ECLI:NL:TADRARL:2026:62 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-081/AL/NN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:62
Datum uitspraak: 09-03-2026
Datum publicatie: 10-03-2026
Zaaknummer(s): 26-081/AL/NN
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: voorzittersbeslissing. Klacht over bestuurder van een kantoor. Verweerster was op de achtergrond op de hoogte van de weigering van een kantoorgenoot om wegens betalingsachterstand van klagers op grond van het kantoorbeleid op enig moment haar opdracht neer te leggen. Ook was verweerster als bestuurder op de hoogte van de gang van zaken bij de klachtenfunctionaris. Verweerster heeft naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige wijze gehandeld richting klagers. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 9 maart 2026

in de zaak 26-081/AL/NN

naar aanleiding van de klacht van:

  1.  
  2.  

samen ook: klagers

over

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 30 januari 2026 met kenmerk 2025 KNN101 / 2526007 .

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klagers, een holding en een privé persoon, zijn verwikkeld in een civiele procedure. Na onttrekking op 20 augustus 2024 van hun advocaat in eerste aanleg hebben klagers zich op 9 september 2024 tot mr. H gewend.

1.2 Mr. H is een kantoorgenoot van verweerster. Verweerster is tevens bestuurder van het advocatenkantoor. 

1.3 Op 13 september 2024 heeft mr. H de opdracht aan klagers bevestigd. Omdat haar voorganger zich had onttrokken zonder conclusie van antwoord te nemen, heeft mr. H geprobeerd om alsnog een conclusie van antwoord te mogen nemen. De rechtbank heeft dat niet toegestaan en heeft op 30 oktober 2024 vonnis gewezen. Het vonnis van 30 oktober 2024 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De wederpartij van klagers heeft daarna beslag gelegd op diverse banksaldi (zakelijk en privé), een auto en een deel van de AOW-uitkering van klager in privé (klager 2).

1.4 Mr. H heeft namens klagers tijdig hoger beroep ingesteld. Op 18 februari 2025 heeft haar kantoor het door klagers verschuldigde griffierecht van € 6.803,- aan het gerechtshof voorgeschoten. De zaak stond op de rol voor 27 mei 2025 voor een memorie van grieven.

1.5 Op 14 april 2025 heeft mr. H een declaratie (251266) aan klagers gestuurd voor een bedrag van € 8.137,03.

1.6 In een e-mail van 24 april 2025 hebben klagers aan mr. H. geschreven

Ik zwem nog rondjes en zie niet hoe ik moet beginnen. Ik begrijp de procedure. Mag ik voorstellen dat je de memorie van grieven opstelt en aangeeft welke ontbrekende feiten ik nog moet toevoegen. (…)

Ik kan je declaraties niet voldoen en ontvang op dit moment geen volledige AOW omdat op een deel daarvan beslag ligt (…) Met pijn en moeite heb ik je vorige declaraties nog kunnen voldoen. (…) Ik leeft sober maar de rek is eruit. Ik kan maandelijks € 1 nog wel missen ….

1.7 In reactie hierop heeft mr. H klagers gemeld haar werkzaamheden te zullen staken als de declaratie niet wordt betaald en gewezen op het kantoorbeleid bij wanbetaling.

1.8 Op zondag 11 mei 2025 hebben klagers bij het kantoor van verweerster geklaagd. Mr. Van S heeft die klacht in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris van het kantoor in behandeling genomen en heeft klagers uitgenodigd voor een gesprek om tot een oplossing te komen. Dit gesprek heeft op 14 mei 2025 plaatsgevonden in aanwezigheid van klager 2, mr. H en mr. Van S als klachtenfunctionaris.

1.9 In de e-mail van 15 mei 2025 om 10:52 uur: heeft mr. Van S aan klager 2 de op 14 mei 2025 gemaakte afspraken als volgt bevestigd: 

Ik heb toegelicht dat in de eerste plaats de vraag voorligt of mr [H] als uw belangenbehartiger nog uw vertrouwen geniet. Dat is immers een randvoorwaarde voor enige vervolgwerkzaamheid. U heeft aangegeven en toegelicht dat de aanleiding tot een klacht als zodanig uitsluitend ziet op de huidige, in uw ogen acute en ook tijdelijke onmogelijkheid om te betalen. Oorzaak is de gelegde beslagen, en dientengevolge uw beperkte resterende inkomsten op dit moment. Met mr [H] heeft u altijd een goed en constructief contact gehad.(…)

