ECLI:NL:TADRARL:2026:58 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-484/AL/NN/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:58 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2026 |
| Datum publicatie: | 09-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-484/AL/NN/D |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Overige (tussen)beslissingen |
| Inhoudsindicatie: | Verweerster heeft in drie zaken samengewerkt met een voormalige advocaten. Deze voormalige advocaat is vóór deze samenwerking door de Raad van Discipline van het tableau geschrapt en hij was ten tijde van deze samenwerking daarom geen advocaat meer. Desondanks heeft de voormalige advocaat deze zaken behandeld en dat gebeurde niet onder de verantwoordelijkheid van verweerster. Zij heeft in die zaken feitelijk slechts gefungeerd als doorgeefluik. Verweerster heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden onafhankelijkheid, deskundigheid en integriteit. De raad rekent dit verweerster zwaar aan. Bij de oplegging van de maatregel houdt de raad verder sterk rekening met het tuchtrechtelijke verleden van verweerster. De raad heeft haar tweemaal een voorwaardelijke schorsing opgelegd. Eén van die veroordelingen zag - net als de onderhavige zaak - mede op een samenwerking die ertoe heeft geleid dat zij niet volledig onafhankelijk is geweest en de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid en integriteit in gevaar heeft gebracht. Verder neemt de raad in aanmerking dat verweerster het verwijtbare van haar handelen niet inziet. Tijdens het onderzoek van de deken, in het door haar ingediende verweerschrift (waarin alle verwijzingen naar jurisprudentie onjuist of niet relevant zijn) en op de zitting van de raad heeft zij volhard in haar stelling dat zij op een correcte wijze heeft gehandeld. De raad is - rekening houdend met alle feiten en omstandigheden - van oordeel dat alleen kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke schorsing. De raad zal verweerster een schorsing opleggen voor de duur van twaalf weken. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 9 maart 2026
in de zaak 25-484/AL/NN/D
naar aanleiding van het dekenbezwaar van:
mr. E.A.C. van de Wiel
in hoedanigheid van deken van de orde van advocaten in het arrondissement Noord-Nederland
deken
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 In een brief van 21 juli 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over
verweerster.
1.2 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 17 december 2025
in aanwezigheid van de deken en verweerster. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde dekendossier. Ook heeft
de raad kennisgenomen van het verweerschrift van verweerster van 29 augustus 2025.
Verder heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van de deken van 2 september
2025 en van de e-mail van verweerster met bijlagen van 9 september 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van het dekenbezwaar gaat de raad, gelet op het dekendossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 De deken heeft een signaal ontvangen dat processtukken afkomstig van verweerster
de volgende voettekst bevatten:
De zaak wordt behandeld door [Z] (mr. [J.]) kantoorhoudende te [plaats] [(...)]
Procesadvocaat in deze zaak [verweerster]
2.2 Naar aanleiding daarvan heeft de deken op 7 april 2025 aan verweerster de volgende e-mail gestuurd:
Onlangs ontving ik het signaal dat u processtukken indient als procesadvocaat voor een gemachtigde (niet-advocaat), te weten mr. [J.], ook wel handelend onder de naam [Z.] of [J.]. Graag hoor ik van u of u deze dienst inderdaad aanbiedt of hebt aangeboden aan deze gemachtigde en zo ja, gedurende welke periode. Ook hoor ik in dat geval graag van u waarom u kennelijk vindt dat dit geen strijd oplevert met gedragsregel 14. Mag ik binnen twee weken na heden van u vernemen?
2.3 Na diverse herinneringen heeft verweerster in een e-mail van 8 mei 2025 aan de deken laten weten dat zij van mening is dat haar handelen niet in strijd is met gedragsregel 14.
3 DEKENBEZWAAR
3.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door op te treden
als procesadvocaat voor de sinds 7 juni 2024 geschrapte advocaat, mr. J. Zij handelt
zodoende in strijd met gedragsregel 14 eerste lid dat bepaalt dat de advocaat volledige
verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de opdracht.
4 VERWEER
Verweerster heeft tegen het dekenbezwaar - zakelijk weergegeven - het volgende verweer
gevoerd. Een samenwerking met niet-advocaten is toegestaan op grond van gedragsregel
2.5. Verweerster heeft niet in strijd met de voorschriften gehandeld.
Mr. J. heeft alleen ondersteunende werkzaamheden als juridisch adviseur verricht.
Verweerster draagt in alle drie de zaken de eindverantwoordelijkheid, zij heeft zelfstandig
de processtrategie bepaald en zij heeft de processtukken opgesteld.
5 BEOORDELING
5.1 De tuchtrechter moet bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid
die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.
Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke normen, daarbij wel
van belang zijn. In deze zaak is gedragsregel 14 van belang. Die gedragsregel bepaalt
dat een advocaat de volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de opdracht
draagt.
5.2 De deken verwijt verweerster dat zij in drie zaken op een tuchtrechtelijk
verwijtbare wijze, in strijd met gedragsregel 14, heeft samenwerkt met mr. J., die
eerder door de Raad van Discipline van het tableau is geschrapt wegens – kort gezegd
– het herhaaldelijk en in ernstige mate schenden van de kernwaarden deskundigheid
en onafhankelijkheid.
5.3 De raad stelt voorop dat het een advocaat vrij staat om samen te werken met
een niet-advocaat. Een advocaat mag daarbij echter niet handelen in strijd met (onder
meer) de hierboven genoemde gedragsregel 14 en met de kernwaarden.
