ECLI:NL:TADRARL:2026:60 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-797/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:60 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2026 |
| Datum publicatie: | 10-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-797/AL/GLD |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over de advocaat van de wederpartij in een langdurig erfrechtelijk geschil. Na een deels uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is verkoop van een onroerende zaak uit de nalatenschap bevolen met benoeming van een rentmeester voor de verkoop en zo nodig machtiging tot verkoop op basis van dat vonnis bij uitblijven toestemming van de cliënt van verweerder. Die cliënt heeft hoger beroep ingesteld. Verweerder heeft daarna de rentmeester schriftelijk gewezen op de gevolgen van de verkoop tegen de kennelijke wil van zijn cliënt. De rentmeester heeft daarna de verkoop opgeschort totdat partijen overeenstemming hadden bereikt. Naar het oordeel van de raad stond het verweerder vrij om als partijdige belangenbehartiger zijn brieven aan de rentmeester te sturen. De advocaat van klager kon daarop reageren, en heeft dat ook gedaan. Van een dreigende toonzetting is geen sprake geweest. Dat is zo ook niet door de rentmeester opgevat. De beslissing van de rentmeester kan verweerder tuchtrechtelijk niet worden verweten. Ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 9 maart 2026
in de zaak 25-797/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 19 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 18 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 25/31 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen uit van de volgende feiten.
2.1 Op 8 januari 2020 is de heer J overleden (hierna: erflater). De broer van erflater, de neef van erflater - klager - en de nicht van erflater zijn de erfgenamen. Tot de nalatenschap behoort onder meer een woning met landbouwgrond (hierna verder: het onroerend goed).
2.2 De erfgenamen zijn in procedures verwikkeld geraakt over de verkoop van het onroerend goed van erflater en de erfgrenzen. Verweerder heeft daarin de broer van erflater (hierna ook: de broer) bijgestaan.
2.3 Bij tussenvonnis van 16 augustus 2023 heeft de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, (hierna: de rechtbank) onder meer geoordeeld over de grenzen van het onroerend goed.
2.4 Bij - deels uitvoerbaar bij voorraad verklaard - vonnis van 19 juni 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat het onroerend goed uit de nalatenschap verkocht mag worden. Ook is overwogen:
3.9 Op de vorderingen van [klager] zal gelet op het in het vonnis van 16 augustus 2023 en het hiervoor overwogene worden beslist als hierna volgend. Daarbij is in aanmerking genomen dat [de broer] en [de nicht van erflater] geen bezwaren hebben geuit tegen de vordering van [klager] om te bepalen dat het perceel wordt verkocht door bemiddeling van [N en Partners]. Gelet op de houding van [de broer] in deze procedure ziet de rechtbank tevens grond om te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van door [de broer] te verlenen medewerking aan de opdracht aan [N en Partners] en aan de verkoop en eigendomsoverdracht van het perceel.
Verweerder heeft namens zijn cliënt hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
2.5 Op 31 juli 2024 heeft verweerder aan N en Partners onder meer geschreven:
Cliënt heeft vernomen dat u de opdracht tot verkoop van [het onroerend goed] heeft aangenomen.
Dit is tegen zijn kenbare wil. Kenbaar, omdat het hier gaat om zgn. reële executie (het vonnis van de rechter treedt in de plaats van de rechtshandelingen van cliënt) en vaststaat dat cliënt u niet heeft (mede)ingeschakeld.
Cliënt is het hier niet mee eens en wijst erop dat hij ook uw opdrachtgever is geweest in de onderliggende kwestie en dat de verkoopopdracht niet strookt met zijn belang. In de eerste plaats niet, omdat de onroerende zaak onverkort behept is met een erfgrensgeschil waarover momenteel geprocedeerd wordt - dit is in zowel het rechtsmiddelenregister van de rechtbank Gelderland als in de openbare registers van het Kadasters ingeschreven -; de omvang van de onroerende zaak staat dus niet vast. En in de tweede plaats niet, omdat de onroerende zaak in de huidige staat (van onder andere overbouw) naar de mening van cliënt a fortiori minder opbrengt. Hij verwijst hiervoor naar het door u uitgebrachte rapport en uw aanvullende brief d.d. 18 mei 2022.
