ECLI:NL:TADRARL:2026:57 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-582/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:57
Datum uitspraak: 02-03-2026
Datum publicatie: 02-03-2026
Zaaknummer(s): 25-582/AL/MN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie:  De raad verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen ongegrond. 


Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 2 maart 2026
in de zaak 25-582/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:


klager

over

verweerster 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 21 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 26 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2444018 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 oktober 2025. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

2    FEITEN
 

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

Verweerster heeft de ex-partner van klager bijgestaan in diverse familierechtelijke procedures in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze procedures zagen (onder meer) op de omgang van klager met zijn kinderen, het gezag, de alimentatie, de gemeenschappelijke woning en de hulpverlening voor één van de kinderen.   

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    zich onnodig grievend over hem uit te laten; 

b)    feitelijke informatie te verstrekken waarvan zij weet of behoort te weten dat deze onjuist is; 

c)    zijn belangen onnodig of onevenredig te schaden door onder andere onnodige procedures te starten en procedures te vertragen; 

d)    geen minnelijke oplossing voor ogen te houden en het conflict te escaleren; 

e)    onvoldoende professionele distantie in acht te nemen. 

4    VERWEER 

Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

Maatstaf 
 

5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 

Klachtonderdeel a)

5.2    Klager stelt dat verweerster zich in haar processtukken en op de zitting onnodig grievend over hem heeft uitgelaten. De raad begrijpt dat klager de door hem genoemde stellingen van verweerster als kwetsend heeft ervaren. Dat betekent echter niet dat verweerster daarmee ook klachtwaardig heeft gehandeld. In tuchtrechtelijke zin gaat het er om of verweerster deze stellingen nodeloos heeft geponeerd en deze dus niet noodzakelijk en doelmatig waren voor de onderbouwing van de standpunten van haar cliënte. Van een onnodig grievende uitlating is pas sprake als de bewoordingen (bijvoorbeeld) apert onjuist, zeer kwetsend of neerbuigend zijn. De raad is uit de beschikbare stukken niet gebleken dat daarvan sprake is. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster de grenzen van de haar toekomende vrijheid van handelen dan ook niet overschreden. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard. 

Klachtonderdeel b)

5.3    Klager stelt dat verweerster in een aantal processtukken feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan zij weet of behoort te weten dat deze onjuist is. Verweerster heeft verklaard dat zij geen reden had om te twijfelen aan de inhoud van deze informatie die jaar cliënte haar had verstrekt. 

5.4    Naar het oordeel van de raad mocht verweerster zonder nader onderzoek uitgaan van de juistheid van de van haar cliënte ontvangen feitelijke informatie en mocht zij deze informatie gebruiken op de manier zoals zij dat in haar processtukken en op de zitting heeft gedaan. Daarbij is van belang dat de feiten die verweerster in de procedure heeft genoemd, met stukken (van professionals) zijn onderbouwd. Klager, bijgestaan door zijn advocaat, heeft tegen de vermeende onjuistheden en feiten verweer kunnen voeren en kon zelf ook relevante stukken indienen. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van feiten en standpunten in een geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de behandelend rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel c)

5.5    Klager stelt dat verweerster zijn belangen onnodig of onevenredig heeft geschaad door onder andere onnodige procedures te starten en procedures te vertragen.

5.6    De raad volgt klager niet in dit verwijt. Uit de stukken in het klachtdossier blijkt niet dat verweerster onnodig procedures heeft gevoerd of procedures (op tuchtrechtelijk verwijtbare wijze) heeft vertraagd. Ook uit de inhoud van de uitspraken van de rechtbank en het hof blijkt niet dat deze procedures onnodig of kansloos waren, of dat er sprake was van misbruik van recht, zoals door klager is betoogd. In het algemeen kan ook niet gesteld worden dat het instellen van hoger beroep zonder meer onnodig is. In hoger beroep wordt de zaak immers opnieuw getoetst en beoordeeld. Ten slotte acht de raad bij dit klachtonderdeel nog van belang dat ook klager zelf in deze zaak procedures is gestart. Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster door het voeren van deze procedures de belangen van klager onnodig of op een ontoelaatbare manier heeft geschonden. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.  

Klachtonderdeel d)

5.7    Klager stelt dat verweerster geen minnelijke oplossing voor ogen heeft gehouden en het conflict heeft laten escaleren. Klager noemt hierbij de verzoeken tot begeleide omgang, ondertoezichtstelling en schorsing van regelingen, die verweerster namens haar cliënte heeft gedaan. Dit patroon duidt niet op voortgang of oplossingsgerichtheid, maar op een escalatiestrategie die klager als ouder onder druk zet, aldus klager. Verweerster heeft dit verwijt betwist. 

5.8    De raad overweegt hierover als volgt. Een advocaat moet daar waar mogelijk en in het belang van zijn cliënt proberen om een geschil door middel van een schikking op te lossen. Gedragsregel 5 behelst echter geen absolute verplichting daartoe. Het gaat erom dat een advocaat zich voldoende inzet om tussen partijen tot een oplossing te komen. Een wederpartij kan dus niet verlangen dat een advocaat in elke situatie tracht een regeling in der minne te treffen. Dat is ter vrije beoordeling van de advocaat en zijn cliënt. Als zij vinden dat dat niet haalbaar is, dan kan de advocaat niet door de wederpartij dan wel door de gedragsregels worden verplicht alsnog een regeling in der minne te beproeven. Als het niet lukt om een regeling te bereiken en de cliënt wil procederen, is het in het algemeen gerechtvaardigd dat de advocaat aan die wens van zijn cliënt tegemoetkomt. De raad is van oordeel dat uit de klacht en de andere stukken in het klachtdossier niet is gebleken dat verweerster te weinig heeft gedaan om een schikking te bereiken. Daarbij acht de raad van belang dat het conflict reeds voor de betrokkenheid van verweerster bij deze zaak al lijkt te zijn geëscaleerd. Verder volgt uit de stukken dat er door verweerster namens haar cliënte voorstellen zijn gedaan in de richting van klager om tot een minnelijke regeling te komen. Dat betekent dat niet vast is komen te staan dat verweerster in strijd met deze gedragsregel heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel e)

5.9    Klager stelt dat verweerster onvoldoende distantie in acht heeft genomen omdat zij aanwezig is geweest bij gesprekken met de hulpverlening, op school, bij de politie en in de vrouwenopvang. Ook volgt dat gebrek aan distantie uit haar zichtbare emoties op de zitting bij het hof, aldus klager. Verweerster heeft verklaard dat zij niet bij al deze gesprekken aanwezig is geweest. Verweerster heeft verder verklaard dat zij wel degelijk distantie heeft betracht en haar cliënte op een professionele wijze heeft bijgestaan. 

5.10    De raad kan niet vaststellen dat verweerster bij al de door klager genoemde gesprekken aanwezig is geweest. Voor zover verweerster wel bij die gesprekken aanwezig is geweest, is dat naar het oordeel van de raad niet zonder meer tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het is voorstelbaar dat in een complexe zaak met forse echtscheidingsproblematiek de aanwezigheid van verweerster bij dergelijke gesprekken in het belang van de cliënte en haar zaak is geweest. Niet is gebleken dat verweerster zich tijdens die gesprekken onvoldoende onafhankelijk heeft opgesteld.  Verder is ook op grond van de opstelling van verweerster op de zitting van het hof niet vast komen te staan dat verweerster onvoldoende professionele distantie in deze zaak in acht heeft genomen. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.  


BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. G.F. van de Berg, voorzitter, mrs. M. Lont en H.K. Scholtens, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op : 2 maart 2026