ECLI:NL:TADRARL:2026:48 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-606/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:48 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-02-2026 |
| Datum publicatie: | 17-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-606/AL/GLD |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 16 februari 2026
in de zaak 25-606/AL/GLD
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 3 november 2025 op de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 9 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 25/18 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 3 november 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 14 november 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij waren namens klaagster mevrouw S en de heer G aanwezig. Verweerder is met kennisgeving vooraf niet verschenen.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. De raad heeft ook kennisgenomen van de e-mail met bijlage van verweerder van 25 november 2025.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
de voorzitter heeft miskend dat verweerder de gedragsregels 5, 6 en 8 heeft geschonden.
Verweerder heeft eenmalig een laag bedrag aangeboden ter finale kwijting, zonder
enige ruimte voor nader overleg. Dit aanbod was gebaseerd op de onjuiste stelling
dat zijn cliënte eigenaar van het kunstwerk zou zijn. Onder deze omstandigheden kan
niet worden volgehouden dat verweerder een serieuze inspanning heeft gedaan om tot
een minnelijke schikking te komen. Ondanks dat verweerder wist dat het betrokken kunstwerk
eigendom van de stichting zou worden en dat de stichting dit met bewijsstukken kon
onderbouwen, bleef verweerder volhouden dat het kunstwerk van zijn cliënte was. Deze
onjuiste voorstelling van zaken heeft de discussie onnodig gecompliceerd en een minnelijke
oplossing feitelijk onmogelijk gemaakt.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet verder niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 De raad merkt nog wel op dat tijdens de zitting door de vertegenwoordigers van klaagster een uitgebreide en emotionele toelichting is gegeven op hetgeen er in de visie van klaagster is gebeurd. Het had verweerder gesierd als hij naar de zitting van de raad was gekomen om daarop te reageren. Dit alles doet formeel niet af aan het oordeel van de raad dat de verzetgronden niet slagen.
4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. N.C. Milani en M.M. Mok, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 16 februari 26