ECLI:NL:TADRARL:2026:52 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-025/AL/OV
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:52 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-02-2026 |
| Datum publicatie: | 24-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-025/AL/OV |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat er veelvuldig contact en overleg tussen klager en verweerster is geweest en ook dat verweerster bij de behandeling van de zaak van klager rekening heeft gehouden met zijn wensen. Als klager het niet eens was geweest met de aanpak van verweerster, had hij een andere advocaat kunnen zoeken, zoals verweerster ook heeft gezegd. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster de belangen van klager op adequate en zorgvuldige wijze behartigd. Na de ontstane vertrouwensbreuk diende verweerster zich te onttrekken. Dat heeft zij op zorgvuldige en correcte wijze gedaan. Kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 23 februari 2026
in de zaak 26-025/AL/OV
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 13 januari 2026 met kenmerk 2347958.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster heeft klager bijgestaan in een procedure met betrekking tot erkenning, gezag en omgang. In deze procedure hebben een aantal mondelinge behandelingen, waaronder op 30 januari 2024 plaatsgevonden, waarbij verweerster klager heeft bijgestaan.
1.2 De rechtbank heeft het verzoek tot erkenning toegewezen, het verzoek tot gezag afgewezen en het verzoek tot omgang aangehouden.
1.3 Op 13 februari 2024 heeft verweerster aan klager onder meer geschreven:
In de bijlage mijn concept brief aan de rechtbank (bijlage). Graag jouw spoedige reactie
op de inhoud. Ik zal mr [W] deze brief in concept moeten sturen en haar om toestemming
moeten vragen om die in te mogen dienen bij de rechtbank, dus ik heb van jou een snelle
reactie nodig.
Ten aanzien van jouw opmerking over het gezag: beroep is niet mogelijk (en was binnen
de beroepstermijn kansloos). (…)
Mocht jij toch erop staan een nieuw verzoek gezag te willen indienen, dan raad ik je aan een andere advocaat te zoeken voor die zaak. Ik zal dat in ieder geval niet voor jou doen.
1.4 Op 15 februari 2024 heeft verweerster klager onder meer geschreven:
Ik heb van jou meerdere appberichten ontvangen waarin jij mij, onder meer, waarom-vragen
stelt over de afgelopen jaren. Ik heb niet helder of jij aan mij jouw frustratie uit,
of dat je van mij een antwoord verwacht. Ik kan in ieder geval opmerken dat ik jou
bijsta in een omgangsprocedure. Vanwege die omgang kunnen voorwaarden worden bepaald
(of: vastgesteld). Eén van die voorwaarden is: geen contact met moeder. Ik sta jou
niet bij in een zaak waarin jij contact met moeder vordert (en ik zal jou niet bijstaan
als jij dat zou willen vorderen). Dat voor jou omgang schijnbaar onlosmakelijk verbonden
is aan contact met moeder (dat is wat ik lees in jouw berichten), is een opvatting
die niet gedeeld wordt door de rechter (en andere betrokkenen, zoals het SWT en de
RvdK).
Ik heb jou – in reactie op jouw bericht dat jij een nieuwe zitting wenst – een concept brief aan de rechtbank gezonden. Ik heb geen reactie daarop ontvangen. Zo lang ik van jou geen reactie op dat concept ontvang, zal de brief niet worden verzonden.
1.5 Op 19 februari 2024 heeft verweerster klager onder meer geschreven:
Vanmorgen heb ik toestemming van mr [W] ontvangen om ná zitting toch nog de rechtbank
te informeren. Zoals eerder uitgelegd: dat is een niet-reglementair verzoek.
Mijn conceptbrief-aan-de rechtbank, waarin jij bezwaar maakt tegen de doelen van het
gemeentelijk traject, heb ik jou op 13 februari 2024 gezonden. Jij hebt mij daarna,
dus ná het opstellen van de conceptbrief aan de rechtbank, diverse berichten gestuurd
waaruit ik opmaak dat jij boven alles contact wenst met moeder. Je benoemt daarin
onder meer: “vraag gewoon de moeder wat ze wil en zet een ME met pistool neer verder
het toch nergens op neer”.
Zoals in mijn mail hieronder al eerder aan jou bevestigd, sta ik jou bij in een omgangszaak
– niet in een zaak waarin jij contact met moeder vordert. (…)
Voor mij is dit een dilemma, omdat ik jou niet bijsta en niet wil bijstaan in een
zaak tot vordering van contact met moeder. (…) Ik ben tot de conclusie gekomen dat
ik jou niet meer bij kan staan. (…)
Gezien het voorgaande zal ik over twee weken na vandaag aan de rechtbank laten weten
dat ik jou niet langer bijsta. Jij kan ofwel een opvolger voor mij zoeken, ofwel jij
kunt zonder advocaat naar eventuele, toekomstige zittingen gaan.
