ECLI:NL:TADRARL:2026:43 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-386/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:43 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 10-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-386/AL/NN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster beklaagt haar eigen advocaat. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder op zorgvuldige en tijdige wijze zijn opdracht voor klaagster neergelegd. Ten aanzien van de niet tijdige melding door verweerder van de scheiding van klaagster aan de pensioenfondsen is de raad van oordeel dat verweerder daarin in de door hem geschetste omstandigheden heeft gedaan wat hij kon. Klaagster heeft ook geen schade geleden. Ook verder heeft verweerder zorgvuldig gehandeld en de belangen van klaagster naar behoren behartigd. Ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 9 februari 2026
in de zaak 25-386/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 8 juli 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 12 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN082 / 2356614 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 21 november 2025. Daarbij was verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van verweerder van 12 november 2025 en de e-mail van klaagster van 13 november 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaring, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerder stond klaagster bij in haar echtscheidingsprocedure met de heer V (hierna: de man) op basis van een toevoeging. In haar verzoekschrift van 4 oktober 2017 is onder meer verzocht om een onderhoudsbijdrage van € 8.000,- per maand ten laste van de man.
2.2 De man is niet verschenen bij de mondelinge behandelingen van de procedures inzake de voorlopige voorziening, de echtscheiding en de boedelscheiding.
2.3 Bij beschikking van 13 november 2018 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder heeft de rechtbank iedere beslissing aangehouden tot 12 februari 2019 in afwachting van bericht van klaagster over het resultaat van het mediation traject en over de wijze waarop de zaak verder zou moeten worden afgedaan. Klaagster beschikte niet over informatie over het vermogen van de man, afgezien van enkele in de Kamer van Koophandel gedeponeerde stukken. Klaagster was ook niet op de hoogte van de pensioenaanspraken van de man. De man reageerde niet op schikkingsvoorstellen van verweerder namens klaagster.
2.4 De echtscheiding is op 12 maart 2019 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. Daarna is de procedure voor lange tijd aangehouden vanwege de mediation en de uitkomst in hoger beroep van een strafrechtelijke procedure van de man.
2.5 De man is eind 2021 gestopt met het betalen van een vrijwillige bijdrage in het levensonderhoud aan klaagster.
2.6 Op 27 december 2021 is op verzoek van klaagster bij de rechtbank de bodemprocedure hervat. Verweerder heeft die dag een aanvullend verzoekschrift namens klaagster ingediend. Daarin is door klaagster onder meer verzocht om afgifte aan klaagster van afschriften van financiële informatie van de man.
2.7 Op 17 januari 2022 heeft mr. K zich namens de man in de procedure gesteld.
2.8 De man is op 30 augustus 2022 in hoger beroep (opnieuw) veroordeeld wegens valsheid in geschrifte tot een gevangenisstraf van zestien maanden waarvan tien voorwaardelijk en veroordeeld tot betaling van bijna 4 miljoen euro aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De man is in cassatie gegaan.
2.9 Op 24 oktober 2022 heeft verweerder namens klaagster bij de rechtbank nog een aanvullend verzoekschrift ingediend. Daarin is namens klaagster onder meer verzocht om partijen te gelasten om een volledig overzicht te geven van alle bestanddelen van de gemeenschap. Ook heeft klaagster daarin verzocht te bepalen dat de man wegens het gebruik van de voormalige echtelijke woning aan haar een vergoeding van € 1.500,- per maand moet betalen over de periode van oktober 2015 tot de datum van verdeling van de gemeenschap.
2.10 Op 10 januari 2023 heeft mr. K namens de man een verweerschrift met tegenverzoeken bij de rechtbank ingediend.
2.11 Op 26 juni 2023 heeft verweerder bij de advocaat van de man in het kader van pensioenverevening informatie opgevraagd over het pensioenverleden van de man tijdens zijn huwelijk met klaagster. Mr. K heeft hierop niet gereageerd.
2.12 Op 14 juli 2023 heeft verweerder bij Aegon op grond van artikel 9 van de Wet verevening pensioenrechten (Wvps) informatie opgevraagd omtrent de (eventuele) pensioenrechten van klaagster.
