ECLI:NL:TADRARL:2026:44 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-471/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:44 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 10-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-471/AL/NN |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Verweerder heeft een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ingediend in twee procedures waarin klaagster geen partij was. De raad heeft geoordeeld dat verweerder hiermee de belangen van klaagster heeft geschonden en daarom tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gelet op de ernst van dit verwijt is in beginsel de oplegging van een berisping gerechtvaardigd. In het voordeel van verweerder houdt de raad er echter ook rekening mee dat verweerder, hoewel te laat, het stuk wel heeft ingetrokken. Ook heeft verweerder - kort na het indienen van het rapport en op de zitting van de raad - erkend dat hij anders had moeten handelen en heeft hij zijn excuses aan klaagster aanboden. Verder neemt de raad in aanmerking dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. Gelet op deze omstandigheden is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met de oplegging van een waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 9 februari 2026
in de zaak 25-471/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 5 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 17 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2025 KNN001 / 2439730 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 november 2025. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klaagster is verwikkeld in een familierechtelijke procedure tegen haar ex-partner, met wie klaagster kinderen heeft. Deze procedure wordt in [plaatsnaam] behandeld omdat klaagster bij de rechtbank [plaatsnaam] werkt. In die procedure is een rapport door de Raad voor de Kinderbescherming (over onder andere klaagster en haar kinderen) opgesteld. Verweerder staat de ex-partner bij.
2.2 De ex-partner van klaagster heeft ook kinderen uit een eerdere relatie. Ook hierover lopen gerechtelijke procedures. Verweerder staat de ex-partner van klaagster ook in die procedures bij. Die procedures worden behandeld bij de rechtbank [plaatsnaam], locatie [plaatsnaam]. Op 19 december 2024 heeft verweerder in een kortgedingprocedure bij deze rechtbank een dagvaarding ingediend. Als productie bij deze dagvaarding heeft verweerder het hierboven genoemde rapport ingediend.
2.3 Klaagster kreeg op 19 december 2024 per WhatsAppbericht van de andere ex-partner van haar ex-partner de concept kortgedingdagvaarding toegestuurd. Klaagster heeft in een e-mail van 19 december 2024 aan verweerder laten weten dat zij geen toestemming had verleend om het rapport in deze procedure te gebruiken en heeft aangegeven dat zij er van uit gaat dat verweerder het rapport uit de dagvaarding zal halen.
2.4 Op 23 december 2024 kreeg klaagster per e-mail van de andere ex-partner van haar ex-partner de definitieve dagvaarding toegezonden alsmede het verzoekschrift met bijlagen in de bodemprocedure in de zaak die verweerder ten behoeve van zijn cliënt tegen de andere ex-partner voerde. Het raadsrapport maakte deel uit van beide procedures.
2.5 Op 23 december 2024 heeft klaagster aan verweerder geschreven dat zij had begrepen dat het rapport toch was ingediend en dat zij een klacht zou indienen.
2.6 Dezelfde dag heeft verweerder aan klaagster geschreven dat hij de productie zou intrekken.
2.7 Verweerder heeft op 23 december 2024 in de beide procedures aan de rechtbank geschreven dat deze productie als ingetrokken beschouwd dient te worden en dat het rapport daarom in beide procedures geen deel meer uitmaakt van de stukken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door zonder toestemming van klager als gezaghebbende ouder een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, dat klaagster en haar minderjarige kinderen betreft, met vertrouwelijke en gevoelige informatie in te dienen in een procedure waarbij klaagster en haar kinderen geen partij zijn, bij de rechtbank waar klaagster werkzaam is.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.
