ECLI:NL:TADRARL:2026:51 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-105/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:51 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-02-2026 |
| Datum publicatie: | 24-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-105/AL/NN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Naar het oordeel van de raad heeft klager tijdig geklaagd. Op grond van de stukken en de betwisting door verweerster kan de raad niet vaststellen dat verweerster niet doelmatig heeft gehandeld en daardoor onnodige kosten voor klager heeft gemaakt. De juistheid van het verwijt dat verweerster er bij klager op heeft aangedrongen om zich kort voor een zitting ziek te melden om aanhouding te bewerkstelligen, kan de raad, tegenover de betwisting daarvan door verweerster, evenmin vaststellen. Het verwijt dat verweerster excessief heeft gedeclareerd, is door klager onvoldoende concreet gemaakt. Alhoewel voor de raad het totaalbedrag van € 52.000,- hoog voorkomt, en opvalt dat verweerster voor een juridisch medewerkster haar eigen uurtarief heeft gedeclareerd, is dat alleen onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat verweerster excessief heeft gedeclareerd. Het komt de raad voor dat klager uit mededelingen van verweerster heeft opgemaakt dat zijn advocaatkosten fiscaal aftrekbaar zouden zijn voor de inkomstenbelasting maar voor de raad is niet bekend of verweerster dat werkelijk zo tegen hem heeft gezegd of heeft bedoeld te zeggen. Stukken die dat standpunt van klager onderbouwen, ontbreken ook. Klacht ook overigens ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 23 februari 2026
in de zaak 25-105/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
gemachtigde: mr. W.K. van den Berg, advocaat te Amsterdam
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 6 februari 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 13 februari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN015 / 2305766 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Daarbij waren klager en verweerster met haar gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mails met bijlagen van verweerster van 8 en 9 mei 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 In 2012 is klager in een echtscheidingsconvenant met zijn toenmalige echtgenote een alimentatiebijdrage overeengekomen met daaraan een niet-wijzigingsbeding gekoppeld.
2.2 Rond juni 2020 heeft klager zich tot het kantoor van verweerster gewend voor advies. Zijn ex-echtgenote maakte aanspraak op alimentatie, maar klager was door de financiële gevolgen van de corona pandemie op zijn praktijk niet meer in staat om het overeengekomen bedrag aan haar te betalen. Door de ex-vrouw van klager zijn beslagen gelegd onder klager.
2.3 In de zomer van 2020 heeft klager met een voormalige kantoorgenoot van verweerster, mr. K, en met verweerster een bespreking gehad.
2.4 Verweerster heeft op 16 september 2020 aan klager de opdracht in de alimentatiekwestie bevestigd.
2.5 Verweerster heeft namens klager een verzoekschrift tot nihilstelling, subsidiair tot verlaging van de partneralimentatie bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, ingediend. Zij heeft daarna zowel met de advocaat van de wederpartij van klager als met klager gecorrespondeerd en schikkingsvoorstellen gedaan.
2.6 Op 8 maart 2021 heeft verweerster aan klager een tweede opdracht bevestigd ten aanzien van partneralimentatie en ook de opdracht bevestigd ten aanzien van een geschil over de pensioengelden.
2.7 In een e-mail van 29 april 2021 om 18:30 uur heeft klager aan verweerster geschreven:
Nadat ik mij de hele dag al beroerd heb gevoeld, ben ik ziek thuisgekomen.
Ik voel me zo slecht dat ik niet op de zitting kan verschijnen morgen. Dit spijt me zeer aangezien ik graag aan de rechter wil uitleggen wat mijn visie op de zaak is. Het is niet anders, ik laat verstek gaan en hoop dat ik een tweede kans krijg mijn verhaal te doen.
Mijn excuus, ook aan de rechter.
Dezelfde avond heeft verweerster hierop gereageerd en klager gevraagd haar te informeren of zij een aanhoudingsverzoek moet doen. Klager heeft daarop bevestigend geantwoord.
