ECLI:NL:TADRARL:2026:42 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-328/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 10-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-328/AL/NN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | De raad heeft geoordeeld dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klager, haar cliënt, niet te laten weten welke stukken aan het hof zijn gestuurd. De raad acht hierbij van belang dat dit nalaten door verweerster van beperkte ernst is, mede gelet op de omstandigheid dat zij in deze zaak voor het overige goed met klager heeft gecommuniceerd en hem toereikend heeft geïnformeerd. Verder houdt de raad er rekening mee dat verweerster heeft erkend dat zij op dit punt onvolledig is geweest. Gelet op het voorgaande zal worden volstaan met de gegrondverklaring van dit klachtonderdeel en zal geen maatregel worden opgelegd |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 9 februari 2026
in de zaak 25-328/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 april 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 15 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN040 / 2334818 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 november 2025. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager is in 2009 in privé aansprakelijk gesteld door onbetaald gebleven schuldeisers van de besloten vennootschap [X] B.V. De vennootschap is bij vonnis van 10 november 2009 in staat van faillissement verklaard. Klager zou feitelijk bestuurder zijn van de onderneming van deze vennootschap. De schuldeisers hebben klager gedagvaard. Op 27 januari 2010 heeft de rechtbank Noord-Nederland klager bij verstek veroordeeld de schuld, vermeerderd met de contractuele rente, te voldoen. In een vonnis in verzet van 7 december 2011 heeft de rechtbank het verstekvonnis bekrachtigd.
2.2 Klager is tegen het vonnis in hoger beroep gegaan. In een arrest van 1 april 2014 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis bekrachtigd.
2.3 Verweerster heeft klager bijgestaan in een verzoek tot herziening van dit arrest bij het hof Arnhem-Leeuwarden. In die herzieningsprocedure heeft op 3 juli 2023 een zitting plaatsgevonden. Verweerster heeft op 16 mei 2023 stukken in het geding gebracht. Het hof heeft op 25 juli 2023 arrest gewezen en de vordering van klager afgewezen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) bij het laatste bezoek van klager op het kantoor van verweerster op 1 juni 2023 niet te reageren op zijn schriftelijke reactie van 26 maart 2023 op de conclusie van antwoord van de wederpartij;
b) bij dat bezoek niet aan te geven welke stukken zij nog naar het hof had gezonden. Klager wist voorafgaand aan de zitting niet of er überhaupt stukken naar het hof waren gestuurd laat staan welke;
c) te verzuimen belangrijke stukken naar het hof te sturen;
d) tijdens de zitting van 3 juli 2023 een onjuiste voorstelling van zaken te schetsen, waardoor het feitelijk bedrog, 'het verzwijgen van feiten' en de daarop rustende stelplicht en bewijsplicht, onvoldoende in het processuele debat terecht zijn gekomen;
e) niet correct te reageren op de klacht van klager.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
5.2 Klager verwijt verweerster dat zij in een bespreking over de zaak niet heeft gereageerd op zijn schriftelijke reactie op de conclusie van antwoord van de wederpartij. Verweerster heeft dit betwist en heeft verklaard dat deze schriftelijke reactie van klager wel degelijk is besproken.
5.3 De raad constateert dat klager en verweerster van mening verschillen over wat er in dit gesprek is besproken. Gelet op de verklaringen van klager en verweerster en de andere stukken in het klachtdossier staat naar het oordeel van de raad vast dat klager en verweerster de zaak uitgebreid hebben voorbesproken en dat het waarschijnlijk is dat ook de reactie van klager toen ter sprake is gekomen. De raad is van oordeel dat in ieder geval niet is gebleken dat voor de zaak belangrijke en relevante punten onbesproken zijn gelaten. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster is dan ook niet gebleken. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.
Klachtonderdeel b)
5.4 Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel is gedragsregel 16 van belang. Die gedragsregel bepaalt dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen.
5.5 Uit de stukken volgt dat verweerster de zaak met klager heeft voorbesproken en de door klager aan haar gestuurde stukken aan de rechtbank heeft gestuurd. Verweerster heeft klager echter niet schriftelijk laten weten welke stukken zij uiteindelijk aan het hof en de wederpartij heeft gestuurd. Verweerster heeft erkend dat zij (in strijd met haar gebruikelijke werkwijze) klager niet een kopie van de ingebrachte stukken heeft gestuurd. De raad is van oordeel dat verweerster hiermee in strijd met gedragsregel 16 en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat betekent dat dit klachtonderdeel gegrond wordt verklaard.
Klachtonderdelen c) en d)
5.6 Deze klachtonderdelen zien op de inhoudelijke behandeling van deze zaak door verweerster. Klager stelt dat verweerster belangrijke stukken niet aan het hof heeft gestuurd en dat verweerster op de zitting van het hof een onjuiste voorstelling van zaken heeft geschetst. Verweerster heeft verklaard dat zij – overeenkomstig wat zij daarover met klager in een gesprek had afgesproken - alle relevante stukken aan het hof heeft gestuurd, dat de zitting goed is verlopen en zij geen onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven.
5.7 Gelet op de gemotiveerde betwisting van deze verwijten door verweerster en de andere stukken in het klachtdossier is niet gebleken dat verweerster relevante stukken niet naar het hof heeft gestuurd. Het staat vast dat verweerster stukken naar het hof heeft gestuurd en de raad kan niet vaststellen dat daarbij belangrijke stukken ontbraken. Ook is niet gebleken dat verweerster op de zitting onjuistheden naar voren heeft gebracht of anderszins (inhoudelijk) steken heeft laten vallen. Dat betekent dat de juistheid van deze verwijten en daarmee de gegrondheid van deze klachtonderdelen niet vast is komen te staan. Dat betekent dat deze klachtonderdelen ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel e)
5.8 Klager stelt ten slotte dat verweerster in haar brief niet correct heeft gereageerd op zijn klacht. De raad overweegt hierover dat het een advocaat vrij staat om zijn standpunt over een klacht kenbaar te maken en zich daartegen te verdedigen op een wijze die hem goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt. De grenzen van de betamelijkheid mogen niet worden overschreden. Daarvan is in deze zaak echter geen sprake. Verweerster verwijst in de door klager genoemde brief naar een eerder gesprek, ze legt uit waarom ze niet schriftelijk op de klacht heeft gereageerd en zij geeft aan dat ze zo spoedig mogelijk op de aansprakelijkheidstelling terug zal komen. Van enig onbetamelijk handelen door verweerster is niet gebleken. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.
6 MAATREGEL
De raad heeft geoordeeld dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klager, haar cliënt, niet te laten weten welke stukken aan het hof zijn gestuurd. De raad acht hierbij van belang dat dit nalaten door verweerster van beperkte ernst is, mede gelet op de omstandigheid dat zij in deze zaak voor het overige goed met klager heeft gecommuniceerd en hem toereikend heeft geïnformeerd. Verder houdt de raad er rekening mee dat verweerster heeft erkend dat zij op dit punt onvolledig is geweest. Gelet op het voorgaande zal worden volstaan met de gegrondverklaring van dit klachtonderdeel en zal geen maatregel worden opgelegd.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel b) gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. N.A. Heidanus; G.N. Paanakker;
P. Rijnsburger; S.H.G. Swennen, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 februari 2026