2.13 De man ontvangt sinds 21 juli 2023 ouderdomspensioen van Aegon als pensioenuitvoerder.
2.14 Op 28 juli 2023 heeft Aegon aan verweerder een berekening voor de aanspraken van klaagster op een ouderdomspensioen gestuurd. Daarbij is ook vermeld dat Aegon als pensioenuitvoerder, gelet op het bepaalde in artikel 2 Wvps, niet de verplichting heeft om rechtstreeks aan klaagster uit te betalen.
2.15 Verweerder heeft klaagster ervan in kennis gesteld dat hij op grond van artikel 2 Wvps niet binnen twee jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking daarvan melding aan het pensioenfonds heeft gedaan. Klaagster heeft verweerder op 20 maart 2024 voor de daardoor geleden schade aansprakelijk gesteld. Verweerder heeft zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar hierover op 22 maart 2024 geïnformeerd. De ontvangst daarvan is diezelfde dag via de tussenpersoon aan verweerder bevestigd.
2.16 Op 19 april 2024 heeft verweerder op de e-mail van klaagster en de aansprakelijkstelling gereageerd. Hij heeft haar onder meer geschreven:
De melding aan de pensioenfondsen had gedaan kunnen worden tot en met 12 maart 2021. Dat is niet gebeurd. De reden daarvan is dat mij niet bekend was bij welke pensioenfondsen de melding gedaan had kunnen worden.
[De man] heeft langs niets gedaan in de procedure. (…)
Toen [mr. K] in de procedure verscheen, dat was pas op 17 januari 2022, was de tweejaarstermijn bedoeld in de Wvps al verstreken.
Tot op heden heeft [mr. K] nog geen info verstrekt over de pensioenvoorzieningen. (…)
We weten nu dat Aegon het fonds is waar de voorziening van het ouderdomspensioen loopt op basis van een werknemersrelatie.
Ik ben het met jou eens dat er eerder gevraagd had kunnen worden aan de werkgever van [de man] wat en waar er aan pensioenvoorzieningen liep. Ik ben het er ook mee eens dat er eerder een opvolging had kunnen zijn op de brief van Aegon. Daarvoor mijn oprechte excuses. (…)
Wat betreft de vraag of ik aansprakelijkheid erken, merk ik op dat jouw bericht heb gemeld bij mijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Het lijkt mij juist om de zaak op deze wijze correct aan te pakken. Ik acht mij niet vrij om aansprakelijkheid te erkennen. Eerst is het de verzekeraar die de zaak zal beoordelen .
Verdere aanpak
Gezien mijn voortschrijdende leeftijd en gezondheidsproblematiek heb ik begin dit jaar besloten om te stoppen met de personen en familierecht praktijk en mijn werkzaamheden durende de laatste drie jaren voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd geleidelijk aan af te bouwen.
Vorenstaande betekent dat ik in een eventueel door jou gewenst hoger beroep niet voor je zal optreden. (…)
Ingeval er door een nieuwe advocaat een eventueel door jou hoger beroep wordt ingesteld biedt dat tevens de gelegenheid om hem te laten beoordelen of ik in mijn optreden voor jou fout heb gehandeld.
2.17 Bij beschikking van 4 juni 2024 heeft de rechtbank onder meer beslist:
4.31 Zoals hiervoor is overwogen, is de man een gebruiksvergoeding verschuldigd aan de vrouw. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze vergoeding op te leggen met terugwerkende kracht vanaf 2015. De vrouw heeft de gebruiksvergoeding immers pas in oktober 2022 verzocht, zodat de man eerder hiermee geen rekening hoefde te houden. Omdat de hoogte van de gebruiksvergoeding niet door de man is betwist, zal deze worden toegewezen zoals door de vrouw verzocht. (…).
De ingangsdatum hiervan is bepaald op 1 januari 2024. De rechtbank heeft tegen deze beslissing over de gebruiksvergoeding niet uitdrukkelijk de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep opengesteld.