  1. Ik heb toegelicht dat mr [H] inderdaad te maken heeft met een kantoor beleid dat – kort gezegd – inhoudt dat werkzaamheden dienen te worden opgeschort c.q. gestaakt indien nota’s niet voldaan worden en dat een feitelijke – acute – onmogelijkheid aan uw zijde als zodanig niet “voor rekening van kantoor” dient of hoeft te komen. Tegelijk hebben we gezamenlijk vastgesteld dat u eerdere nota’s wel steeds prompt voldeed, tot aan de beslaglegging. (…)
  2. Het voorgaande was aanleiding om “vooruit te kijken”. Mr. [H] hervat haar werkzaamheden waar het het opstellen van de memorie van grieven betreft. Een voorzichtige raming brengt mee dat daar circa 10 uur (€ 2.500,= exclusief btw) aan honorarium mee gemoeid zal zijn. Onvoorziene bijkomende werkzaamheden daarvan uitgezonderd. U noemde dat "geen enkel probleem" en uiteraard dienen ook volgens u de griffierechten ad circa € 6.800,= - welke kantoor heeft voorgeschoten - spoedig/zo spoedig mogelijk te worden voldaan. Overige werkzaamheden worden tot een noodzakelijk minimum beperkt. (…)
  1. Kortom: qua indiening van de memorie van grieven op de rolzitting van 27 mei a.s. zijn heldere afspraken gemaakt. De – acute – termijn is daar mee “gedekt”. Ook is helder dat vervolgens sprake moet zijn van volledige betaling van openstaande nota’s alvorens opnieuw werkzaamheden van enige omvang worden verricht. Daarbij is besproken dat dit in het uiterste geval kan inhouden dat mr [H] alsnog haar werkzaamheden staakt tijdens het verdere verloop van het hoger beroep indien betaling uitblijft. (…)

1.10 Mr. H heeft haar werkzaamheden hervat en op 27 mei 2025 de memorie van grieven genomen.

1.11 Op 18 juli 2025 om 15:20 uur: heeft mr. H aan klagers, met mr. Van S in de CC, het verzoek tot uitstel van de wederpartij doorgestuurd en in haar begeleidende e-mail geschreven:

Dit uitstelverzoek van de wederpartij is in mijn vakantie binnengekomen. De datum voor de memorie van antwoord is nu 5 augustus 2025. Hoogstwaarschijnlijk wordt daarna een mondelinge behandeling gepland.

Afgesproken is dat ik geen nieuwe werkzaamheden van omvang zal verrichten voordat de openstaande bedragen zijn voldaan, onverminderd de afspraak dat jij zo snel mogelijk een substantiële betaling zou verrichten. Ik ontvang daarom van jou graag opnieuw een update en wijs er volledigheidshalve op dat indien betaling uitblijft ik zoals afgesproken alsnog mijn werkzaamheden neer moet leggen.

1.12 Op 15 september 2025 hebben klagers een aansprakelijkstelling ter attentie van de directie van het advocatenkantoor van verweerster gestuurd. Klagers hebben hierin verder gemeld dat zij klachten tegen twee aan het kantoor verbonden advocaten, mrs. Van S en H, hebben ingediend en ook hen aansprakelijk hebben gesteld. De directie is door klagers gemachtigd om kennis te nemen van hun dossier. Verder hebben klagers geschreven:

De problemen spitsen zich toe op het feit dat ik door de beslagen momenteel niet in staat ben om de declaraties te betalen waardoor mw. [H] meent haar werk te kunnen neerleggen hoewel zij debet is aan de oorzaak ervan. Ik acht haar goed in staat om mijn belangen in de hoger beroep zaak te verdedigen en ga niet akkoord met het neerleggen van haar werkzaamheden.

1.13 De klacht van klagers over mr. Van S is bij de raad bekend onder zaaknummer 26‑080/AL/NN. De klacht van klagers over mr. H is bij de raad bekend onder zaaknummer 26-082/AL/NN.