5.4 Uit het klachtdossier blijkt dat verweerster in drie zaken met mr. J. heeft
samengewerkt. In één van die zaken staat in een processtuk - op het briefpapier van
mr. J. - dat mr. J. de zaak behandelt en dat verweerster in die zaak procesadvocaat
is. De raad is van oordeel dat dat processtuk een sterke aanwijzing oplevert voor
de conclusie dat verweerster in deze - en de andere twee zaken waarin zij heeft samengewerkt
met mr. J. - (kort gezegd) niet overeenkomstig gedragsregel 14 heeft gehandeld.
5.5 Verweerster stelt dat zij in deze zaken wel degelijk de regie heeft gevoerd
en processtukken heeft opgesteld. Verweerster heeft deze stelling echter - ook na
meerdere verzoeken daartoe van de deken - niet onderbouwd, terwijl dat gemakkelijk
had gekund door (bijvoorbeeld) gespreksverslagen van overleg met cliënten, urenspecificaties,
declaraties en (correspondentie over de concepten van) door haar opgemaakte processtukken
te overleggen. Verweerster heeft die stukken echter niet overgelegd, waardoor de raad
er vanuit gaat dat deze er niet zijn. Ook heeft verweerster niet kunnen verklaren
waarom mr J. zijn eigen briefpapier heeft gebruikt en verweerster als procesadvocaat
wordt aangeduid en ook niet waarom mr. J. ook in andere schriftelijke stukken niet
optreedt namens verweerster, maar altijd namens zichzelf.
5.6 De raad constateert dat de aard van de samenwerking tussen verweerster en
mr. J. erg onduidelijk blijft. Op grond van het voorgaande is echter met voldoende
mate van zekerheid vast komen te staan dat verweerster in de drie genoemde zaken -
in strijd met gedragsregel 14 - niet de volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering
van de opdracht heeft gehad, geen inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht en feitelijk
slechts als doorgeefluik heeft gefungeerd. De omstandigheid dat het alle drie zaken
betreffen die mr. J., toen hij nog advocaat was, voor eigen rekening en risico is
begonnen, sterkt de raad in deze conclusie. Deze constructie is kennelijk opgezet
met als doel om mr. J. deze zaken alsnog te laten afronden. Dit oordeel wordt bovendien
bevestigd door de communicatie van mr. J. in de richting van de deken in deze tuchtzaak.
In een e-mail schrijft mr. J. namens zijn cliënt in één van de drie zaken, dat hij
niet enkel als gemachtigde optreedt, maar ook de last heeft om alle noodzakelijke
(rechts)maatregelen te nemen ter bescherming van zijn belangen in de lopende procedure
en hij stelt dat het handelen van de deken een deugdelijke rechtsbijstand en een zorgvuldige
behartiging van de belangen van deze cliënt in gevaar brengt. Ook uit de inhoud van
deze e-mail blijkt op geen enkele wijze dat verweerster – en niet mr. J. – de verantwoordelijkheid
draagt in deze zaak.
5.7 De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerster heeft
gehandeld in strijd met artikel 46, zoals in het bijzonder is uitgewerkt in gedragsregel
14, en de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid en deskundigheid. Het dekenbezwaar
wordt daarom gegrond verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft in drie zaken samengewerkt met Mr. J. Mr. J. is vóór deze
samenwerking door de Raad van Discipline van het tableau geschrapt en hij was ten
tijde van deze samenwerking daarom geen advocaat meer. Desondanks heeft mr. J. deze
zaken behandeld en dat gebeurde niet onder de verantwoordelijkheid van verweerster.
Zij heeft in die zaken feitelijk slechts gefungeerd als doorgeefluik. Verweerster
heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden onafhankelijkheid,
deskundigheid en integriteit. De raad rekent dit verweerster zwaar aan.
6.2 Bij de oplegging van de maatregel houdt de raad verder sterk rekening met
het tuchtrechtelijke verleden van verweerster. De raad heeft haar op 24 september
2018 en 11 maart 2024 (bekrachtigd door het Hof van Discipline op 16 december 2024)
een voorwaardelijke schorsing opgelegd. De eerstgenoemde veroordeling zag - net als
de onderhavige zaak - mede op een samenwerking die ertoe heeft geleid dat zij niet
volledig onafhankelijk is geweest en de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid,
deskundigheid en integriteit in gevaar heeft gebracht.
6.3 Verder neemt de raad in aanmerking dat verweerster het verwijtbare van haar
handelen niet inziet. Tijdens het onderzoek van de deken, in het door haar ingediende
verweerschrift (waarin alle verwijzingen naar jurisprudentie onjuist of niet relevant
zijn) en op de zitting van de raad heeft zij volhard in haar stelling dat zij op een
correcte wijze heeft gehandeld.
6.4 De raad is - rekening houdend met alle feiten en omstandigheden - van oordeel
dat alleen kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke schorsing. De raad zal verweerster
een schorsing opleggen voor de duur van twaalf weken.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van
artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder
a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor
de duur van twaalf weken op;
- bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van
deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden
schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd
maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd
dat verweerster niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.2.
Aldus beslist door mr. O.P van Tricht, voorzitter, mrs. M.M. Mok, P. Rijnsburger, M.M. Strengers, S.J. de Vries, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 9 maart 2026