ECLI:NL:TADRARL:2026:55 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-079/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:55 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-03-2026 |
| Datum publicatie: | 02-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-079/AL/MN |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | voorzittersbeslissing. De klacht van klager is te laat ingediend. Nu van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken, wordt klager niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 2 maart 2026
in de zaak 26-079/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 27 januari 2026 met kenmerk 2487385 .
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is slachtoffer geworden van zowel een verkeersongeval in 2013 als een bedrijfsongeval in 2016. Daarbij waren twee verzekeraars betrokken. Een van de verzekeraars, [naam verzekeraar], is als regelend verzekeraar opgetreden.
1.2 Verweerster heeft vanaf 31 december 2020 de belangen van klager in zijn letselschadezaken behartigd. In die tijd werkte zij bij een advocatenkantoor in Z.
1.3 In februari 2022 heeft klager een second opinion bij mr. N ingewonnen. Tussen mr. N en verweerster is met instemming van klager contact geweest.
1.4 Wegens ernstige persoonlijke omstandigheden van verweerster in de eerste helft van 2022 heeft haar (toenmalige) kantoorgenoot, mr. K, een deel van de werkzaamheden van verweerster in het dossier van klager waargenomen en ook contact met klager en [naam verzekeraar] gehad.
1.5 Op 22 februari 2022 heeft verweerster aan mr. N, met klager in de CC, gemaild over het allerlaatste voorstel van [naam verzekeraar] aan klager. Zij heeft mr. N en klager gewezen op het verstrijken van de termijn van het voorstel diezelfde middag en verwezen naar eerdere correspondentie daarover met hem. Tot slot heeft zij geschreven:
Bij non-acceptatie, maar ook bij geen bericht vanuit de kant van cliënt, zal het voorstel van tafel zijn. De termijnen zijn nu al meerdere keren uitgesteld en cliënt moet er vanuit gaan dat [naam verzekeraar] het serieus neemt. (…)
Ik wens cliënt nogmaals veel wijsheid toe met de te nemen beslissingen. (…)
1.6 Op 7 maart 2022 is namens klager, na ontvangst van een concept-vaststellingsovereenkomst, aan verweerster gemaild dat hij niet blij is met de gang van zaken. Volgens klager is hij de dupe geworden van de door verweerster gekozen strategie, heeft zij daarbij teveel in het belang van de verzekeraar opgetreden en onredelijk hoge kosten in rekening gebracht.
1.7 Op 11 april 2022 is namens verweerster, na contact van klager op 8 april 2022 met haar toenmalige kantoor, schriftelijk aan klager bevestigd dat als hij aan de in artikel 8 van de concept-vaststellingsovereenkomst genoemde voorwaarden voldoet, hij bij [naam verzekeraar] in het geval van aantoonbare schade op de zaak kan terugkomen.
1.8 Op 13 april 2022 heeft klager de vaststellingsovereenkomst ondertekend die op 3 maart 2022 al was ondertekend door [naam verzekeraar]. In artikel 8, over de finale kwijting, staat:
Buiten deze overeenkomst blijven de kosten, materiele en immateriële schade in geval van verergering van de klachten en/of schade, voorzover dit uitsluitend en alleen voortvloeit uit de gevolgen van eén van of beide ongevallen van resp. 06-07-2013 en 28- 07-2016.
1.9 Op 14 april 2022 is de zaak van klager overgenomen door mr. K van het toenmalige kantoor van verweerster.
1.10 Op 14 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
de zaak niet zorgvuldig te behandelen en klager niet voldoende te informeren over de inhoud en de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst.
3 VERWEER
De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
4.2 Volgens verweerster is klager niet-ontvankelijk in zijn klacht omdat hij te laat heeft geklaagd. Zij heeft vanaf 31 december 2020 tot 3 februari 2022 werkzaamheden voor klager verricht. Klager heeft daarover pas op 14 april 2025 geklaagd en daarmee buiten de driejaarstermijn, aldus verweerster.
4.3 Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat op 11 april 2022 het laatste (schriftelijke) contact tussen klager en verweerster is geweest. Op 13 april 2022 heeft klager, naar zijn zeggen op advies van de door hem ingeschakelde mr. N, de vaststellingsovereenkomst ondertekend. Naar het oordeel van de voorzitter is de in artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet genoemde termijn in ieder geval op 11 april 2022 aangevangen. De klacht is pas op 14 april 2025 door klager bij de deken ingediend en daarmee (net) buiten de genoemde termijn van drie jaar.
4.4 Naar het oordeel van de voorzitter zijn door klager geen bijzondere omstandigheden gesteld of uit de stukken gebleken die kunnen rechtvaardigen dat klager buiten de driejaarstermijn heeft geklaagd. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat klager in elk geval al vanaf februari 2022 ontevreden was over die werkzaamheden van verweerster waarover hij zich nu heeft beklaagd. In februari 2022 heeft klager mr. N ingeschakeld voor een second opinion, waarna mr. N namens klager met verweerster overleg heeft gevoerd over de toen lopende schikkingsonderhandelingen met [naam verzekeraar]. Klager heeft er vervolgens op 13 april 2022 voor gekozen om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. In een dergelijke keuze zitten altijd goede en kwade kansen. De door klager gemaakte keuze kan verweerster tuchtrechtelijk niet worden aangerekend. Klager had dan ook naar het oordeel van de voorzitter veel eerder kunnen èn moeten klagen over de werkzaamheden van verweerster in de daaraan voorafgaande periode.
4.5 De voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat klager te laat heeft geklaagd zodat hij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de voorzitter dan ook niet meer toe.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 maart 2026