1.14 In een e-mail van 17 september 2025 om 14:31 uur heeft verweerster, in haar hoedanigheid van bestuurder van het advocatenkantoor, de ontvangst van de brief van 15 september 2025 bevestigd. Zij heeft klagers meegedeeld dat melding is gedaan van de aansprakelijkstelling bij de verzekeraar. Verder heeft verweerster geschreven:

De werkzaamheden vanuit [naam advocatenkantoor] zijn definitief beëindigd, zoals mr. [H] u al eerder vandaag berichtte. Ik verwijs u naar haar e-mail van 11.29 uur voor het vervolg.

1.15 Op 21 september 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerster. Eveneens op 21 september 2025, om 21:15 uur, hebben klagers aan verweerster onder meer geschreven:

Uw e-mail van 17 september 2025 om 14.31 uur gaat volkomen voorbij aan de ernst van de situatie. Kennelijk heeft U, als bestuurder, niet de moeite genomen om kennis te nemen van de feiten. Dat blijkt ook uit de snelheid van Uw handelen. Mijn aangetekende brief van 15 september 2025 ontving U op de 16e. Gelet op de hoeveelheid documenten heeft U ze waarschijnlijk in het geheel niet gelezen.

Uit de e-mail van de heer [Van S] van 20250515 om 10.59, punt 4:

“Het voorgaande was aanleiding om “vooruit te kijken”. Mr [H] hervat haar werkzaamheden waar het het opstellen van de memorie van grieven betreft. Een voorzichtige raming brengt mee dat daar circa 10 uur (€ 2.500,= exclusief btw) aan honorarium mee gemoeid zal zijn.”

Uit mijn e-mail van 11 augustus 2025 om 00.01 uur aan de heer [Van S]:

1. De aansprakelijkheidsstelling, zowel van [naam advocatenkantoor] als van de heer [Van S].

2. Naar mijn inschatting zullen de verdere kosten die nog nodig zijn circa € 1.000 bedragen en betreffen de voorbereiding en mondelinge behandeling ter zitting.

3. Deze kosten lijken mij te overzien en zijn niet in verhouding met de belangen.

4. De betaling van mijn schuld aan [naam advocatenkantoor] volgt direct na de opheffing van de beslagen.

5. In voornoemde e-mails bood ik aan over de bedragen de (wettelijke) rente te voldoen.

Uw getoonde minachting is de reden dat ik een klacht over U indien (…).

1.16 Mr. H heeft zich op 1 oktober 2025 als advocaat van klagers onttrokken aan de procedure in hoger beroep.

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

zich als bestuurder van het kantoor minachtend jegens klagers op te stellen en de besluiten van haar kantoorgenoten, mrs. Van S en H, niet te herroepen terwijl zij zich niet (volledig) op de hoogte stelde van de gebeurtenissen en niet inhoudelijk op de materie was ingegaan.

Toelichting: De e-mail van 17 september 2025 om 14.31 uur van verweerster gaat volkomen voorbij aan de ernst van de situatie, zoals klager haar ook in zijn e-mail van 21 september 2025 heeft geschreven. Verweerster had de mogelijkheid om de besluiten van  mrs. Van S en H te herroepen en 'normaal' verder te gaan met de procedure maar heeft dat helaas nagelaten.

3 VERWEER

3.1 Als bestuurder van het advocatenkantoor, waar ook mrs. Van S en H werken, heeft verweerster een aantal portefeuilles waarop zij toezicht houdt, waaronder de portefeuille debiteurenbeheer en kantoorklachten. Dit toezicht houdt in dat zij tweewekelijks met het managementteam van kantoor de diverse portefeuilles bespreekt en op de hoogte wordt gehouden van de stand van zaken. Zo viel in de maand mei 2025 op dat een debiteur van mr. H, klager 1, achterbleef in de betaling van de declaratie waarbij het griffierecht voor een bedrag van € 6.803,- in rekening was gebracht.

3.2 De betaling van dergelijke facturen heeft haar speciale aandacht omdat het griffierecht wordt voorgeschoten door kantoor, via de rekening-courantverhouding met het gerechtshof. Zij heeft daarover contact gehad met mr. H, onder andere vanwege het debiteurenbeleid waarin is opgenomen dat wanneer facturen niet worden betaald en er geen passende regeling kan worden getroffen, de behandelend advocaat de werkzaamheden moet neerleggen.