2.8 Tijdens de mondelinge behandeling op 30 april 2021 heeft verweerster wegens ziekte van klager verzocht om aanhouding. De Rechtbank heeft dat verzoek ingewilligd en de mondelinge behandeling gepland op 28 mei 2021.
2.9 Op 25 mei 2021 heeft verweerster met een F9 formulier namens klager bij de rechtbank Assen aanvullende stukken per fax ingediend ten behoeve van de zitting op 28 mei 2021 over de partneralimentatie. In haar begeleidend schrijven heeft verweerster de noodzaak van de nazending van deze stukken toegelicht. Tot slot heeft verweerster geschreven:
Indien Uw Rechtbank de stukken buiten beschouwing wil laten dan heb ik daar uiteraard indachtig het procesreglement alle begrip voor, maar de vraag is of het proceseconomisch in het belang is van beide partijen.
2.10 Op 28 mei 2021 heeft bij de rechtbank Assen de voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij klager en verweerster aanwezig waren. Uit het proces-verbaal volgt dat de advocaat van de ex-vrouw zich met een beroep op het procesreglement heeft verzet tegen het meenemen van de stukken van verweerster die zij twee dagen voor de zitting had ingediend. Verweerster heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat zij haar stukken tijdig - volgens het procesreglement alimentatie - drie dagen voor de zitting heeft ingediend. De rechtbank heeft de stukken – voor zover de raad begrijpt – buiten behandeling gelaten.
2.11 In juni 2021 heeft de rechtbank de verzoeken van klager tot vermindering althans nihilstelling van zijn alimentatieverplichting afgewezen. Verweerster heeft namens klager tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
2.12 In haar e-mail van 30 augustus 2021 heeft verweerster klager ermee akkoord vertrouwd dat haar (toenmalige) kantoorgenoot, mr. De B, klager zal bijstaan tijdens de comparitie van partijen bij de rechtbank Assen op 3 september 2021 omdat verweerster daarvoor niet op tijd terug kan zijn vanuit Frankrijk. Klager heeft verweerster laten weten dat hij daarmee instemt.
2.13 Uit het proces-verbaal van de op 3 september 2021 gehouden comparitie volgt dat partijen, klager bijgestaan door mr. De B, de ingenomen stellingen hebben toegelicht en partijen ter beëindiging van hun geschil overeenstemming hebben bereikt. Die afspraken over afwikkeling van het conservatoir derdenbeslag door een notaris zijn in het proces-verbaal vastgelegd.
2.14 Op 7 september 2021:
- om 16:56 uur: heeft verweerster aan klager onder meer geschreven dat zij heeft begrepen dat de zaak is geschikt en de notaris tot uitkering over zal gaan. Verder heeft zij haar visie op de alimentatieverplichting van klager gegeven en klager gemeld dat als hij kan aantonen dat hij vanaf april 2021 als ZZP-er minder inkomen geniet, een wijziging van alimentatie voor hem kan worden verzocht. Zij heeft klager gewezen op de kosten van hoger beroep en de kleine kans op succes;
- om 23:06 uur: heeft klager aan verweerster onder meer geschreven:
Ik wil eigen helemaal niet afkopen, Heb de cash er niet voor (…)
Ik vind het aanbod van hun kant net zo onbescheiden als de alimentatiehoogte overigens. Ik heb er wel wat advocaatkosten voor over als je het afwijzen van hun voorstel zolang mogelijk kunt rekken. Door noodzaak overleg met accountant, daarna met de bank enz.enz.
Het afzien van hoger beroep hoeven we niet te melden, de termijn verstrijkt vanzelf neem ik aan. (…)
Je merkt aan mij waarschijnlijk een vervelende houding naar mijn ex. Die had ik tot ik jou hulp inriep niet. Echter door de afschuwelijke handelswijze van haar en haar advocaat het afgelopen 1.5 jaar waarin ik weer eens als de weigerachtige ex wordt neergezet met een discutabel allooi en leugenachtige benadering, net als tijdens de alimentatievaststelling en de tot stand koming van het convenant, terwijl ik mij altijd coulant, hardwerkend (!) de meeste wijze van de 2, heb opgesteld. Dit komt mij zo de neus uit (…) dat ik er klaar voor ben om terug te zieken.