Ik kan namens jou nog wel – zoals besproken en afgesproken – de brief aan de rechtbank verzenden, maar de vraag is of jij dat nog wilt, wetende dat ik jou bij de eventuele zitting naar aanleiding van die brief niet zal bijstaan. Graag ontvang ik van jou een antwoord op die vraag. Zonder en reactie van jou, wordt de brief-aan-de-rechtbank niet verzonden.
1.6 Op verzoek van klager heeft verweerster de brief aan de rechtbank verstuurd en kort daarna op verzoek van klager weer ingetrokken.
1.7 Op 6 juni 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) tijdens het gehele proces slecht met klager te communiceren door niet naar hem te luisteren maar een monoloog af te steken en niet te overleggen over zijn wensen;
b) de belangen van klager onvoldoende te behartigen;
Toelichting: Klager was het niet eens met de gang van zaken tijdens de zitting van
30 januari 2024 waar hij eindeloos en disproportioneel werd aangevallen. Hierdoor
was hij overrompeld. Vervolgens moest hij tijdens een schorsing in drie minuten op
de gang in het bijzijn van dertig vrouwen tekenen;
c) klager met haar houding geenszins te ondersteunen maar hem juist te onderdrukken met een dreigende toonzetting, waardoor klager het gevoel kreeg dat het kansloos was om met de wederpartij te spreken;
d) zonder reden haar bijstand aan klager na de zitting op 30 januari 2024 stop te zetten, terwijl klager in hoger beroep had willen gaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Met betrekking tot de communicatie
3.2 Uit het door haar overgelegde urenoverzicht volgt dat zij veel contact en overleg met klager heeft gehad, zowel schriftelijk (86 e-mails) als telefonisch en via WhatsApp. Ook blijkt uit dat overzicht dat zij klager voor de zittingen steeds uitgebreid heeft gesproken. Tijdens die gesprekken zijn de wensen en verwachtingen van klager besproken maar heeft zij hem ook de mogelijkheden én onmogelijkheden uitgelegd. Ook de kansen van de verzoeken van klager zijn met hem besproken, inclusief de standpunten van de overige betrokken partijen. Verweerster heeft klager ook uitgelegd dat van beide ouders verwacht wordt dat zij adviezen van Raad voor de Kinderbescherming en het Sociaal Wijkteam (SWT) (of andere hulpverlening) opvolgen. Volgens verweerster heeft klager, in afwijking van de ontvangen adviezen, besloten dat communicatie met de moeder noodzakelijk was voor omgang met zijn zoon. Verweerster heeft klager erop gewezen dat zijn standpunt het bereiken van het met verweerster besproken doel (omgang met zijn zoon) in de weg kon staan.
Met betrekking tot onttrekking/behandeling zitting
3.3 Verweerster heeft het standpunt van klager tijdens de mondelinge behandeling op 30 januari 2024 naar voren gebracht. Tijdens de schorsing van die zitting konden klager en de moeder op de gang het formulier voor de gemeentelijke toegang ondertekenen. De uitleg over de hulp die daarmee samenhing was tijdens de zitting al besproken. Het is gebruikelijk dat ouders dergelijke aanvraagpapieren niet in de zittingszaal maar op de gang van de rechtbank ondertekenen. Verweerster begrijpt niet wat klager bedoelt met zijn opmerking over het tekenen op een gang met 30 vrouwen, zodat zij daarop niet kan reageren.
3.4 Na de mondelinge behandeling van 30 januari 2024 liet klager weten dat hij ontevreden was en een nieuwe mondelinge behandeling wilde. Zij heeft hem verteld dat de wijze van behandeling van een zitting door een rechter buiten haar invloedsfeer ligt en het niet zomaar mogelijk is om een nieuwe mondelinge behandeling te vragen. Omdat de zaak voor beschikking stond, kon dat slechts met de uitdrukkelijke toestemming van de wederpartij.
3.5 Verweerster verwijst naar de inhoud van haar e-mails van 13 en 15 februari 2024 aan klager. Daarna ontving zij diverse berichten van klager waaruit bleek dat hij het contact met de moeder op dwingende wijze wilde bewerkstelligen. Daarvoor had zij geen opdracht aanvaard. Op 19 februari 2024 heeft zij klager laten weten dat en waarom zij hem niet langer kon bijstaan in zijn omgangszaak en dat zij zich veertien dagen later zou onttrekken aan die zaak. Op verzoek van klager heeft zij nog wel de conceptbrief-aan- de-rechtbank verstuurd, maar kort daarna vroeg klager om die brief weer in te trekken. Daardoor kwam de zaak weer voor beschikking te staan.
