ECLI:NL:TADRARL:2026:56 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-538/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:56
Datum uitspraak: 02-03-2026
Datum publicatie: 02-03-2026
Zaaknummer(s): 25-538/AL/GLD
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: De raad verklaart een klacht tegen de eigen advocaat ongegrond.


Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 2 maart 2026
in de zaak 25-538/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 26 augustus 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 12 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24/104 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 oktober 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    In juni 2023 is verweerder klager bij gaan staan in het kader van een drietal procedures: een voorlopige voorziening, de verkoop van een woning en een echtscheiding. 

2.2    Op 19 juni 2023 heeft verweerder de opdracht aan klager bevestigd. In de opdrachtbevestiging heeft verweerder ten aanzien van de kosten voor de procedures het volgende opgenomen: 

In vervolg op onze bespreking op 7 respectievelijk 16 juni jl. bevestig ik u hierbij dat mijn werkzaamheden in verschillende (echtscheiding) procedures in beginsel op basis van gefinancierde rechtshulp (gelijk T B) worden verricht, maar u er rekening mee dient te houden dat de toevoeging uiteindelijk vanwege de zgn. “resultaatsbeoordeling” met terugwerkende kracht zal worden ingetrokken. 
 

In dat geval ben ik bereid mijn werkzaamheden in rekening te brengen tegen een uurtarief van € 185,00 ex btw per uur.
 

2.3    Bij e-mail van 18 juli 2023 aan klager heeft verweerder hem er nogmaals op gewezen dat hij er rekening mee dient te houden dat de toevoeging uiteindelijk wordt ingetrokken. 

2.4    Op 20 juli en 23 november 2023 heeft verweerder aan klager een overzicht gestuurd van de door hem geschreven uren. 

2.5    Op 1 februari 2024 heeft verweerder aan klager een e-mail gestuurd. In de aanhef van deze e-mail heeft verweerder het volgende geschreven: 

“Geachte heer van der P, beste R,” 

2.6    In een e-mail van 2 mei 2024 heeft verweerder het volgende aan klager geschreven: 

Teneinde je regelmatig op de hoogte te houden van de gerealiseerde uren in onder meer de echtscheidingsprocedure, maar ook vanwege de verwachting dat de toevoeging uiteindelijk wordt ingetrokken, doe ik je in aanvulling op het overzicht van 20 juli 2023 en 23 november jl. de nadien geschreven tijd toekomen.

2.7    Op 28 mei 2024 is het verzoek tot echtscheiding en nevenvoorzieningen op de zitting behandeld bij de rechtbank Limburg, locatie Roermond. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. 

2.8    Bij beschikking van 6 juni 2024 heeft de Rechtbank Limburg de echtscheiding uitgesproken en de verdeling vastgesteld. 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    klager onheus te bejegenen; 

b)    klagers belangen onvoldoende zorgvuldig te behartigen; 

c)    klager onder druk te zetten voor het betalen van mogelijk toekomstige facturen. 

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
 

Maatstaf 

5.1    De raad neemt bij de beoordeling van de klacht evenals de raad tot uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij de beoordeling van de kwaliteit geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a)
 

5.2    Klager stelt dat verweerder hem onheus heeft bejegend omdat verweerder de verkeerde aanhef heeft gebruikt in de e-mail van verweerder aan klager van 1 februari 2024. 

5.3    De raad stelt vast dat de aanhef in deze e-mail “geachte heeft Van der P. Beste R” is. Die aanhef is onjuist, want Van der P is niet de achternaam van klager, maar van zijn ex-partner, zijn wederpartij. Deze verschrijving is naar het oordeel van de raad onzorgvuldig, maar niet van voldoende gewicht om verweerder daarover een tuchtrechtelijk verwijt te maken. De raad heeft daarbij meegewogen dat verweerder deze fout heeft erkend en daarvoor zijn excuses heeft aangeboden. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard. 

Klachtonderdeel b)
 

5.4    Klager stelt dat verweerder zijn belangen onvoldoende zorgvuldig heeft behartigd. Klager heeft hiertoe aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gereageerd op verwijten en stellingen van de zijde van de wederpartij en hij onvoldoende is ingegaan op de door klager aangedragen informatie. 

5.5    De raad is van oordeel dat uit de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 28 mei 2024 niet blijkt dat verweerder niet of onvoldoende op de stellingen van de wederpartij is ingegaan of anderszins op de zitting klager niet goed heeft bijgestaan. Dit blijkt ook niet uit de andere stukken in het klachtdossier. Gelet hierop en omdat verweerder deze verwijten heeft betwist, is de juistheid van deze stelling van klager en daarmee de gegrondheid van dit klachtonderdeel niet vast komen te staan. Dat leidt ertoe dat de raad dit klachtonderdeel ongegrond zal verklaren.

Klachtonderdeel c)

5.6    Klager verwijt verweerder ten slotte dat verweerder hem urenlijsten heeft gestuurd van de door verweerder verrichte werkzaamheden, terwijl verweerder klager bijstond op basis van gefinancierde rechtsbijstand. Verweerder heeft klager hiermee onder druk gezegd voor het betalen van mogelijke toekomstige facturen, aldus klager. 

5.7    De raad volgt klager niet in dit verwijt. Een advocaat dient zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie en feiten. Door klager de urenlijsten te sturen heeft verweerder overeenkomstig deze verplichting gehandeld. Datzelfde geldt voor de e-mail van verweerder aan klager waarin hij schrijft dat klager er rekening mee moet houden dat de toevoeging wordt ingetrokken. Niet valt in te zien op welke wijze verweerder klager hiermee onder druk heeft gezegd. Bovendien heeft klager – vóór het indienen van de onderhavige klacht – tegen zowel het opsturen van deze urenlijsten als het aantal uren nooit bezwaar gemaakt. Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder geen sprake is. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard. 

BESLISSING

De raad van discipline:
-    verklaart de klacht ongegrond.


Aldus beslist door mr. G.F. van de Berg, voorzitter, mrs. M. Lont en H.K. Scholtens, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.
  


Griffier    Voorzitter

Verzonden op : 2 maart 2026