ECLI:NL:TADRARL:2026:63 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-106/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:63
Datum uitspraak: 09-03-2026
Datum publicatie: 10-03-2026
Zaaknummer(s): 26-106/AL/GLD
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: voorzittersbeslissing. Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht over verweerder omdat hij te laat heeft geklaagd. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is de voorzitter niet gebleken.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 9 maart 2026

in de zaak 26-106/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 9 februari 2026 met kenmerk K 25/107.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager is in een civiel geschil bijgestaan door een advocaat. De wederpartij van klager is bijgestaan door verweerder.

1.2 In 2019 heeft een mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.

1.3 Op 21 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

zich onnodig grievend over klager uit te laten tijdens een zitting in 2019 door hem “oplichter” te noemen en daarmee valselijk te beschuldigen.

3 VERWEER

Verweerder voert aan dat klager te laat heeft geklaagd en niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de klacht. 

4 BEOORDELING

4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

4.2 Het handelen van verweerder waarop de klacht ziet, is het doen van vermeende grievende uitlatingen over klager tijdens een openbare civiele zitting in 2019. De in artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet genoemde termijn is dan ook in ieder geval eind 2019 aangevangen. De klacht is echter pas op 21 juli 2025 door klager bij de deken ingediend en daarmee ruim buiten de genoemde termijn van drie jaar.

4.3 Klager heeft echter aangevoerd dat hij de klacht niet eerder kon indienen. Hij is na het incident in de zittingszaal in 2019 in een depressie en bedlegerig geraakt. Die depressie duurt nog altijd voort. Klager wist pas kort voor juli 2025 dat hij ook zelf een klacht bij de deken kon indienen en is van mening dat hij tijdig heeft geklaagd.

4.4 Naar het oordeel van de voorzitter slaagt dit beroep van klager op de verschoonbare termijnoverschrijding van artikel 46g lid 2 Advocatenwet niet. Uit de klachtbrief van klager volgt dat hij enkele dagen na het vermeende incident op de zitting in 2019 daarover met zijn toenmalige advocaat heeft gesproken. Volgens klager heeft zijn toenmalige advocaat tegen hem gezegd de vermeende uitlatingen van verweerder klachtwaardig te vinden, maar niet bereid te zijn om klager daarin bij te staan. Vast staat dat klager dus kort na de zitting in 2019 bekend was met het mogelijk klachtwaardig handelen door verweerder. Vanaf dat moment had klager drie jaar de tijd om de klacht bij de deken in te dienen of namens hem te laten indienen. Dat hij dat toen om hem moverende redenen niet heeft gedaan, blijft voor zijn risico.  

4.5 Nu verder van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verschoonbaar zou kunnen zijn dat de klacht buiten de termijn is ingediend niet is gebleken, is de klacht op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de voorzitter dus niet meer toe. 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.

Griffier                                                                     Voorzitter

Verzonden op: 9 maart 2026