Door de opdracht aan te nemen en uit te voeren, benadeelt u cliënt derhalve. Naar zijn mening staat u dat niet vrij en verwijst hiervoor naar de Gedragsregels NVR, zoals bedoeld in artikel 3 daarvan.
Dat de (civiele) rechter de eis van [klager] terzake – de inschakeling van [N en Partners] derhalve - heeft ingewilligd, maakt naar de mening van cliënt niet dat u nu tegen zijn belangen in kunt handelen. Bovendien wordt dat vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bestreden door hem: de beslissing van de rechter in de rechtbank kan dus herroepen worden.
Cliënt verzoekt u gelet op het voorgaande aan te geven waarom u kennelijk meent dat u de opdracht wel heeft mogen aannemen. (…)
2.5 Op 30 januari 2025 heeft verweerder aan N en Partners geschreven:
In reactie op uw e-mailbericht aan mij van 8 januari 2025 alsmede de daaropvolgende mails van uw kant, bericht ik u hierbij namens cliënt als volgt.
U schrijft dat [N en Partners] opdracht zou hebben gekregen van de rechtbank om tot bemiddeling en verkoop over te gaan. Dat is niet zo.
U hebt de opdracht gekregen van [klager] en [de nicht van erflater]; een opdracht die u hebt aanvaard.
De daarvoor noodzakelijke instemming van cliënt is vervangen door het vonnis van de rechtbank.
Zoals u weet, is dat vonnis alsmede de daaraan voorafgaande vonnissen nog niet in kracht van gewijsde gegaan (lees: niet onherroepelijk geworden): de kwestie ligt aan het gerechtshof voor. (…)
U hebt mij eerder bevestigd het hoger beroep te zullen afwachten.
Cliënt constateert dat u van die toezegging bent teruggekomen (omdat het gerechtshof het procesincident van cliënt – alsnog schorsende werking aan het ingestelde hoger beroep toekennen – heeft afgewezen).
De argumentatie die u daarvoor geeft, overtuigt cliënt niet: u hebt mij immers ongeclausuleerd aangegeven het hoger beroep te zullen afwachten, en dat hoger beroep loopt dus nog. (…)
Indien u meent uw werkzaamheden te kunnen voortzetten, moet u er rekening mee houden dat cliënt u althans [N & Partners] aansprakelijk zal stellen voor de negatieve financiële consequenties. (…)
Kort en goed had u de opdracht van [klager] en [de nicht van erflater] in de ogen van cliënt moeten weigeren of – conform uw toezegging – op zijn minst het hoger beroep moeten afwachten.
Ik verzoek u hier op te reageren. (…)
Tot slot en terugkerend naar het lopende hoger beroep meld ik u dat het gerechtshof verwacht op 8 april a.s. uitspraak te doen. (…)
2.7 Op 4 februari 2025 heeft N en Partners de betrokken partijen als volgt schriftelijk geïnformeerd:
Op 30 januari jl. ontvingen wij bijgevoegde brief van [klager]. Naar aanleiding hiervan voelen wij ons genoodzaakt om te reageren naar iedere betrokkene. (…)
Op onze dienstverlening is de Regeling van Rentmeesters 2020 van toepassing, (…).
Aangezien wij menen momenteel niet aan deze verplichting te kunnen voldoen hebben wij besloten om de verkoopwerkzaamheden t.a.v. de onroerende zaken (…) op te schorten tot het moment dat alle gerechtelijke procedures ten aanzien van [het onroerend goed] voorbij zijn én alle betrokken partijen zich conformeren aan de uitkomsten hiervan.
2.8 Op 28 februari 2025 is namens N en Partners via e-mail aan de advocaat van klager, mr. R, desgevraagd geantwoord dat zij zich niet geïntimideerd voelen door partijen.
2.9 De cliënt van verweerder is eind december 2025 overleden.
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
- de verkoop van het onroerend goed te voorkomen terwijl klager op grond van het vonnis van 19 juni 2024 het recht tot verkoop had gekregen.
Toelichting: Door de intimiderende brieven van verweerder heeft N en Partners de verkoop van het onroerend goed opgeschort;
- zijn eigen cliënt niet in de hand te hebben en zich teveel met zijn cliënt te vereenzelvigen.
