ECLI:NL:TADRARL:2026:49 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-613/AL/OV

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:49
Datum uitspraak: 23-02-2026
Datum publicatie: 23-02-2026
Zaaknummer(s): 25-613/AL/OV
Onderwerp:
  • Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
  • Tuchtprocesrecht
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Ongegrond verzet

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
23 februari 2026
in de zaak 25-613/AL/OV
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 3 november 2025 op de klacht van:

klager                
over
mr. I. Aardoom-Fuchs, in haar hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
verweerster 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 9 oktober 2024 heeft klager bij het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerster. Bij beslissing van 31 oktober 2024 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline die klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel. 
1.2    Op 11 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2481551 van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 3 november 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 23 november 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 
1.4    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij waren klager en verweerster, vergezeld door mr. L. Brascamp, aanwezig. 
1.5    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van klager van 13 januari 2026.

2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden het volgende in:
I)    de klacht is ten onrechte zonder zitting en hoor en wederhoor afgedaan met een beslissing van de voorzitter die ten onrechte is gebaseerd op de visie van de deken. Dit terwijl sprake is van feitelijk inhoudelijk gedetailleerd onweerlegbaar bewijs van klager waarover inhoudelijk geoordeeld had moeten worden door de raad;
II)    ten onrechte staat onder de feiten onder 1.6 dat klager op 28 december 2024 de daar geciteerde e-mail aan verweerster en het Hof van Discipline heeft gestuurd. Die e-mail heeft klager aan de deken gestuurd als reactie op de e-mail van verweerster van 17 maart 2025, zoals die is opgenomen onder de feiten onder 1.7;
III)    ten onrechte heeft de voorzitter feiten in de beslissing weggelaten en daarmee de volgende essentiële en relevante feiten buiten beeld gespindoctord. Die doofpotfeiten zijn: 
(i) De drie Demmink Doofpot activisten, advocaat [A], journalist [J] en oud-rechercheur [R] waren wél aanwezig bij civiele zittingen 2015-2017 over onze rol in het pedonetcomplotnarratief terwijl wij 'figuranten' niets van die rechtszaken wisten;
(ii) Het OM merkte ons in 2016 aan als slachtoffers van 'stalking by law/stalking by proxy' volgens het advies van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ). Wij moesten beschermd worden tegen valse meldingen. Argos suggereerde echter in 2018-2020 dat de LEBZ pedonet-onderzoeken zou belemmeren en sindsdien verzwijgen topambtenaren en rechters dit belangrijke LEBZ deskundigenoordeel dat ons had moeten beschermen;
(iii) Justitieambtenaren deden vanaf 2016 klokkenluider-meldingen over een vermeend pedofielen netwerk rond ons die serieus genomen werden in de top van het Ministerie en tot allerlei onderzoeken leidden. Na de eindconclusie van recherchebureau Hoffmann in 2018 dat er geen aanwijzing was voor het bestaan van een Haags pedonet, bleven dezelfde complotambtenaren ons gezin belagen. Het OM (met steun van het Hof Den Haag) weigerde onderzoek naar complotambtenaren en (oud-)justitiecollega's na onze aangiftes;

IV)    ten onrechte heeft de voorzitter niet in de beslissing vermeld en daarmee bewust buiten beeld en oordeel willen houden:
A. de deken veranderde onze tekst "onderzoeken naar een Haags Pedonet rond klagers in opdracht van de SG." naar haar tekst "onderzoeken naar uw handelen en dat van uw zoon.", en
B. de deken veranderde onze tekst "Hij verbergt met opzet dat bij zijn roddel- en achterklapprocedures over de pedofiele ouder dezelfde drie activisten streden tegen een vermeend pedofiel netwerk als in de gevoelige mediazaak over een oud Secretaris-Generaal" naar haar tekst "In deze zitting kwam uw vermeende pedofiele gevaarlijkheid aan de orde.", en
C. de deken veranderde onze teksten "door te verzwijgen dat de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) het rapport waarmee de oud-justitiecontacten Black Swan Forensics hun netwerk angst aanjaagden voor de 'gevaarlijkheid' van de pedofiele ouder een 'professionele doodzonde' noemden waar 'geen enkele waarde' aan kon worden gehecht." en "terwijl hij weet dat de LEBZ concludeerde dat hij slachtoffer is van 'stalking by law' en men niet mag verwachten 'dat iemand zichzelf niet verdedigt tegen zulke ingrijpende en heftige aantijgingen" in haar tekst "De moeder van uw zoon onderhield contacten met Black Swan Forensics. Het was haar doel uw zoon weg te halen bij u. Dit verzweeg mr. [B.].";
V)    ten onrechte heeft de voorzitter niet geoordeeld over het feit dat verweerster alle relevante en essentiële feiten al heeft verwijderd voordat haar klachtonderzoek begon, waarmee verweerster bewees dat zij de nodige voorkennis had;
VI)    in de beslissing wordt uitgebreid gerefereerd aan een stafjurist over wie met geen woord gerept werd. Ook werden in 1.6 en verder citaten uit e-mails opgenomen die niets met de klacht van klager te maken hebben, waardoor de grondbeginselen van een eerlijk proces zijn geschonden;
VII)    de voorzitter heeft aan de onjuiste maatstaf getoetst en had het optreden van verweerster als deken aan de norm van artikel 46 Advocatenwet moeten beoordelen vanwege schending van de integriteit;
VIII)    de voorzitter heeft miskend dat verweerster de klachten van klager op partijdige en vooringenomen wijze en dus op corrupte wijze inhoudelijk heeft herschreven en opzettelijk onjuist heeft weergegeven en ook de deken uit Overijssel daarin is tekortgeschoten.
2.2    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet verder niet op. 

3    FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. De raad heeft geconstateerd dat onder 1.6 van die beslissing een onjuiste datum staat genoemd voor de daarin geciteerde e-mail van klager. Die e-mail van klager is een reactie geweest op de onder 1.7 genoemde e-mail van verweerster.

4    BEOORDELING
4.1    Nu de raad de klacht van klager op de zitting van 26 januari 2026 inhoudelijk heeft behandeld en klager zijn standpunten uitgebreid naar voren heeft kunnen brengen, vervalt daardoor het belang van klager bij zijn verzetgrond daarover. 
4.2    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. De onjuiste datum van de onder 1.6 in de beslissing van de voorzitter genoemde e-mail van klager is naar het oordeel van de raad niet een zodanig relevant feit dat tot herbeoordeling van de beslissing van de voorzitter moet leiden. 
4.3    De raad is verder van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Van schending van het recht op een eerlijk proces is de raad niet gebleken.
4.4    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 
4.5    Klager heeft tijdens de zitting van de raad gevraagd om bij plaatsing van de uitspraak op tuchtrecht.nl om de Anonimiseringsrichtlijn van de rechtspraak toe te passen. De raad zal die richtlijn op de openbaar te publiceren uitspraak van de raad toepassen. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. N.C. Milani en M.M. Mok, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.

Griffier                                                        Voorzitter

Verzonden d.d. 23 februari 2026