2.18 Op 12 juni 2024 heeft verweerder een berekening van het door de man aan klaagster verschuldigde bedrag aan diens advocaat mr. K gestuurd en de man gesommeerd over te gaan tot betaling van het verschuldigde bedrag aan klaagster. Ook heeft hij de man gesommeerd om het aan klaagster toekomende pensioendeel aan klaagster te betalen en tevens voorgesteld om de toekomstige uitkeringen daarvan via Aegon te laten lopen.
2.19 In zijn e-mail van 3 juli 2024 heeft verweerder een toelichting op de beslissing van de rechtbank gegeven maar ook de overeenkomst van opdracht met klaagster opgezegd per 1 augustus 2024. In dat kader heeft hij klaagster geschreven:
Je ziet dat ik bij verzending van deze e-mail vraag om een ontvangst-/leesbevestiging en dat je mijn bericht ook per aangetekende brief ontvangt. De reden daarvan is, dat, hoewel ik je meerdere keren heb gevraagd om een andere advocaat in te schakelen, ik daar niet van merk.
Opzegging
Daarom zeg ik, om te voorkomen dat je denkt dat ik voor jou blijf werken, nu officieel de overeenkomsten met jou op per 1 augustus 2024. Na 31 juli a.s. ben ik dus niet meer jouw advocaat. De reden van de opzegging is jou bekend. Mijn gezondheid noodzaakt mij om bepaalde zaken niet meer te behandelen. Ik sta weer voor een opname in een ziekenhuis. Als gemeld zal ik ook geen hoger beroep voor jou behandelen.
Het is in jouw belang dat je zo spoedig mogelijk kiest voor een andere advocaat. De termijn voor hoger beroep van de beschikking d.d. 4 augustus 2024 bedraagt 3 maanden. Ik heb je uitgelegd dat voor er instellen van hoger beroep veel werk verzet zal moeten worden. Je kunt dus niet pas kort voor 4 september a.s. bij een andere advocaat aankloppen.
2.20 In zijn e-mail van 5 juli 2024 heeft verweerder aan klaagster zijn excuses aangeboden over het niet, dan wel te laat versturen van enkele e-mails en verder ook geschreven:
Blijft over de opzegging bij brief van 3 juli jl.
Door de situatie rondom mijn gezondheid kan ik niet anders dan aangeven, dat ik mijn werkzaamheden voor jou ga beëindigen.
In mijn brief van 19 april jl. heb ik onder het kopje Verdere aanpak echter al aangegeven, dat ik voor jou geen hoger beroep zou instellen. Voor de kwestie van de pensioenen heb ik al aangegeven dat een andere advocaat die zaak wel kan overnemen.
Omdat de opzegging van 3 juli jl., als gevolg van het niet aan jou zenden van het bericht van 8 juni jl. en door het niet eerder verzenden van het bericht met uitleg over de beschikking niet goed te begrijpen is, verruim ik de termijn van opzegging tot 15 augustus 2024. Deze opzegging geldt dus per 15 augustus 2024. Vanaf 15 augustus a.s. ben ik dus geen advocaat meer van jou.
Voor noodgevallen probeer ik, voor zover dat in mijn vermogen ligt, je te helpen. Maar als gezegd betekent dat niet zo maar dat ik processtukken zal opstellen en indienen. (…)
Een opvolgend advocaat dien je zelf te kiezen. (…)
Wacht niet te lang met het zoeken naar een advocaat. (…)
2.21 Verweerder heeft zich formeel op 20 november 2024 onttrokken nadat de nieuwe advocaat van klaagster zich op 19 november 2024 bij verweerder had gemeld.
2.22 Op 5 augustus 2024 heeft de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder gereageerd op de door klaagster over verweerder ingediende klacht. Hij heeft daarin zijn visie gegeven op de aan verweerder gemaakte verwijten. Verder heeft hij in punt 5 geschreven:
Over de beschikking van 4 juni jl. heeft [verweerder] u uitvoering geïnformeerd. Ik zag de aanvullende toelichting van 2 juli jl.
Enerzijds is duidelijk gemaakt dat het gaat om een tussenbeschikking, waarvan nog geen hoger beroep mogelijk is, Anderzijds is er een uitzondering gemaakt voor wat betreft alléén die delen van de beschikking waar het gaat om, als ik het kort mag aangeven, de verknochtheid van schulden en de vrijwaring met betrekking tot die schulden. Formeel is er dus nog geen mogelijkheid van hoger beroep wat betreft de gebruiksvergoeding. Advies daarover is dan ook niet direct mogelijk.