Toelichting: De rechter gaf aan tijdens de zitting dat hij ontevreden was over het feit dat de cliënt van verweerder niet bij de zitting aanwezig was ondanks sommatie om erbij te zijn. Ook liet de rechter toen aan verweerder weten dat hij te veel meeging met zijn cliënt. Volgens klager nam de cliënt van verweerder en de bij de zitting aanwezige dochter van de cliënt de rechter niet serieus door te suggereren dat de rechter met pensioen moest en te veel menselijkheid had getoond door klager te vragen naar zijn overleden vriendin.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2 Verweerder stelt de belangen van zijn cliënt te hebben behartigd. Zijn cliënt heeft hem na het vonnis van 19 juni 2024 gevraagd om N en Partners aan te schrijven. Hij verwijst naar de inhoud van zijn brieven van 31 juli 2024 en 30 januari 2025, zoals opgenomen in de feiten hiervoor. Volgens verweerder heeft hij op juridisch correcte en zorgvuldige wijze N en Partners gewezen op de mogelijke gevolgen van de verkoop van het onroerend goed en het door zijn cliënt ingestelde hoger beroep.
4.3 N en Partners heeft zelf de afweging en uiteindelijk de keuze gemaakt om de verkoop van het onroerend goed op te schorten. Uit het feit dat zij de verkoopwerkzaamheden hebben geschorst, maakt verweerder op dat zij de juridische situatie die namens klager is gegeven niet volgden.
Klachtonderdeel b)
4.4 Volgens verweerder is niks mis met het tonen van medemenselijkheid door een rechter tijdens een zitting. In dit geval vonden zowel zijn cliënt en diens dochter dat de behandelend rechter zich tijdens de mondelinge behandeling overduidelijk door klager liet beïnvloeden, en dan ook nog op een cruciaal beslispunt (de erfgrensligging). Dat is ook toen zo besproken. Zijn cliënt heeft door deze gang van zaken zijn vertrouwen in die rechter verloren omdat hem duidelijk was welke uitkomst de zaak zou hebben. Na afloop van die bewuste zitting heeft de rechter aan verweerder meegedeeld geen klacht over verweerder te zullen indienen.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
5.2 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.3 De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a)
5.4 De raad begrijpt de frustratie van klager over het geschil tussen de erfgenamen in de langdurige civiele kwestie. De vraag die voor de raad voorligt is of verweerder met zijn brieven aan N en Partners de grens van het betamelijke is overgegaan en de verkoop van het onroerend goed uit de nalatenschap heeft voorkomen. De raad beantwoordt die vraag ontkennend. Naar het oordeel van de raad stond het verweerder als partijdige belangenbehartiger van zijn cliënt vrij om de brieven op 31 juli 2024 en 30 januari 2025 aan N en Partners te sturen. De advocaat van klager kon daarop ook reageren en heeft dat ook namens klager gedaan. Van een dreigende toonzetting in de brieven van verweerder is naar het oordeel van de raad geen sprake geweest. Zo is dit ook niet door N en Partners opgevat. Het is uiteindelijk de beslissing van N en Partners geweest om de verkoopopdracht van de onroerende zaak niet uit te voeren conform het vonnis van 19 juni 2024, maar die werkzaamheden op te schorten. Van die beslissing treft verweerder naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk geen verwijt. De raad merkt nog op dat klager ook andere rechtsmiddelen ter beschikking had om N en Partners te bewegen om het vonnis uit te voeren, dan wel de rechter te verzoeken om een andere makelaar te benoemen. Van die juridische mogelijkheden heeft klager om hem moverende redenen geen gebruik gemaakt.
5.5 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder niet de grenzen overschreden van de vrijheid die hij als advocaat van de wederpartij had, en dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De raad zal klachtonderdeel a) dan ook ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel b)
5.6 De juistheid van het verwijt dat verweerder zijn eigen cliënt niet in de hand had en zich teveel met hem heeft vereenzelvigd, is tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet komen vast te staan. Tijdens een zitting kunnen emoties van partijen hoog oplopen, zeker ook in erfrechtelijke geschillen. Wat tijdens de zitting precies is voorgevallen, kan de raad niet vaststellen. Stukken die het standpunt van klager op dat punt onderbouwen, ontbreken.
5.7 Nu aldus van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder geen sprake is geweest, zal de raad ook klachtonderdeel b) ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. N.C. Milani en M.M. Mok, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 maart 2026