ECLI:NL:TADRARL:2026:61 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-887/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:61 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2026 |
| Datum publicatie: | 10-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-887/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | voorzittersbeslissing over de advocaat van de wederpartij van klager. Niet is gebleken van grievende uitlatingen, schending vertrouwelijkheid of onvoldoende professionele distantie van verweerder. Deels kennelijk niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 9 maart 2026
in de zaak 25-887/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 19 december 2025 met kenmerk 2482971.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Tussen klager en zijn ex-partner is de zorgregeling tussen klager en de minderjarige dochter D onderwerp van geschil. Verweerder is hierbij als de advocaat van de ex-partner betrokken.
1.2 In een e-mail van 12 juli 2024 heeft verweerder aan klager, in CC aan zijn cliënte, onder meer geschreven:
U bent vader van [D]. U bent uitgenodigd voor de Jeugdbeschermingstafel (JBT) die dinsdag jl. plaatsvond. U bent niet verschenen.
Een JBT wordt niet voor niets gehouden. Al langere tijd gaat het niet goed met [D]. U heeft als vader met gezag een verantwoordelijkheid om te pogen om een en ander in goede banen te leiden samen met cliënte/moeder.
U heeft een eigen visie op opvoeding en verzorging, zo is de afgelopen jaren wel gebleken. Dat blijkt ook uit het verzoek tot bespreking, want dat was de agenda voor de JBT.
Een uitnodiging van cliënte dat u (eventueel met uw eigen adviseur/advocaat) bij mij op kantoor de problematiek te bespreken, heeft u afgewezen. U heeft nadien wel gedreigd een kort geding te starten. Een dergelijke reactie geeft blijk van weinig realiteitszin.
Het is de afgelopen jaren u en cliënte niet gelukt structuur te krijgen in de zorgregeling. Uw gedachte dat u en cliënte de zorgregeling zonder hulpverlening nu wel binnen korte tijd kunnen laten herleven, is niet reëel.
Uw afwezigheid bij de JBT, leidt er direct toe dat de Raad voor de Kinderbescherming een beschermingsonderzoek zal doen. Dat onderzoek zal pas in september/oktober 2024 van start kunnen gaan. Al die tijd blijft hulpverlening voor [D] uit, waardoor zij wordt gedupeerd. Welk belang heeft u om te beletten dat [D] de hulp krijgt die zij nodig heeft? Realiseert u zich wel dat die hulpverlening mede tot doel heeft om de zorgregeling te herstellen?
Om de een of andere reden wijst [D] contact met u af. Dat heeft een reden en dat is verdrietig. Die reden negeren, brengt geen oplossing.
Daarom nogmaals de vraag of u alsnog een akkoord kunt geven op de aanmelding voor begeleide omgang, voor ouderschapsbemiddeling en IPT bij moeder thuis? (…)
1.3 Bij tussenbeschikking van 3 januari 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland (hierna ook: de rechtbank) bepaald dat er een nader onderzoek moet komen. Naast het beschermingsonderzoek moet onderzoek worden gedaan naar de best mogelijke zorgregeling en naar de vraag of klager zijn gezag kan behouden. Verder heeft de rechtbank bepaald dat klager iedere twee weken door de ex-partner geïnformeerd moet worden over hoe het met de minderjarige gaat met ook een maandelijkse toezending aan klager van een recente foto van de minderjarige.
1.4 Op 27 januari 2025 heeft verweerder aan zijn cliënte een e-mail gestuurd. Verweerder heeft zijn cliënte in die e-mail gecomplimenteerd met de invulling van haar informatieplicht richting klager. Daarnaast heeft verweerder zijn cliënte herinnerd aan betaling van een nog openstaande factuur van 27 december 2024 en die factuur met specificatie bijgevoegd. Verweerder heeft deze e-mail met bijlagen abusievelijk ook aan klager gestuurd.
1.5 Op 28 maart 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.6 Op 17 april 2025 heeft bij de rechtbank een mondelinge plaatsgevonden over het gezag en de zorgregeling tussen klager met de minderjarige.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
- zich in de e-mail van 12 juli 2024 onnodig grievend over klager uit te laten en daardoor in strijd met gedragsregel 7 te handelen;
- de vertrouwelijkheid te schenden en daardoor in strijd met gedragsregel 3 te handelen;
- het vertrouwen in de advocatuur te schaden;
- zich onprofessioneel te gedragen tijdens de zitting op 17 april 2025 met de intentie om klager onder druk te zetten.
3 VERWEER
De voorzitter zal hierna bij de beoordeling op het verweer van verweerder ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
4.2 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.3 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, het verloop van het geschil tot dan toe en de kans op succes van de procedure afwegen.
4.4 De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a); onnodig grievende uitlatingen?
Toelichting klager
4.5 Volgens klager zijn de negatieve toonzetting en de door verweerder in zijn e-mail gemaakte opmerkingen als “Uw reactie geeft blijk van weinig realiteitszin” en “Welk belang heeft u om te beletten dat [dochter] de hulp krijgt die ze nodig heeft?” niet professioneel, confronterend en niet oplossingsgericht. Door klager ten onrechte te beschuldigen van het opzoeken van de confrontatie en het moedwillig schaden van de belangen van zijn dochter, heeft verweerder bijgedragen aan een verslechterde verstandhouding tussen partijen wat tot negatieve gevolgen voor de minderjarige heeft geleid.
Verweer verweerder
4.6 Verweerder betwist zich in de e-mail of op andere momenten grievend over klager te hebben uitgelaten. Klager haalt de door hem genoemde zinnen uit de context van de rest van de e-mail en miskent wat voorlag aan de Jeugdbeschermingstafel en wat er in de twee jaren daarvoor tussen partijen is gebeurd. Zijn e-mail was volgens verweerder ook nodig omdat zijn cliënte daarmee aan klager om zijn toestemming vroeg voor het starten van therapie voor hun dochter. Dit was ook in de hoop dat daardoor kansen voor contactherstel tussen vader en dochter zouden ontstaan.
