstandigheden. Verweerder was niet verplicht om het beroep
op overmacht van klaagster te honoreren. Daarnaast voert klaagster een B.V. en is
gespecialiseerd in incassowerkzaamheden. De raad gaat er dan ook vanuit dat de gemachtigde
van klaagster weet wat een schikking is en wat de gevolgen daarvan zijn. Dat (de gemachtigde
van) klaagster zich geïntimideerd voelde bij het aangaan van die schikking, kan daar
niet aan afdoen. De raad volgt de voorzitter dan ook in het oordeel dat verweerder
de belangen van klaagster niet onevenredig heeft benadeeld. Daarmee hoeft in redelijkheid
niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. W.R. Arema en F.G.L. van Ardenne, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 13 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 mei 2026