Maar dan op een verantwoorde wijze. (…)
Los van bovenstaande rest ook nog mr. [V] van [naam] accountants.
Die mij vorige juridische procedure ivbm alimentatie als prive uitgaven heeft ingeboekt 2 jaar lang. Zou miszchien nog een verkennend briefje heen kunnen of hij hier een voorstel in heeft?
2.15 In de hogerberoepsprocedure is door verweerster een memorie van grieven ingediend en door de advocaat van de wederpartij een memorie van antwoord. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft een mondelinge behandeling bepaald op 6 september 2022. Omstreeks juli 2022 heeft verweerster op verzoek van klager het hoger beroep ingetrokken. In overleg met de advocaat van de ex-vrouw zijn de kosten tussen partijen voor het hoger beroep gecompenseerd.
2.16 In haar e-mail van 25 oktober 2022 heeft verweerster aan klager geschreven:
Eerder vroeg jij mij inzicht te geven in de kosten die jij hebt gemaakt ten titel van honorarium advocaat en verschotten over het jaar 2021 (ter zake door mij verrichte werkzaamheden). Jij heb het vermoeden dat het merendeel van de kosten voornoemd ziet op werkzaamheden strekkende tot het doen verlagen van de door jou betaalde partneralimentatie.
Middels dit schrijven bevestig ik jouw vermoeden. Inderdaad zien mijn werkzaamheden in het jaar 2021 overwegend op de gevoerde juridische strijd met jouw ex partner teneinde de overeengekomen partneralimentatie door de rechter te doen verlagen (…).In eerste aanleg ben jij in het ongelijk gesteld en in hoger beroep is geen oordeel gewezen daar jij vanwege jouw moverende redenen tot intrekking van het beroepschrift wilde overgaan. (…) Ook heb ik mij beziggehouden met het stuiten van de executie daar jouw ex-partner tot executoriaal beslag overging.
Ik kan stellen dat bijna 90% van de gemaakte kosten in het jaar 2021 zien op partneralimentatie.
Voor vragen of opmerkingen van jou of jouw accountant ben ik uiteraard beschikbaar.
2.17 Verweerster is in november 2022 ziek uitgevallen en heeft op 17 november 2022 een beroep gedaan op haar arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2.18 Op 21 december 2022 heeft verweerster aan klager geschreven:
Via deze e-mail bericht ik jou dat ik vele werkzaamheden in opdracht van jou heb gedaan, welke opdrachten overwegend zien op jouw onderneming, de eerdere verkoop daarvan en de aansluiting bij de organisatie waar jij thans als ZZP-er aan verbonden bent. De facturen die aan jou zijn gestuurd in dat kader zijn allemaal door jou voldaan.
Wanneer jij mij vraagt of die betreffende facturen zakelijk of privé moeten worden geboekt dan geldt dat wat mij betreft dit zakelijk moet worden geboekt.
Mocht jij of je accountant hierover nog vragen hebben dan weet je mij te vinden.
2.19 Voor haar werkzaamheden in meerdere dossiers heeft verweerster aan klager in 2020 en 2021 een bedrag van ruim € 52.000,- in rekening gebracht.
2.20 Op 12 juli 2023 heeft klager aan verweerster onder meer geschreven:
Ik heb een gigantische belasting aanslag over 2021 ontvangen die blijkt zo hoog te zijn doordat de juridische kosten die ik gemaakt heb niet aftrekbaar zijn voor de alimentatie plichtige slechts alleen voor de alimentatie ontvangende. Wij hebben het hierover gehad omdat ik hier door jou destijds verkeerd ben voorgelicht. Jij hebt mij verklaard dat de kosten aftrekbaar zouden zijn waardoor ik door heb geprocedeerd in plaats van de stoppen zoals ik zelf wilde.