Beoordeling voorzitter
4.7 Alhoewel de gebruikte bewoordingen door klager als vervelend kunnen zijn ervaren, is het gebruik daarvan door verweerder naar het oordeel van de voorzitter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar geweest. De bedoelde bewoordingen kunnen naar het oordeel van de voorzitter in objectieve zin niet als grievend worden gekwalificeerd en zijn door verweerder bovendien met een doel gebruikt, met oog voor de belangen van klager. Verweerder heeft hiermee dan ook niet de grenzen overschreden van de vrijheid die hij als advocaat van de wederpartij had, en dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel a) zal kennelijk ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel b); vertrouwelijkheid geschonden?
Toelichting klager
4.8 Op 27 januari 2025 heeft klager een e-mail met factuur en urenspecificatie van verweerder ontvangen, die voor zijn ex-partner was bedoeld. Volgens klager is dit ernstig onzorgvuldig handelen van verweerder geweest. In de e-mail en bijlagen stonden vertrouwelijke - concrete financiële en administratieve - gegevens van de cliënte van verweerder. Verweerder heeft daardoor niet alleen de belangen van zijn cliënte geschaad, maar ook bijgedragen aan verdere escalatie tussen partijen omdat de toch al precaire zorgregeling verder onder druk is komen te staan. Dat het een vergissing van verweerder was, doet niet af aan de objectieve plicht tot vertrouwelijkheid van een advocaat.
Verweer verweerder
4.9 Verweerder betreurt dat hij de e-mail aan zijn cliënte met factuur en specificatie bij vergissing ook aan klager heeft gestuurd. Van schending van vertrouwelijkheid van klager is daardoor geen sprake geweest, althans niet voor wat betreft de inhoud van de zaak, aldus verweerder. Niet valt in te zien hoe klager daardoor in zijn belangen is geschaad.
Beoordeling voorzitter
4.10 Voor zover klager zich erover beklaagt dat verweerder de vertrouwelijkheid van zijn cliënte heeft geschonden, is de voorzitter van oordeel dat alleen de cliënte zich daarover kan beklagen en klager in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk is in dit verwijt. Indien klager (ook) bedoelt te klagen over schending van zijn vertrouwelijkheid door verweerder, dan volgt de voorzitter klager daar niet in. Klager heeft niet concreet gemaakt welke vertrouwelijke informatie door verweerder is geschonden en op welke wijze klager daardoor in zijn belangen is geschaad.
4.11 Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder in deze tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel b) wordt deels kennelijk niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond verklaard, zoals hiervoor overwogen.
Klachtonderdeel c); heeft verweerder het vertrouwen in de advocatuur geschaad en escalatie van het geschil veroorzaakt?
Toelichting klager
4.12 Een advocaat dient respectvol om te gaan met procespartijen, ook als deze de wederpartij vertegenwoordigt. De afwezigheid van enige zelfreflectie, in combinatie met de framing van klager als irrationeel of beschadigd, roept volgens klager ernstige vragen op over zijn professionele attitude en leidt tot onnodige escalatie van een geschil ten nadele van klager.
Verweer verweerder
4.13 Verweerder betwist dat zijn handelwijze en zijn e-mails zouden hebben bijgedragen aan een verdere escalatie van een reeds beladen familiezaak van klager.
Beoordeling voorzitter
4.14 Dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad en met zijn handelen escalatie van het geschil heeft veroorzaakt, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Klager maakt dit verwijt bovendien ook onvoldoende concreet. Dit leidt ertoe dat de voorzitter niet kan vaststellen dat verweerder in deze tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel c) zal dan ook kennelijk ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel d); was sprake van onprofessioneel gedrag van verweerder tijdens de zitting?
Toelichting klager
4.15 Op 17 april 2025 heeft verweerder in de zittingszaal, in aanwezigheid van de rechter, klager, zijn cliënte en andere aanwezigen, melding gemaakt van het feit dat klager een tuchtklacht tegen verweerder had ingediend. Hij deed dit volgens klager op een wijze die afkeurend en ontmoedigend overkwam, met een ondertoon van persoonlijke afwijzing. Door deze tuchtklacht in te brengen in een gerechtelijke procedure die daar niet over ging, heeft verweerder getracht de legitimiteit van klagers klacht ter discussie te stellen en klager onder druk te zetten. Dit gedrag is in strijd met de vereiste 'professionele distantie', aldus klager.
Verweer verweerder
4.16 Verweerder heeft in zijn verweer toegelicht dat hij tijdens de zitting de door klager tegen hem ingediende tuchtklacht op neutrale wijze heeft benoemd, omdat zijn cliënte daarom had gevraagd. Zij zag daarin een patroon van klager en wilde dat onder de aandacht van de rechter brengen.
Beoordeling voorzitter
4.17 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder aannemelijk gemaakt welk belang hij had om de tuchtklacht tijdens de zitting te vermelden. Dit was niet per definitie onnodig. Voor zover klager ook klaagt over de reactie van verweerder in deze tuchtprocedure is de voorzitter van oordeel dat het een beklaagde advocaat vrij staat om zich te verweren tegen een klacht. Uit de stukken is de voorzitter niet gebleken dat verweerder hierbij de betamelijkheidsgrenzen heeft overschreden. Klachtonderdeel d) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, deels kennelijk niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond, zoals in 4.10 en 4.11 is overwogen;
de overige klachtonderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 maart 2026