Iets anders is dat [verweerder] in de toelichting van 2 juli jl. ook is ingegaan op de kwestie van zogenaamde deelbeschikkingen. [Verweerder] heeft u geadviseerd daarover met uw nieuwe advocaat te overleggen.
Nu duidelijk is dat [verweerder] zelf geen hoger beroep zal instellen, is het ook niet aan hem om u daarin verder te adviseren.
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de rechtsbijstand aan klaagster in strijd met gedragsregel 14 lid 3 op te zeggen.
Toelichting: Verweerder heeft als verrassing voor klaagster zonder gewichtige redenen, zoals vereist in artikel 7:408 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, na zeven jaar de opdracht van klaagster neergelegd. Verweerder had tijdens zijn ziekte voor een waarnemer moeten zorgen die de zaak van klaagster had kunnen doen. Het afstoten van een gedeelte van zijn praktijk door ziekte levert ook geen gewichtige reden op. Als dat al nodig was, dan had verweerder zelf de zaak van klaagster moeten overdragen aan een opvolger. Volgens klaagster is deze willekeur van verweerder richting haar onrechtmatig geweest. Bovendien was de opzegtermijn van verweerder onredelijk kort. Verweerder heeft op 3 juli 2024 tegen 15 augustus 2024 opgezegd met de mededeling dat hij in haar zaak geen werkzaamheden meer zou verrichten behalve in noodgevallen. Hij deed dus per direct niets meer voor haar, terwijl er dringend werkzaamheden dienden te worden uitgevoerd, zoals het leggen van beslag(en). Extra klemmend voor klaagster was dat zij daarna veelvuldig en vergeefs heeft geprobeerd om een andere advocaat te vinden. Die konden niets meer aan haar zaak verdienen. Pas met hulp van de deken heeft zij een advocaat gevonden van wie het uurtarief veel hoger is dan die van verweerder. Daardoor heeft klaagster duizenden euro’s schade geleden;
b) (i) de pensioenverevening na haar echtscheiding niet tijdig te regelen en (ii) klaagster niet te wijzen op de bepalingen van de Wvps;
c) (i) te laat om een gebruiksvergoeding te verzoeken voor het gebruik door de man van de voormalige echtelijke woning, waardoor klaagster duizenden euro’s schade heeft geleden en (ii) klaagster ook niet te adviseren over de beroepsmogelijkheden tegen het vonnis van 4 juni 2024 over die gebruiksvergoeding, maar dit te negeren.
Toelichting: Verweerder had klaagster schriftelijk moeten informeren over haar beroepsmogelijkheid met betrekking tot de gebruiksvergoeding. Volgens verweerder was het aan haar opvolgend advocaat om haar over beroepsmogelijkheden te informeren, maar dat is onjuist. Ook stelde verweerder ten onrechte dat het niet mogelijk was om daartegen hoger beroep in te stellen terwijl sprake was van een eindbeslissing. Het kan niet zo zijn dat, doordat verweerder hierover geen schriftelijk maar een mondeling en onjuist advies aan klaagster heeft gegeven, hij daarvoor niet aansprakelijk kan worden gehouden;
d) in strijd met gedragsregel 16 klaagster niet op eigen initiatief te informeren over door hem gemaakte fouten en die te melden bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
