ECLI:NL:TADRARL:2026:45 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-660/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:45
Datum uitspraak: 09-02-2026
Datum publicatie: 10-02-2026
Zaaknummer(s): 25-660/AL/MN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Wat nooit geoorloofd is
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klaagster heeft zich erover beklaagd dat verweerder zich onnodig grievend heeft uitgelaten jegens haar in haar functie van politieambtenaar in bijzijn van derden en daarmee haar integriteit heeft aangetast tijdens een confrontatie in het cellenblok van een rechtbank. De raad heeft begrip voor enige boosheid en frustratie van de kant van verweerder omdat naar zijn idee de met klaagster gemaakte afspraken door haar niet waren nagekomen maar de manier waarop hij daarna klaagster in het cellenblok van de rechtbank heeft bejegend kan niet als functionele boosheid worden gezien. Naar het oordeel van de raad gaat het te ver en is het een advocaat onwaardig om in je woede, zoals verweerder die had, de betrouwbaarheid van een politieambtenaar in twijfel te trekken. Daarbij staat ook vast, zoals bevestigd door de collega, dat verweerder klaagster ook persoonlijk heeft aangevallen met volstrekt onbetamelijke uitlatingen en dat dit is gebeurd in bijzijn van derden. De raad rekent het verweerder aan dat hij na dit incident niets heeft gedaan om het met klaagster uit te praten. Van welgemeende excuses is de raad niet gebleken. Klacht gegrond. Waarschuwing.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 9 februari 2026

in de zaak 25-660/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 3 maart 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 29 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2474960 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klaagster heeft in haar hoedanigheid van politiemedewerker met verweerder meermaals contact gehad over het ondertekenen van een toestemmingsformulier DNA-traject door een (Roemeense) cliënte van verweerder die in hechtenis zat in de penitentiaire inrichting in Ter Peel (hierna ook: de PI). 

2.2 Verweerder heeft klaagster voorgesteld om elkaar voor ondertekening van dat formulier op 16 augustus 2023 om 11.30 uur in het Paleis van Justitie te Arnhem te treffen omdat zijn cliënte dan daar in het cellencomplex zou zijn vanwege een te houden verhoor in raadkamer.

2.3 Klaagster was met een collega, mevrouw Van W (hierna: de collega), op 16 augustus 2023 op genoemde locatie en tijd in het cellencomplex. Klaagster en collega hebben buiten aanwezigheid van verweerder daar gesproken met zijn cliënte. Tijdens dit gesprek is aan klaagster gevraagd om allen naar de spreekkamer in het cellencomplex te komen. Daar was verweerder aanwezig. Tussen klaagster en verweerder is een woordenwisseling ontstaan.

2.4 Klaagster heeft van deze gang van zaken op 22 augustus 2023 intern een mutatie gemaakt.

2.6 Op 15 november 2023 heeft de collega op verzoek van klaagster een verklaring geschreven over het gebeurde op 16 augustus 2023. De collega heeft daarin de gang van zaken, zoals door klaagster in haar klacht omschreven, bevestigd. Verder heeft zij geschreven:  

Op mij kwam het over dat door de kalme en beleefde reacties van mijn collega de ergernis bij [verweerder] groeide. Niet eerder in mijn meer dan 40 politiejaren heb ik een dergelijk ongepast, onbeschoft en beledigend gedrag van een advocaat meegemaakt.

Mijn collega was prima in staat zich op uiterst correcte wijze te verweren tegen het onprofessionele gedrag van de advocaat. Omdat zijn tirade bleef aan houden en D.V. het Roemeens vertaalde document aan het ondertekenen was, heb ik mijn collega bij de schouder gepakt en haar gezegd dat het beter was op te houden met deze zinloze discussie en de situatie te laten voor wat het was.

Na afloop is het voorval door ons nog meerdere keren besproken. [Klaagster] was duidelijk aangedaan door de onverwachte uitspatting en de geuite beledigingen. En dit terwijl zij juist in alle duidelijkheid en transparantie gehandeld heeft.

Eerdere klachtzaak:

2.6 Op 16 augustus 2023 heeft klaagster een klacht over verweerder ingediend. Op verzoek van de deken is die klacht door de korpschef ingediend. In deze klachtzaak, bekend onder zaaknummer 24-462/AL/MN, heeft de raad bij beslissing van 10 februari 2025 de korpschef niet-ontvankelijk verklaard. De korpschef heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het Hof van Discipline heeft op 10 november 2025 de beslissing van de raad bekrachtigd.

3 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

zich onnodig grievend uit te laten jegens klaagster in haar functie van politieambtenaar in bijzijn van derden en daarmee haar integriteit aan te tasten.