3.6 Op het moment van haar onttrekking stond er geen zitting gepland, zodat klager voldoende tijd had om een andere advocaat te zoeken. Na de zitting van 30 januari 2024 was slechts tijdsdruk vanwege de beslistermijn van de rechtbank ná de mondelinge behandeling voor welk moment een eventuele intrekking van het ‘formulier gemeentelijke toegang’ diende plaats te vinden.
3.7 Volgens verweerster heeft klager zich niet verzet tegen de onttrekking door
verweerster, ook heeft hij geen bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen tussentijdse
beëindiging van de toevoeging.
Met betrekking tot de dreiging
3.8 Verweerster betwist dat zij zich dreigend richting klager heeft opgesteld. Klager heeft geprobeerd verweerster na de aangekondigde onttrekking op indringende wijze van gedachten te laten veranderen. Zo is hij onverwacht naar haar kantoor gekomen en heeft de daar aanwezige collega op luide toon laten weten dat hij verweerster wenste te spreken. Ook heeft klager verweerster opgewacht voor/in de rechtbank, kennelijk met het doel om verweerster te overtuigen ‘op lijn te komen’, zoals hij verweerster in een app-bericht liet weten. Verweerster ziet gezien het voorgaande niet hoe klager kan klagen over een dreiging door haar. Zij heeft dat eerder als het omgekeerde ervaren.
3.9 Als het SWT zich al dreigend richting klager heeft opgesteld, dan valt dat niet binnen haar invloedsfeer. Uit een door verweerster overgelegd vonnis van 28 januari 2025 blijkt dat klager veroordeeld is voor bedreiging van de moeder en een medewerker van het SWT.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
4.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a) en c); communicatie
4.4 Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat er veelvuldig contact en overleg tussen klager en verweerster is geweest en ook dat verweerster bij de behandeling van de zaak rekening heeft gehouden met zijn wensen. Het is de advocaat die de regie over de behandeling van een zaak heeft. Als klager het niet eens was geweest met de door verweerster gekozen en met hem besproken aanpak, dan had het op zijn weg gelegen om een andere advocaat te zoeken zoals verweerster hem ook heeft gezegd. De juistheid van het verder gemaakte verwijt, dat verweerster klager heeft onderdrukt met een dreigende toonzetting, kan de voorzitter, tegenover de betwisting daarvan door verweerster, niet vaststellen.
4.5 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt. De klachtonderdelen a) en c) worden kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b); belangenbehartiging
4.6 Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat verweerster de belangen van klager op adequate en zorgvuldige wijze heeft behartigd. De gang van zaken tijdens de zitting van 30 januari 2024 en tijdens de schorsing daarvan kan verweerster niet worden tegengeworpen. Dit betekent dat verweerster op dit onderdeel niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Ook klachtonderdeel b) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel d); onttrekking
4.7 Waar beoordeeld moet worden of een advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich aan de zaak te onttrekken zal acht worden geslagen op gedragsregel 14 lid 3 waarin is bepaald dat, als een advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, hij dat op zorgvuldige wijze moet doen en er voor zorg dient te dragen dat zijn cliënte daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt (aldus artikel 7:402 lid 2 BW en de daarmee strokende gedragsregel 14 leden 2 en 3).
4.8 Naar het oordeel van de voorzitter kon verweerster na de vertrouwensbreuk met klager vanwege een meningsverschil over de behartiging van zijn belangen niet anders dan ervoor kiezen om zich op 19 februari 2024 - met ingang van veertien dagen daarna - als advocaat te onttrekken. Dat heeft zij naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige en correcte wijze gedaan. In haar e-mails van 13, 15 en 19 februari 2024 heeft verweerster de redenen voor de stopzetting van haar werkzaamheden in duidelijke zakelijke bewoordingen aan klager uitgelegd. De voorzitter is uit de stukken verder gebleken dat verweerster na haar e-mail van 19 februari 2024 op verzoek van klager de eerder opgestelde conceptbrief alsnog aan de rechtbank heeft gestuurd. Kort daarna heeft zij die brief op verzoek van klager ook weer teruggetrokken. Gevolg daarvan was dat de omgangszaak opnieuw voor uitspraak kwam te staan. Niet is gebleken dat klager door de onttrekking van verweerster zoals door haar gedaan, in zijn belangen is geschaad. Stukken die dat onderbouwen, ontbreken.
4.9 Nu van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster geen sprake is, wordt klachtonderdeel d) eveneens kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door
mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 23 februari 2026