Toelichting: Verweerder reageert niet op haar aansprakelijkstellingen met betrekking tot het niet wijzen op de bepalingen van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en het te laat vorderen van de gebruiksvergoeding. Hij had haar actief op de hoogte moeten houden van zijn acties richting zijn verzekeraar en kan niet volstaan met het verwijzen naar het feit dat zijn verzekeraar niet adequaat handelt. Omdat de schade van klaagster bovendien minder zal bedragen dan het eigen risico van verweerder bij zijn verzekeraar, verwacht klaagster dat verweerder zelf haar schade vergoedt.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2 Hij heeft de opdrachtrelatie met klaagster op 3 juli 2024 beëindigd omdat hij ernstig (levensbedreigend) ziek was geworden en als gevolg daarvan niet in staat was en zou zijn om de belangen van klaagster nog verder naar behoren te behartigen. Hij heeft klaagster dit ook verteld en er daarna herhaaldelijk bij haar op aangedrongen om een nieuwe advocaat te zoeken maar die boodschap leek niet goed bij haar door te dringen. Op 19 april 2024 had hij klaagster al geschreven dat hij haar sowieso niet meer zou bijstaan in een eventueel in te stellen hoger beroep. Aan deze meer subtiele signalen gaf klaagster geen gehoor, zodat hij genoodzaakt was om op 3 juli 2024 de overeenkomst formeel op te zeggen. Omdat hij de daarin genoemde opzegtermijn tegen 1 augustus 2024 na haar reactie daarop zelf ook wat kort vond, heeft hij die termijn op 5 juli 2024 verlengd tot 15 augustus 2024. Ook die termijn heeft hij niet strikt gehanteerd omdat hij klaagster niet in de kou wilde laten staan. Voor noodgevallen kon zij een beroep op hem doen en hij heeft nog gezorgd voor de op grond van artikel 31 Wetboek van Rechtsvordering verbeterde uitspraak van 28 augustus 2024. Formeel heeft hij zich op 20 november 2024 onttrokken, nadat klaagster een nieuwe advocaat had. Op geen enkele manier heeft klaagster schade geleden doordat hij zijn opdracht heeft neergelegd.
Klachtonderdeel b)
4.3 Verweerder bevestigt dat hij niet tijdig, binnen twee jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de burgerlijke stand, op 12 maart 2019, dus voor 12 maart 2021, de pensioenfonds(en) van de man daarover heeft ingelicht. Dat kon hij ook niet doen omdat hij niet tijdig beschikte over die informatie. De man gaf die informatie niet. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat hij pas in maart 2022 voor het eerst duidelijkheid kreeg over de pensioenfaciliteit van de man door ontvangst van een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst waarin dat stond.
4.4 Op het verwijt dat hij klaagster niet heeft gewezen op de tweejaarsbepaling uit de Wvps heeft verweerder zich tijdens de zitting als volgt verweerd.
4.5 Al vóór aanvang van de tweejaarstermijn voor de melding aan de pensioenfondsen en tot na het einde van die termijn liep de mediation tussen partijen nog. Die was op 19 juli 2021 nog niet afgerond. In die periode had hij alleen contact met klaagster over de vraag of hij de zaak bij de rechtbank opnieuw moest aanhouden, wat telkens werd bevestigd. Ook vroeg hij klaagster of hij iets tegen de man moest ondernemen. Dat wilde klaagster niet, omdat zij tot dat moment nog altijd maandelijks een flink bedrag van de man ontving en zij bang was dat iedere actie van haar kant kon leiden tot stopzetting daarvan. Pas eind 2021 is de aangehouden procedure weer verder gegaan op verzoek van klaagster en heeft verweerder voor haar een aanvullend verzoekschrift ingediend.
4.6 Verweerder verwijt zichzelf dat hij niet voorafgaand aan dan wel tijdens het mediation traject aan klaagster heeft gezegd dat er op bedoelde tweejaarstermijn moest worden gelet. Of de mediator dat heeft gedaan, is hem niet bekend. De verklaring die hij hiervoor heeft is dat er niets bekend was over pensioenen en hij zich tijdens de mediation op de vlakte heeft gehouden om die niet te verstoren, en dat deed hij in het belang van klaagster.