Een verklaring hierover door jou afgegeven om mijn schade te beperken bleek voor de accountant niet bruikbaar. Ik heb toen besloten de aanslag af te wachten, deze is gisteren gekomen en voor mij onbetaalbaar hoog.
Ik heb de accountant (…) gevraagd te verklaren hoe groot mijn schade hierdoor is, en zal je dat spoedig doen toekomen. Dan zou ik graag met je overleggen of we hier alsnog een oplossing voor kunnen vinden zodat ik mijn belastingaanslag kan betalen. (…).
2.21 In zijn e-mail van 5 november 2023 heeft klager met als onderwerp ‘Schade door niet aftrekbaarheid juridische kosten’ aan verweerster geschreven:
Eerlijk gezegd had ik gehoopt een reactie van je te mogen ontvangen op mijn mail van 12 juli jongstlede aangaande deze kwestie. Dat is niet gebeurd.
Toen ik bij je kwam bij aanvang van het dossier [naam partijen] heb je mij te kennen gegeven dat je deze procedure zeer zeker in mijn voordeel kon wenden, de alimentatie zou gehalveerd worden, de juridische kosten zouden aftrekbaar zijn voor de IB.
Dat bleek geenszins het geval.
Hierdoor heb ik een veel hoger belastingaanslag gekregen.
Ca 20.000 eu!! (…)
Ik wil deze schade vergoed hebben.
Ik wacht je antwoord af.
2.22 In haar e-mail van 8 november 2023 heeft verweerster onder meer aan klager laten weten te weerspreken wat hij schrijft over haar voorspelling over de afloop van de zaak en dat zij over de aftrekbaarheid van juridische kosten voor de IB heeft gesproken. Zij heeft klager daarin laten weten zijn aansprakelijkstelling door te geleiden naar haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
2.23 Klager heeft eind 2023 meermaals gevraagd om afgifte van zijn dossier. Op 24 mei 2024 heeft klager het dossier van verweerster ontvangen.
3 KLACHT
Tijdens de zitting heeft verweerster aangegeven zich niet te kunnen vinden in de weergave van de klacht door de deken omdat daarin meer verwijten staan dan waarover klager heeft geklaagd. De klacht houdt in, zakelijk weergegeven en zoals door de raad gewijzigd mede naar aanleiding van de opmerking van verweerster, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
- klager niet (goed) te informeren over zijn juridische positie en de haalbaarheid van zijn verzoek en niet integer te handelen;
- klager onjuist te informeren over de aftrekbaarheid van de advocaatkosten;
- de zaak van klager niet persoonlijk te behandelen.
4 VERWEER
Het meest verstrekkende verweer van verweerster is dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klacht omdat hij te laat heeft geklaagd. Voor het geval klager wel ontvankelijk is, heeft verweerster gemotiveerd verweer gevoerd. De raad zal bij de beoordeling waar nodig dan op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager
5.1 Uitgangspunt is dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
5.2 Volgens verweerster heeft klager te laat geklaagd zodat hij niet-ontvankelijk is. Zij wijst op de e-mail van klager van 5 november 2023 waarin hij zelf stelt dat verweerster bij aanvang van het dossier kenbaar zou hebben gemaakt dat zij de procedure in zijn voordeel kon wenden, de alimentatie gehalveerd kon worden en dat de juridische kosten voor hem aftrekbaar zouden zijn voor de inkomstenbelasting. Verweerster vanaf juni 2020, formeel bevestigd op 16 september 2020, voor klager met haar werkzaamheden begonnen. Klager heeft op 6 februari 2024 pas geklaagd en dat is volgens verweerster ruim buiten de wettelijke termijn van drie jaar.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager in klachtonderdeel a):
5.3 Klager stelt in zijn klacht, en heeft dit tijdens de zitting toegelicht, dat verweerster hem telefonisch in het najaar van 2021, toen klager tijdens een bespreking met verweerster zijn zorgen had geuit over zijn oplopende advocaatkosten en fikse declaraties, heeft verzekerd dat haar juridische kosten voor hem aftrekbaar zouden zijn voor de inkomstenbelasting. In het najaar van 2022 berichtte de accountant van klager hem dat de kosten niet aftrekbaar waren. Klager heeft verweerster toen om een schriftelijke verklaring gevraagd waardoor hij de kosten toch zou kunnen aftrekken. Die verklaring heeft zij op 21 december 2022 afgegeven. De accountant heeft die verklaring niet geaccepteerd. Op 12 juli 2023 kreeg klager de aanslag inkomstenbelasting over 2021, waardoor hij bekend werd met de hoogte van zijn schade als gevolg van de onjuiste advisering door verweerster.