Toelichting: Volgens klaagster is meerdere keren telefonisch en per e-mail contact tussen haar en verweerder geweest over zijn cliënte D.V. Verweerder had haar al voor 16 augustus 2023 laten weten dat zijn cliënte het DNA-formulier zou ondertekenen. Vanwege de kortere reistijd heeft verweerder voorgesteld om die ondertekening door zijn cliënte op 16 augustus 2023 in het Paleis van Justitie in Arnhem te laten plaatsvinden, omdat zijn cliënte daar dan in het cellencomplex was. Daarmee heeft klaagster ingestemd.

In een cel van het Paleis van Justitie heeft zij, in bijzijn van collega Van W, aan de cliënte van verweerder uitgelegd wat de te ondertekenen formulieren inhielden en dat daarvan ook een Roemeense versie was. Toen iemand van de arrestantenbewaking meedeelde dat verweerder erbij aanwezig wilde zijn, is zij met haar collega en de cliënte van verweerder naar de spreekkamer gegaan, waar verweerder was. Meteen daarna ontstond een felle confrontatie richting klaagster. Verweerder verweet haar met verheven stem niet op hem te hebben gewacht terwijl hij bij het ondertekenen van het DNA-formulier aanwezig had willen zijn. Daarop heeft klaagster hem laten weten dat zij dat zo niet had begrepen en dat dit tevens niet noodzakelijk was.

Volgens klaagster wond verweerder zich enorm op en was zeer onbeschoft en beledigend tegen haar. Hij vroeg zich af of klaagster “wel door de test was gekomen”, zei dat zij een “IQ van 100 had”, en dat "zij" niet te vertrouwen waren. Dit alles was waarneembaar voor de cliënte van verweerder, die met grote ogen deze situatie volgde. Ook was dit letterlijk te volgen door haar collega, die in de deuropening stond, en door de arrestantenbewaking in de gang. Klaagster is correct gebleven tijdens het voorval met verweerder maar een normaal gesprek was met verweerder niet meer te voeren. Klaagster voelt zich door deze onbetamelijke handelwijze van verweerder aangetast in haar integriteit als politiemedewerker, gekleineerd en niet serieus genomen.

Ter onderbouwing van de gang van zaken verwijst klaagster naar haar eigen mutatie van 22 augustus 2023 en naar het proces-verbaal van bevindingen van 15 november 2023 met daarin een verklaring van de bij het voorval aanwezige collega.

4 VERWEER

4.1 Volgens verweerder heeft hij uitdrukkelijk met klaagster afgesproken dat zij elkaar op 16 augustus 2023 in de hal van het Paleis van Justitie in Arnhem zouden treffen en daarna samen naar het cellencomplex zouden gaan waar zijn cliënte dan zou zijn. In het goede contact met klaagster voorafgaand aan 16 augustus 2023 heeft hij haar meerdere malen en met nadruk laten weten dat hij niet wenste dat zijn cliënte, die de Nederlandse taal niet machtig was, buiten zijn aanwezigheid door de politie werd gehoord of benaderd.

4.2 Na op 16 augustus 2023 om 11.30 uur vergeefs een tijdje in de hal van het Paleis van Justitie in Arnhem te hebben gewacht is hij naar het cellencomplex gegaan. Hij heeft daar plaatsgenomen in een spreekkamer met glas. Hij zag door het glas zijn cliënte plus twee politiedames verschijnen. Een van die vrouwen bleek later klaagster te zijn. Zij beschikten over een niet ondertekend DNA-formulier in het Roemeens en het Nederlands.

4.3 Verweerder verweet klaagster dat zij niet op hem gewacht hadden maar tegen de afspraak in al naar zijn cliënte in de cel waren gegaan; een plek waar verweerder zelf niet mocht komen. Ook verweet verweerder klaagster dat zij zijn Roemeense cliënte een Nederlands formulier probeerde te laten ondertekenen. Klaagster wist heel goed dat verweerder niet wilde dat zij contact met zijn cliënte zou hebben buiten zijn aanwezigheid. Zijn opmerking in de spreekkamer dat klaagster en haar collega in hun afspraken niet te vertrouwen waren, was dan ook volkomen terecht.

4.4 Dat zijn cliënte toen op de hoogte zou zijn geweest wat zich afspeelde in het cellencomplex is slechts speculatie van klaagster. Zijn cliënte was immers de Nederlandse taal niet machtig. Ook irrelevant is dat klaagster opmerkt dat de arrestantenbewaking het gesprek zou hebben kunnen volgen.

