ECLI:NL:TADRARL:2026:54 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-764/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:54
Datum uitspraak: 23-02-2026
Datum publicatie: 24-02-2026
Zaaknummer(s): 25-764/AL/MN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 23 februari 2026
in de zaak 25-764/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 6 november 2025 met kenmerk 2495436. 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Verweerster heeft de ex-partner van klager bijgestaan in een verzoek tot (onder meer) wijziging van de kinderalimentatie. 

1.2    In een brief van 5 juli 2024 heeft verweerster aan klager geschreven dat haar cliënte wil bezien of er reden is om de kinderalimentatie te wijzigen en heeft zij hem om financiële stukken gevraagd voor het maken van een berekening.

1.3    Klager heeft in een brief van 12 juli 2024 gereageerd en aangegeven dat hij geen aanleiding ziet voor een herberekening. 

1.4    In een brief van 26 juli 2024 heeft verweerster haar verzoek om toezending van financiële stukken herhaald. 

1.5    In een e-mail van 28 augustus 2024 en vervolgens 7 november 2024 heeft verweerster klager gerappelleerd. 

1.6    Klager heeft in een e-mail van 15 november 2024 gereageerd en daarin gevraagd om opheldering van de financiële situatie van de cliënte van verweerster, melding gemaakt van zijn voorstel aan de cliënte van verweerster om de kosten van de zoon van partijen voor de helft te betalen en verwezen naar de afspraken in het echtscheidingsconvenant over de kosten van de zoon van partijen.

1.7    Verweerster heeft in een e-mail van 12 december 2024 de financiële situatie van haar cliënte toegelicht, uitgelegd waarom haar cliënte vindt dat de afspraken in het convenant aangepast moeten worden en wederom verzocht om toezending van financiële stukken. 

1.8    Klager heeft in een e-mail van 20 december 2024 uiteengezet waarom van een wijziging van omstandigheden in zijn ogen geen sprake is. 

1.9    In een e-mail van 14 januari 2025 heeft verweerster de financiële gegevens van haar cliënte aan klager gestuurd. 

1.10    In een e-mail van 16 januari 2025 heeft verweerster aangekondigd over te gaan tot het indienen van een verzoekschrift tot verhoging van de bijdrage, waarop klager gevraagd heeft om een uitstel. 

1.11    Klager heeft vervolgens op 21 januari 2025 voorgesteld de alimentatie te laten berekenen door het LBIO. 

1.12    Op 13 februari 2025 heeft verweerster aan klager laten weten dat een berekening met anonieme gegevens door het LBIO geen optie is en dat het verzoekschrift strekkende tot wijziging van de kinderalimentatie en verzoek inzake partneralimentatie voor nu bij de rechtbank Midden-Nederland wordt ingediend. 

1.13    In een e-mail van 17 februari 2025 heeft klager nogmaals om opheldering van de financiële situatie van de cliënte van verweerster en de kosten van de zoon van partijen gevraagd. 

1.14    In een e-mail van 10 maart 2025 heeft de advocaat van klager aan verweerster gemeld dat zij namens hem verweer zal voeren, waarop verweerster om een belafspraak heeft gevraagd om te bezien wat er in onderling overleg mogelijk is.

1.15    In een e-mail van 28 maart 2025 heeft de advocaat van klager een conceptverweerschrift tevens houdende een voorwaardelijk verzoek tot wijziging/verlaging van de kinderalimentatie met een alimentatieberekening en diverse financiële stukken aan verweerster gestuurd en verzocht om uiterlijk 4 april 2025 te laten weten of de cliënte van verweerster haar verzoeken zal intrekken.  

1.16    In een e-mail van 4 april 2025 heeft verweerster aan de advocaat van klager geschreven dat uit het conceptverweerschrift blijkt dat er sprake is van beperkte draagkracht en datzij meer tijd nodig heeft om de terugvordering namens klager nader uit te zoeken. 

1.17    De advocaat van klager heeft daarop laten weten dat hij wel het verweerschrift al zal indienen. 

1.18    Verweerster heeft op 7 april 2025 aan de rechtbank bericht dat haar cliënte alle verzoeken intrekt. 

1.19    Op 28 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door zijn belangen onnodig of onevenredig te schaden door het starten van een procedure op onduidelijke gronden en met onhaalbare eisen.

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. 

4.2    Klager stelt dat verweerster zijn belangen onnodig of onevenredig heeft geschaad doordat zij - namens zijn ex-partner - op onduidelijke gronden en met onhaalbare eisen een procedure heeft gestart om te proberen de kinderalimentatie te herzien. 

4.3    Uit de stukken in het klachtdossier blijkt dat de cliënte van verweerster haar heeft verzocht om te beoordelen in hoeverre de overeengekomen kinderalimentatie herzien of verhoogd dient te worden wegens een wijziging van omstandigheden aan haar zijde (langdurig arbeidsongeschikt en verminderde inkomsten). Omdat voor een dergelijke beoordeling ook de financiële gegevens van de andere ouder (klager) van belang zijn, heeft verweerster aan klager verzocht om zijn recente financiële gegevens te overleggen. Een dergelijk verzoek is niet ongebruikelijk, omdat in een eventuele procedure deze gegevens overgelegd moeten worden. Ondanks diverse rappels heeft verweerster deze gegevens van klager niet gekregen. Verweerster is na overleg met haar cliënte overgegaan tot het indienen van een verzoekschrift tot wijziging van de kinderalimentatie. 

4.4    De voorzitter is van oordeel dat het voeren van deze procedure niet als kansloos of onnodig procederen kan worden gezien. Op het moment van het indienen van het verzoek kon verweerster immers, door het ontbreken van de financiële gegevens van klager, nog niet weten dat haar verzoek niet haalbaar was. Dat verweerster vervolgens - uit de inhoud van het namens klager in deze procedure ingediende verweerschrift - de conclusie heeft getrokken dat een wijziging van de kinderalimentatie niet haalbaar is, valt verweerster dan ook niet aan te rekenen. Bovendien heeft verweerster, op het moment dat haar duidelijk werd dat deze gewenste wijziging niet haalbaar was, het verzoek direct ingetrokken. Ook het feit dat klager een advocaat heeft moeten inschakelen en daarvoor de nodige kosten heeft moeten maken, valt verweerster niet aan te rekenen, te meer daar deze advocaat er ook voor had kunnen kiezen om vóór indiening van het verweerschrift het overleg met verweerster te zoeken en de financiële gegevens van klager op dat moment al te overleggen. 

4.5    De voorzitter is gelet op het voorgaande van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster geen sprake is. De klacht wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

BESLISSING

De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.


Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026
  


Griffier         Voorzitter 

Verzonden op : 23 februari 2026