5.2 De raad stelt op grond van het klachtdossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. In de procedure van klaagster tegen haar ex-partner is door de Raad voor de Kinderbescherming een rapport opgemaakt. De ex-partner is ook verwikkeld in procedures tegen een andere ex-partner. Verweerder heeft in één van die procedures - een kortgedingprocedure bij de rechtbank [plaatsnaam] - op 19 december 2024 dit rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ingediend. Diezelfde dag heeft klaagster aan verweerder gemaild dat zij geen toestemming voor het indienen van dit rapport had verleend en dat ze er van uit gaat dat verweerder dit rapport zal intrekken. Na deze e-mail van klaagster heeft verweerder het rapport ook in een andere (bodem)procedure bij de rechtbank [plaatsnaam] ingediend. Op 23 december 2024 is klaagster hiervan op de hoogte geraakt en heeft zij aan verweerder kenbaar gemaakt dat zij een klacht zou indienen tegen verweerder. Diezelfde dag heeft verweerder vervolgens in beide procedures aan de rechtbank geschreven dat deze productie als ingetrokken beschouwd dient te worden en dat het rapport daarom in beide procedures geen deel meer uitmaakt van de stukken.
5.3 Verweerder heeft aangevoerd dat het inbrengen van het rapport in de eerste zaak in het belang van zijn cliënt was, maar hij heeft ook verklaard dat hij het rapport niet op deze manier (in zijn geheel) in de procedure had moeten brengen. Hij heeft het rapport in de tweede procedure abusievelijk ingediend omdat het rapport onderdeel uitmaakte van de stukken die hij in deze zaak nog wilde indienen en hij was vergeten om het rapport na het door klaagster gemaakte bezwaar hier uit te halen. Het indienen van het rapport in deze tweede procedure was slordig en niet de bedoeling, aldus verweerder.
5.4 De raad overweegt dat er geen algemene tuchtrechtelijke regel is die het verbiedt om een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming in een andere zaak - waarin het rapport niet is opgemaakt - in te dienen. Gelet op de gevoelige informatie in een dergelijk rapport is het echter wel vereist dat een advocaat een zorgvuldige belangenafweging maakt voordat hij tot zo’n beslissing komt. Verder dient een advocaat te bekijken of de in zijn ogen relevante informatie niet op een andere, minder ingrijpende, manier in het geding kan worden gebracht, bijvoorbeeld door onderdelen van het rapport te citeren of door het rapport geanonimiseerd in te brengen.
5.5 De raad stelt vast dat verweerder deze belangenafweging niet heeft gemaakt voordat hij het gehele rapport in de eerste (kortgeding)procedure heeft gebracht. Verweerder zelf heeft daarover verklaard dat het ook mogelijk was geweest om in plaats van het gehele rapport, de relevante delen van het rapport of een anonieme versie van dat rapport in te dienen. In deze zaak was terughoudendheid bij het indienen van dit stuk nog meer op zijn plaats omdat klaagster bij de rechtbank [plaatsnaam] werkzaam is en verweerder hiervan ook op de hoogte was. Daarna heeft verweerder – nadat klaagster bezwaar had gemaakt tegen het inbrengen van het rapport – het rapport alsnog (abusievelijk) in een andere procedure ingediend. Bovendien heeft hij in de eerste zaak het rapport niet direct na de e-mail van klaagster ingetrokken.
5.6 De raad komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat verweerder door zijn handelen de belangen van klaagster heeft geschonden en niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. De klacht wordt daarom gegrond verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ingediend in twee procedures waarin klaagster geen partij was. De raad heeft geoordeeld dat verweerder hiermee de belangen van klaagster heeft geschonden en daarom tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gelet op de ernst van dit verwijt is in beginsel de oplegging van een berisping gerechtvaardigd.
6.2 In het voordeel van verweerder houdt de raad er echter ook rekening mee dat verweerder, hoewel te laat, het stuk wel heeft ingetrokken. Ook heeft verweerder - kort na het indienen van het rapport en op de zitting van de raad - erkend dat hij anders had moeten handelen en heeft hij zijn excuses aan klaagster aanboden. Verder neemt de raad in aanmerking dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. Gelet op deze omstandigheden is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met de oplegging van een waarschuwing.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. N.A. Heidanus; M.M. Mok;
P. Rijnsburger; S.H.G. Swennen, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 februari 2026