3.3 Mr. H heeft, zo geeft zij zelf ook aan, contact opgenomen met klagers en getracht met hen een regeling te treffen. Toen dit niet mogelijk bleek, heeft zij aangekondigd haar werkzaamheden neer te leggen. De klachtenfunctionaris van kantoor, mr. Van S, ontving toen een klacht van klagers over de dienstverlening door mr. H. Op 14 mei 2025 is hierover in bijzijn van de klachtenfunctionaris met klagers en mr. H gesproken. Als bestuurder was verweerster daarvan op de hoogte. Ook was zij op de hoogte van de toen met klagers gemaakte afspraken, namelijk dat klagers na het indienen van de memorie van grieven tot betaling zouden overgaan. Zou betaling uitblijven dan zou mr. H haar werkzaamheden opschorten. Dit is conform het debiteurenbeleid van kantoor en verweerster staat daar dan ook geheel achter.

3.4 Verweerster is nadien van alle stappen en e-mailcorrespondentie en klachten op de hoogte gehouden en heeft meegelezen met de beoogde reacties en heeft diverse keren met de betrokken kantoorgenoten inhoudelijk overleg gevoerd.

3.5 Op 16 september 2025 heeft zij als bestuurder de aansprakelijkstelling van klagers ontvangen. Op 17 september 2025 heeft zij daarop gereageerd en daarin ook verwezen naar de e-mail van mr. H met daarin het vervolg: haar onttrekking per 1 oktober 2025. Verweerster was ten tijde van die reactie volledig op de hoogte en betrokken bij het dossier van klagers, zoals hiervoor geschetst. Van een overhaaste reactie was geen sprake.

3.6 Verweerster wijst erop dat de klacht haar treft in een andere hoedanigheid dan die van advocaat. Als advocaat-leidinggevende is men op geen enkele wijze verplicht inhoudelijk op de klachten van een cliënt over de advocaat-medewerker zelf te reageren. Het uitgangspunt is dat de advocaat die een zaak behandelt zelf verantwoordelijk is voor de wijze waarop hij dat doet. De advocaat hoort onafhankelijk te zijn zowel ten opzichte van de cliënt en derden, als ten opzichte van zijn werkgever in het geval van loondienst. De werkgever moet de advocaat-werknemer die ruimte geven.

3.7 Om die reden kan verweerster als bestuurder van kantoor geen verwijt worden gemaakt. Ook feitelijk treft de klacht geen doel. Verweerster was immers achter de schermen nauw betrokken bij het dossier van klagers en heeft op zorgvuldige wijze als bestuurder gehandeld.

4 BEOORDELING

4.1 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

4.2 De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

4.3 In het onderhavige geval trad verweerster op als advocaat-bestuurder van het kantoor waar mrs. Van S en H als advocaten werkzaam zijn.

4.4 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster haar taak als bestuurder van het kantoor op zorgvuldige wijze uitgevoerd. Op 17 september 2025 heeft zij gereageerd op de brief van klagers van 15 september 2025 en daarin gemeld, zoals van een advocaat ook wordt verwacht, dat van de aansprakelijkstelling van het kantoor melding is gedaan bij de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Verweerster heeft in dezelfde e-mail verwezen naar de inhoud van de e-mail van die dag van de advocaat van klagers, mr. H. Verweerster kon naar het oordeel van de voorzitter met die verwijzing volstaan, omdat een beslissing tot onttrekking aan een zaak van een cliënt de eigen keuze en verantwoordelijkheid van die advocaat is; niet van het bestuur van een advocatenkantoor.

4.5 Verweerster heeft aannemelijk gemaakt dat zij vanaf mei 2025 op de achtergrond als bestuurder van het kantoor op de hoogte was van de situatie tussen klagers en de advocaten mrs. H en Van S over de mogelijke stopzetting van de werkzaamheden door mr. H  wegens de betalingsachterstand van klagers. Hieruit volgt dat verweerster op basis van de haar bekende achtergrondinformatie binnen een dag inhoudelijk kon reageren op de brief van klagers van 15 september 2025 zoals zij dat heeft gedaan. Van enige minachtende houding van verweerster jegens klagers is de voorzitter niet gebleken.

4.6 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster met haar handelen als bestuurder van het advocatenkantoor het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschaad en tuchtrechtelijk dus niet verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht worden dan ook kennelijk ongegrond verklaard.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M. Jansen , plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.  M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.

Griffier                                                                     Voorzitter

Verzonden op: 9 maart 2026