4.5 Verweerder verwijst naar het door klaagster ondertekende proces-verbaal van 22 augustus 2023 waarin zij op geen enkele wijze melding maakt van het gestelde in de klacht. Als klaagster zich in haar goede naam getroffen zou hebben gevoeld dan zou zij dat toch zeker in haar mutatie van bijna een week later hebben vermeld.

4.6 Verweerder ontkent dat hij opmerkingen over klaagsters intelligentie zou hebben gemaakt. Verweerder geeft aan dat hij van mening is dat de politie bij voortduring betrouwbaar dient te zijn en dat klaagster en collega dit vertrouwen hebben geschonden.

4.7 Tenslotte merkt verweerder op dat zijn cliënte hem vertelde dat klaagster en diens collega in de cel hebben geprobeerd de cliënte de Nederlandse tekst van het DNA-formulier te laten ondertekenen. Dit was ook in strijd met de gemaakte afspraak tussen klaagster en verweerder.

5 BEOORDELING

5.1 De raad stelt vast dat het gaat om het handelen van de advocaat die niet de advocaat of wederpartij van klaagster was, maar de advocaat van een cliënte bij wiens (straf)zaak klaagster als politieambtenaar betrokken was.

5.2 Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt in dat geval aan de advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt maar kan onder meer worden ingeperkt indien de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over (voor zover hier van belang) een betrokken derde, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat ze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van (voor zover hier van belang) een betrokken derde onnodig of onevenredig schaadt, zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

5.3 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

5.3 Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder verklaard dat hij woedend was over de gang van zaken. Hij had op 16 augustus 2023 met klaagster afgesproken in de hal van het Paleis van Justitie. Toen hij haar daar niet zag en beneden vanuit de spreekkamer in het cellencomplex zag dat klaagster met zijn cliënte sprak, heeft hij klaagster daarop kort na hun ontmoeting met stemverheffing aangesproken. De raad heeft begrip voor enige boosheid en frustratie van de kant van verweerder omdat naar zijn idee de met klaagster gemaakte afspraken door haar niet waren nagekomen maar de manier waarop hij daarna klaagster in het cellencomplex van de rechtbank heeft bejegend kan niet als functionele boosheid worden gezien. Naar het oordeel van de raad gaat het te ver en is het een advocaat onwaardig om in je woede, zoals verweerder die had, de betrouwbaarheid van een politieambtenaar in twijfel te trekken. Daarbij staat ook vast, zoals bevestigd door de collega, dat verweerder klaagster ook persoonlijk heeft aangevallen met volstrekt onbetamelijke uitlatingen. Verweerder heeft zich bovendien niet alleen laten gaan richting klaagster in aanwezigheid van zijn eigen cliënte - die zal hebben gemerkt dat er iets niet in orde was - maar bovenal ook in bijzijn van de collega van klaagster en bewakers in het cellencomplex. De raad begrijpt zelfs uit de verklaring van de collega dat het zodanig grimmig werd, dat zij klaagster heeft meegenomen om verdere problemen voor te zijn.

5.4 Wat op 16 augustus 2023 tussen verweerder en klaagster is voorgevallen, kan als een eenmalig incident worden gezien. Verweerder had zich echter achteraf moeten realiseren dat hij te ver was gegaan. De raad acht het van belang dat verweerder na 16 augustus 2023 niets heeft gedaan om het met klaagster uit te praten. Hij had klaagster kort daarna kunnen bellen om excuses aan te bieden. Dat had hij daarna ook kunnen doen tijdens het bemiddelingsgesprek bij de deken of in het kader van de door de korpschef voor klaagster ingediende klacht. Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad voor een deel zijn excuses aangeboden maar de raad is niet gebleken dat sprake is van welgemeende excuses aan klaagster.

5.5 De raad rekent dit verweerder aan. Hij heeft zich naar het oordeel van de raad niet professioneel gedragen richting klaagster in haar functie van politieambtenaar door zich onnodig grievend richting haar uit te laten in bijzijn van derden. Een toereikende verklaring voor zijn gedrag ontbreekt.

5.6 Op grond van het voorgaande is de klacht van klaagster gegrond.

6 MAATREGEL

Omdat de klacht gegrond wordt verklaard, komt aan de orde of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Zoals hiervoor overwogen rekent de raad verweerder zijn optreden op èn na 16 augustus 2023 ernstig aan. Hij had voldoende mogelijkheden om het incident met klaagster op te lossen, maar heeft niets gedaan. Dat betaamt een behoorlijk advocaat niet. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van de raad de oplegging van een waarschuwing aan verweerder. 

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 25,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. E.H.M. Harbers, M.M. Kuyp, M. Lont, J.J. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter


Verzonden op: 9 februari 2026