4.7 Of klaagster hierdoor is benadeeld of schade heeft geleden, is verweerder onbekend. Deze vermeende tekortkomingen liggen ter beoordeling bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
Klachtonderdeel c)
4.8 Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat klaagster tijdens het lopende mediation traject uitdrukkelijk geen actie tegen de man wilde ondernemen, daarin voorzichtig was, om te voorkomen dat een actie van haar kant tot stopzetting van de forse maandelijkse bijdrage van de man aan haar zou leiden. Toen de man eind 2021 zelf stopte met die betaling, was er geen financiële informatie beschikbaar van de man en gezien de situatie met de onbereikbaarheid van de man toen ook geen ruimte voor een gebruiksvergoeding. Pas nadat zich in de loop van 2022 een advocaat van de man heeft gesteld, is bij verweerder en klaagster financiële informatie van de man bekend geworden. Die informatie kreeg hij enkele maanden voordat hij op 24 oktober 2022 het aanvullend verzoekschrift voor klaagster heeft ingediend. Volgens verweerder had een eerder verzochte gebruiksvergoeding voor de rechtbank niets uitgemaakt gelet op de toekenning met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 van een gebruiksvergoeding. Daar is verweerder niet verantwoordelijk voor.
4.9 Al op 19 april 2024, nog voor de beschikking van 4 juni 2024, heeft hij klaagster uitgebreid laten weten in haar zaak geen hoger beroep in te zullen stellen. Hij heeft haar na de beschikking mondeling en schriftelijk geadviseerd om snel een andere advocaat te zoeken die haar kon adviseren of tegen de beslissing over de gebruiksvergoeding al dan niet hoger beroep mogelijk was. Hij verwijst naar hetgeen de klachtenfunctionaris daarover in zijn e-mail van 5 augustus 2024 aan klaagster heeft geschreven.
Klachtonderdeel d)
4.10 Verweerder stelt dat hij op 19 april 2024 wel op de aansprakelijkstelling van klaagster heeft gereageerd. Ook heeft hij daarvan onverwijld melding gedaan bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Ondanks zijn vele telefoontjes om tot actie te komen, ligt dat nog ter beoordeling bij de verzekeraar. Daar heeft hij geen invloed op.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a); neerleggen opdracht
5.4 Waar beoordeeld moet worden of een advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich aan de zaak te onttrekken zal acht worden geslagen op Gedragsregel 14 lid 3 waarin is bepaald dat, als een advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, hij dat op zorgvuldige wijze dient te doen en er voor zorg dient te dragen dat zijn cliënte daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt (aldus artikel 7:402 lid 2 BW en de daarmee strokende gedragsregel 14 leden 2 en 3).
5.5 Verweerder heeft in zijn e-mail van 19 april 2024 aan klaagster aangekondigd dat hij door zijn medische situatie en zijn leeftijd een deel van zijn zaken gaat afstoten, de familiepraktijk, en dat dit betekent dat hij in haar zaak geen werkzaamheden in een mogelijk hoger beroep zal doen. Ook heeft hij klaagster geadviseerd om alvast op zoek te gaan naar een andere advocaat. Dat verweerder zijn werkzaamheden voor klaagster in zijn e-mails van 3 en 5 juli 2024 formeel heeft neergelegd met ingang van 15 augustus 2024, kan voor klaagster dan ook niet als een verrassing zijn gekomen. Zij was daarvan al op 19 april 2024 op de hoogte. De raad is verder gebleken dat verweerder ook na 15 augustus 2024 feitelijk toch nog werkzaamheden voor klaagster heeft gedaan en pas in november 2024 als haar advocaat is gestopt toen klaagster een nieuwe advocaat had. Klaagster heeft aldus ruim de tijd gehad om een andere advocaat te zoeken en daarmee heeft verweerder aan zijn zorgplicht richting klaagster voldaan.
5.6 Als onbetwist staat vast dat verweerder tijdens zijn ziekte een waarnemer zijn zaken heeft laten behartigen zoals een goed advocaat ook betaamt. Niet valt in te zien op welke grond een advocaat gehouden is om een opvolgend advocaat voor een cliënt te zoeken nadat de opdracht is neergelegd zoals het geval is bij verweerder. De raad kan niet vaststellen dat sprake is geweest van willekeur en onrechtmatig handelen door verweerder waardoor klaagster schade zou hebben geleden. Voor een beoordeling daarover staan andere wegen open dan de tuchtrechtelijke.