5.4 Klager heeft de klacht op 6 februari 2024 bij de deken ingediend. Naar het oordeel van de raad heeft klager over klachtonderdeel a) tijdig geklaagd omdat hij onbetwist heeft gesteld dat hij pas in het najaar van 2022 na een bericht van zijn accountant, op de hoogte is geraakt van de omstandigheid dat de advocaatkosten voor hem niet fiscaal aftrekbaar zouden zijn. Tot dat moment vertrouwde hij op de mededeling van verweerster over de aftrekbaarheid van die kosten. De klachttermijn begon dus in het najaar van 2022 te lopen en dat betekent dat de klacht tijdig is ingediend.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager in klachtonderdelen b) en c):
5.5 Uit de stukken is de raad gebleken dat deze twee verwijten betrekking hebben op het optreden van verweerster na 6 februari 2021 zodat klager hierover tijdig op 6 februari 2024 bij de deken heeft geklaagd.
5.6 Nu klager ontvankelijk is in zijn klachten, zal de raad de klachtonderdelen inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijk oordeel
Klachtonderdeel a)
Toelichting klager
5.7 Klager heeft dit verwijt als volgt toegelicht. Volgens verweerster betaalde hij veel te veel partneralimentatie en kon zij ervoor zorgen dat dat bedrag flink zou worden verminderd, al dan niet met terugwerkende kracht. Zij adviseerde hem om helemaal te stoppen met het betalen van partneralimentatie en dat heeft hij gedaan. Op basis van die mondelinge informatie heeft klager verweerster de opdracht gegeven een procedure te starten. Het advies van verweerster om niets meer aan zijn ex-vrouw te betalen heeft tot gevolg gehad dat daarna tweemaal beslag is gelegd op zijn bankrekeningen en ook op de verkoopopbrengst van zijn woning. Doordat verweerster niet adequaat (tijdig) reageerde op meerdere berichten van de wederpartij, heeft de wederpartij de (achterstallige) alimentatie via de deurwaarder via een executoriaal beslag doen incasseren.
5.8 De onzorgvuldige manier waarop verweerster te werk ging, bezorgde klager veel stress. Bij herhaling werden geplande besprekingen door haar afgezegd, vaak ook om privéredenen. Diverse keren werd hij één dag voor de deadline voor indiening bij de rechtbank gebeld om inkomstengegevens of andere informatie aan te leveren. Ook is het voorgekomen dat inkomstengegevens niet zijn meegenomen omdat de rechtbank bepaalde dat verweerster deze te laat in het geding had gebracht. Klager verwijst naar het proces-verbaal van de zitting van 28 mei 2021. Verweerster adviseerde klager zelfs zich ziek te melden toen stukken niet op tijd waren aangeleverd. Dat is niet integer. Hiervan staat niets op schrift omdat het allemaal telefonisch ging.