5.7 Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerder in deze niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarom wordt klachtonderdeel a) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b); informeren over en regelen van pensioenverevening
5.8 Alhoewel verweerder klaagster in aanloop naar en tijdens de mediation zelf ook had moeten informeren over relevante bepalingen in de Wvps, zoals verweerder zichzelf ook verwijt, kan dat èn het niet tijdig melden van de echtscheiding aan de pensioenfondsen van de man in de specifieke omstandigheden van dit geval niet aan verweerder tuchtrechtelijk worden verweten. Vast staat dat de man langdurig geen financiële informatie aan klaagster en verweerder heeft verstrekt. Vast staat ook dat verweerder pas op 28 juli 2023 wist dat de man bij Aegon een pensioen had lopen; onbekend is nog altijd of er meer pensioenaanspraken van de man zijn. Deze kennis kreeg verweerder dus pas ruim ná het verstrijken van de tweejaarstermijn van 12 maart 2021. Het was dan ook feitelijk onmogelijk voor verweerder om tijdig op grond van artikel 2 Wvps melding van de echtscheiding van klaagster en de man bij Aegon te doen. Hij heeft klaagster hierover op 19 april 2023 geïnformeerd. In diezelfde e-mail heeft hij klaagster zijn excuses aangeboden dat hij eerder bij de werkgever van de man had kunnen vragen waar de pensioenvoorzieningen liepen en hij sneller opvolging had kunnen geven aan de brief van – naar de raad begrijpt: - 28 juli 2023 van Aegon. Nu de man met ingang van 21 juli 2023 zijn pensioen van Aegon ontvangt, is hij gehouden om het aandeel van klaagster direct aan haar uit te keren. Klaagster heeft naar het oordeel van de raad door het nalatig handelen van verweerder geen schade geleden.
5.8 Op grond van voorgaande is de raad dan ook van oordeel dat verweerder in deze geen tuchtrechtelijk verwijt treft, zodat ook klachtonderdeel b) ongegrond wordt verklaard.
Klachtonderdeel c); gebruiksvergoeding en beroepsmogelijkheden
5.9 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder een aannemelijke verklaring gegeven waarom hij pas op 24 oktober 2022 in het tweede aanvullend verzoekschrift een gebruiksvergoeding voor klaagster heeft gevraagd en dit bewust niet al eerder voor klaagster heeft verzocht. Uit de stukken volgt ook dat verweerder niet eerder over de benodigde financiële informatie van de man beschikte dan kort voor oktober 2022. Dat de rechtbank de ingangsdatum van de toegewezen gebruiksvergoeding heeft bepaald op 1 januari 2024 kan verweerder niet worden verweten.
5.10 Daarnaast heeft verweerder klaagster schriftelijk op 19 april 2024 in duidelijke bewoordingen uitgelegd dat hij geen hoger beroep voor haar zou instellen tegen de beschikking en dat zij daarvoor op zoek moest naar een andere advocaat. Op 4 juni 2024 heeft de rechtbank de beschikking gewezen. Daarin is door de rechtbank niet uitdrukkelijk tussentijds hoger beroep opengesteld tegen de beslissing omtrent de gebruiksvergoeding. Verweerder hoefde klaagster daar naar het oordeel van de raad niet meer over te adviseren omdat hij die werkzaamheden niet voor haar zou doen. Los daarvan heeft hij klaagster nog wel voorgehouden welke opties door haar opvolgend advocaat in hoger beroep bekeken konden worden.
5.11 Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de raad zorgvuldig gehandeld en de belangen van klaagster naar behoren behartigd. De raad zal ook klachtonderdeel c) ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel d); informeren over fouten en melding beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar
5.12 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder nadat hij door klaagster aansprakelijk is gesteld haar daarna actief geïnformeerd over de acties richting zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Verweerder was zich daarvoor niet van zijn fouten bewust zodat hij klaagster niet eerder kon inlichten. Uit de stukken is de raad verder gebleken dat verweerder, zoals vereist, terstond melding van de aansprakelijkstelling bij zijn verzekeraar heeft gedaan en hij actief navraag naar de stand van zaken heeft gedaan. Dat de verzekeraar nog geen actie heeft ondernomen richting klaagster, kan verweerder echter niet worden verweten.
5.13 Op grond van het voorgaande heeft verweerder in deze niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Daarom wordt ook klachtonderdeel d) ongegrond verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. Y.M. Nijhuis en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 februari 2026