5.9 Klager heeft uiteindelijk zijn dossiers bij verweerster opgevraagd. Hij wilde de gang van zaken eens goed voor zichzelf op een rijtje zetten. Verweerster reageerde daar niet op. Ook reageerde zij niet adequaat op verzoeken van klager om zijn schademelding te bespreken en om in overleg tot een oplossing te komen. Pas nadat de klacht bij de deken in behandeling was wilde verweerster om de tafel. De kwestie heeft jaren gesleept, enorm veel stress opgeleverd, buitenproportioneel veel gekost en geen enkel resultaat opgeleverd.
Verweer verweerster
5.10 Verweerster betwist deze door klager geschetste gang van zaken. Toen klager in juni 2020 bij haar kantoor kwam voor advisering, was hij zelf al gestopt met betaling van de alimentatie aan zijn ex-vrouw omdat hij het vastgestelde bedrag niet meer kon betalen. Gevolg daarvan is geweest dat zijn ex-vrouw, die volledige betaling wilde ontvangen, verschillende beslagen onder klager heeft gelegd. Verweerster heeft telkens in nauw overleg met klager afgesproken welke werkzaamheden zij voor hem ging doen. In meerdere zaken heeft zij werkzaamheden voor hem verricht. Onjuist is dan ook dat zij alleen voor de alimentatieprocedure in eerste aanleg een bedrag van € 50.000,- in rekening heeft gebracht. Zij heeft twee alimentatieprocedures voor klager gevoerd met de insteek om tot een lagere alimentatieverplichting voor klager te komen. Ook heeft zij werkzaamheden voor hem verricht in verband met de verdeling van het huwelijksvermogen en de door de ex-vrouw gelegde beslagen. Daarnaast heeft zij klager geadviseerd in een arbeidszaak.
5.11 Het was de uitdrukkelijke keuze van klager vanwege de volgens klager te hard oplopende kosten om in juli 2022 het hoger beroep tegen de afwijzende alimentatiebeslissing in te trekken. Het was niet uitgesloten geweest dat klager in hoger beroep deels wel in het gelijk was gesteld. Zo heeft verweerster ook gegriefd tegen de in haar ogen onterechte beslissing van de rechtbank om de door haar op 25 mei 2021 ten behoeve van de zitting van 28 mei 2021 ingediende recente inkomensgegevens van klager niet in de beoordeling mee te nemen. Die stukken had zij conform het procesreglement alimentatie wel tijdig, namelijk uiterlijk drie dagen voor de zitting, ingediend.
5.12 Verweerster betwist verder dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld, zoals haar in algemene bewoordingen door klager wordt verweten. Van vele onredelijke afzeggingen van afspraken door haar is geen sprake geweest. Evenmin heeft zij klager een dag voor een zitting gevraagd om nog stukken aan te leveren. Het is klager zelf geweest die zich in zijn e-mail van 29 april 2021 ziek heeft gemeld waarna verweerster op de zitting van 30 april 2021 aanhouding heeft gevraagd, wat is verleend. Zij betwist er bij klager op te hebben aangedrongen om zich ziek te melden om op die manier uitstel te krijgen.
5.13 Volgens verweerster verliep het contact met klager altijd goed en had zij de indruk dat hij tevreden was over haar werkzaamheden. Nadat klager om afgifte van zijn dossier heeft gevraagd, heeft zij hem uitgenodigd om op 8 januari 2024 op kantoor te komen voor een persoonlijke afhandeling. Die afspraak en een afspraak erna zijn door klager afgezegd. Het dossier lag klaar om opgehaald te worden, wat klager pas in mei 2024 heeft gedaan.
Oordeel raad
5.14 Naar het oordeel van de raad kan op grond van de stukken en de betwisting door verweerster niet worden vastgesteld dat verweerster niet doelmatig heeft gehandeld en daardoor onnodige kosten voor klager heeft gemaakt. Evenmin kan de raad op grond van de stukken vaststellen dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld zoals haar is verweten.
5.15 Volgens klager heeft verweerster bovendien niet integer gehandeld door er bij hem op aan te dringen om zich ziek te melden kort voor een zitting om zo een aanhouding te bewerkstelligen. Verweerster betwist echter dat het zo is gegaan. Gelet op de tegengestelde verklaringen van klager en verweerster hierover kan de raad niet vaststellen wat er precies is voorgevallen. Feit is dat bij de stukken een e-mail van klager van 29 april 2021 zit met daarin zijn ziekmelding en de schriftelijke reactie daarop van verweerster. Vast staat ook dat verweerster op de zitting van 30 april 2021 om aanhouding heeft gevraagd en dat die aanhouding is verleend. De raad kan feitelijk niet vaststellen of verweerster klager heeft aangezet tot een valse ziekmelding omdat dat niet concreet door klager is onderbouwd. De raad kan ook dan niet vaststellen of verweerster op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.16 Ter zake de hoogte van de declaraties beperkt de tuchtrechter zich tot een marginale toets, in die zin dat niet beoordeeld wordt of de declaratie juist is, maar of er sprake is van excessief declareren. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt kan worden.
5.17 Klager verwijt verweerster ook dat zij buitenproportioneel heeft gedeclareerd omdat zij met haar werkzaamheden geen resultaat voor hem heeft bereikt. Bij de stukken bevinden zich de declaraties met urenspecificaties van verweerster in de verschillende dossiers van klager. Als onbetwist staat vast dat klager die stukken tussentijds heeft ontvangen en de declaraties zonder protest heeft betaald. Alhoewel voor de raad het totaalbedrag van € 52.000,- hoog voorkomt, en opvalt dat verweerster voor een juridisch medewerkster haar eigen uurtarief heeft gedeclareerd, is dat alleen onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat verweerster excessief heeft gedeclareerd. Klager heeft dit verwijt, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerster, onvoldoende concreet gemaakt. Daarbij komt dat klager tijdens de zitting van de raad heeft verklaard dat het hem in deze klachtzaak in de kern gaat over de schade die hij heeft geleden vanwege de vermeende onjuiste advisering door verweerster over de fiscale aftrekbaarheid van zijn advocaatkosten. Ook betrekt de raad bij haar oordeel de e-mail van klager van 7 september 2021 aan verweerster waarin hij duidelijk heeft gemaakt dat hij er wel wat advocaatkosten voor over heeft om zijn gelijk te behalen in zijn geschil met zijn ex-vrouw. Op dat moment beliepen zijn advocaatkosten ook al € 30.000,-.
5.18 Van excessief declareren is de raad op grond van de stukken dan ook niet gebleken. Het tarief en het aantal gedeclareerde uren staan naar het oordeel van de raad in verhouding tot de blijkens de overgelegde urenspecificaties door verweerster verrichte werkzaamheden. Feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de aan klager in rekening gebrachte tijd buitensporig zou zijn, zijn gesteld noch gebleken.
5.19 Een advocaat heeft geen resultaatsverplichting maar een verplichting om zich op deskundige wijze voor de cliënt in te zetten en de cliënt te betrekken in de strategie en marsroute. De raad kan op grond van de stukken niet vaststellen dat verweerster hierin is tekortgeschoten richting klager.
5.20 Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerster in de hiervoor behandelde punten niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De raad verklaart klachtonderdeel a) dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel b)
Toelichting klager
5.21 Klager heeft dit verwijt als volgt toegelicht. Toen hij zich zorgen maakte over de hoogte van de snel oplopende advocaatkosten van verweerster heeft zij hem telefonisch verzekerd dat die kosten voor hem fiscaal aftrekbaar zouden zijn, wat later niet het geval bleek te zijn. Dat over de fiscale aftrekbaarheid van haar kosten toen met verweerster is gesproken blijkt volgens klager ook uit haar latere e-mails van 25 oktober 2022 en 21 december 2022 aan hem. Zijn accountant is niet meegegaan met de inhoud van de e-mail van verweerster van 21 december 2022, waardoor klager aanzienlijke schade heeft geleden. Hij heeft verweerster op 12 juli 2023 en op 5 november 2023 aansprakelijk gesteld voor haar onjuiste voorlichting.
Verweer verweerster
5.22 Verweerster kan zich niet herinneren tegen klager te hebben gezegd dat zijn advocaatkosten in het kader van de alimentatiedossiers fiscaal aftrekbaar zouden zijn. Het lijkt haar ook sterk dat zij dit heeft gezegd, nu zij weet dat dergelijke kosten niet aftrekbaar zijn. Verweerster denkt dat zij klager heeft voorgehouden dat de te betalen alimentatie belast is voor de ex-echtgenote van klager en fiscaal aftrekbaar is voor klager. Wellicht heeft klager dit verward met een fiscale aftrekbaarheid van de door hem te betalen advocaatkosten. Verweerster heeft geen onjuiste informatie verschaft zoals zij klager ook in haar e-mail van 8 november 2023 heeft uitgelegd. Zij heeft haar e-mails van 25 oktober 2022 en van 21 december 2022 zo geschreven om klager ter wille te zijn. Zij heeft er achteraf spijt van dat zij is meegegaan in het nogal dwingende verzoek van klager in een voor haar kwetsbare periode. Daaruit kan volgens verweerster echter niet worden afgeleid dat zij klager over de fiscale aftrekbaarheid van haar kosten onjuist heeft geadviseerd, aldus verweerster.
Oordeel raad
5.23 De raad kan de juistheid van dit verwijt, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerster, niet vaststellen. Het komt de raad voor dat klager uit mededelingen van verweerster heeft opgemaakt dat zijn advocaatkosten fiscaal aftrekbaar zouden zijn voor de inkomstenbelasting maar voor de raad is niet bekend of verweerster dat werkelijk zo tegen hem heeft gezegd of heeft bedoeld te zeggen. Stukken die dat standpunt van klager onderbouwen, ontbreken ook. Voor de beoordeling of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, moeten eerst de daaraan ten grondslag gelegde feiten worden vastgesteld. Deze feiten kan de raad, nu aan het woord van klager en dat van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, niet vaststellen. De raad kan dan ook niet vaststellen of verweerster op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat betekent dat de raad klachtonderdeel b) eveneens ongegrond verklaart.
Klachtonderdeel c)
Toelichting klager
5.24 Volgens klager heeft verweerster hem kort voor een zitting op 2 september 2021 via e-mail meegedeeld dat een kantoorgenoot, werkzaam op een andere vestiging, met klager mee zou gaan naar de zitting. Omdat verweerster toen in Frankrijk verbleef, zag klager zich genoodzaakt om hiermee in te stemmen; hij had geen keuze. De kantoorgenoot had echter weinig kennis van zaken en heeft de belangen van klager tijdens die cruciale zitting niet goed behartigd.
Verweer verweerster
5.25 Toen verweerster wist dat zij door omstandigheden de mondelinge behandeling op 3 september 2021 niet kon bijwonen wegens verblijf in het buitenland, heeft zij klager daarvan op de hoogte gesteld. Klager heeft ermee ingestemd dat haar (voormalig) kantoorgenoot mr. De B mee zou gaan naar de comparitie van partijen. Haar kantoorgenoot was al eerder op de hoogte van de inhoud van het dossier en heeft volgens verweerster de belangen van klager op deskundige wijze behartigd. Het geschil is geschikt tijdens de zitting, wat juist in het belang van klager was.
Oordeel raad
5.26 Naar het oordeel van de raad verdient deze werkwijze van verweerster zo kort voor een comparitie van partijen niet de schoonheidsprijs, dat heeft verweerster tijdens de zitting ook ingezien, maar klager heeft met de waarneming door mr. De B ingestemd. Niet is gebleken dat klager zich over mr. De B heeft beklaagd of anderszins ontevreden is geweest over diens inzet of bereikte resultaat.
5.27 Nu verweerster hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, wordt ook klachtonderdeel c) ongegrond verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. E.H.M. Harbers, M.M. Kuyp, M. Lont, J.J. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 februari 2026