ECLI:NL:TADRARL:2026:41 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-868/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:41
Datum uitspraak: 09-02-2026
Datum publicatie: 09-02-2026
Zaaknummer(s): 25-868/AL/MN
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Uit de stukken is niet gebleken dat verweerster voor klager als advocaat is opgetreden. Een advocaat-stagiaire heeft alle contacten met klager gehad en werkzaamheden verricht onder het patronaat van verweerster. Dat op de toevoegingsaanvraag de naam van verweerster stond was omdat de advocaat-stagiaire daartoe toen nog niet bevoegd was. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 9 februari 2026
in de zaak 25-868/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:


klager

over

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 17 december 2025 met kenmerk  2485944. 


1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager heeft vanaf 1 oktober 2015 tot 11 januari 2024 een woning gehuurd van een woningbouwcorporatie. 

1.2    Bij verstekvonnis van 26 juni 2019 heeft de kantonrechter, wegens huurachterstand van klager, de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde door klager toegewezen. De woningbouwcorporatie heeft daarna met klager een betalingsregeling getroffen; van het verstekvonnis is geen gebruik gemaakt. 

1.3    Op 28 maart 2023 heeft de woningbouwcorporatie klager opnieuw gedagvaard wegens huurachterstand. In een akte namens de woningbouwcorporatie van 24 mei 2023 is vermeld dat klager een betalingsregeling heeft getroffen. Deze betalingsregeling is door klager niet nagekomen. 

1.4    Bij verstekvonnis van 21 juni 2023 heeft de kantonrechter de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde door klager toegewezen. 

1.5    Op 25 augustus 2023 is mr. De J. als advocaat(-stagiaire) beëdigd. Verweerster is zijn patroon. 

1.6    Op 7 december 2023 is het verstekvonnis van 21 juni 2023 aan klager betekend. 

1.7    Op 20 december 2023 heeft klager een intakegesprek gevoerd met mr. De J. In dat gesprek heeft mr. De J. klager geadviseerd om geen verzet in te stellen tegen het verstekvonnis, maar via de gemeente een moratorium aan te vragen. 

1.8    Op 28 december 2023 heeft klager een moratoriumaanvraag getekend. 

1.9    Op 30 december 2023 heeft de Raad voor Rechtsbijstand ten behoeve van klager een toevoeging verleend op naam van verweerster.

1.10    Op 5 januari 2024 heeft een kantoorbespreking plaatsgevonden tussen mr. De J. en klager, onder meer over de gebreken aan het gehuurde en de route naar de huurcommissie. 

1.11    Op 11 januari 2024 heeft klager het gehuurde ontruimd, dan wel is het gehuurde door middel van een gerechtsdeurwaarder ontruimd.

1.12    Op 6 december 2024 heeft klager een klacht ingediend over mr. De J bij het kantoor van verweerster. De kantoorklacht is door verweerster als klachtenfunctionaris in behandeling genomen. Verweerster heeft klager uitgenodigd voor een gesprek op haar kantoor op 7 januari 2025. Op 27 februari 2025 heeft verweerster klager de kantoorklacht over mr. De J definitief afgedaan.

1.13    Op 8 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 


2    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    de zaak van klager door kantoorgenoot mr. De J te laten behandelen terwijl verweerster volgens de op 3 januari 2024 verleende toevoeging zijn advocaat was in het geschil met de woningbouwcorporatie;
b)    geen werkzaamheden voor klager te verrichten althans hem aan zijn lot over te laten. 

3    VERWEER

Verweerster ontkent dat klager haar cliënt was of is. Hij was de cliënt van haar kantoorgenoot mr. De J. Omdat mr. De J. nog advocaat-stagiaire was en destijds niet zelf toevoegingen aan kon vragen bij de Raad voor de Rechtsbijstand deed hij dat op haar naam en met haar medeweten. Verweerster stelt dat zij geen werkzaamheden in de zaak van klager heeft verricht, maar dat zij mr. De J. daarbij als patroon heeft begeleid. Volgens verweerster heeft mr. De J klager inhoudelijk op deskundige wijze bijgestaan door hem te verwijzen naar de schuldhulpverlening van de gemeente en geen (verzet)procedure voor hem te starten. Voorts is verweerster van mening, ofschoon geen onderdeel van de klacht, dat zij als klachtenfunctionaris de kantoorklacht naar behoren heeft behandeld. Van klager aan zijn lot overlaten is geen sprake geweest. 

4    BEOORDELING

4.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. 

4.2    De juistheid van het verwijt van klager, dat verweerster zijn advocaat is geweest en de werkzaamheden ten onrechte aan mr. De J heeft overgelaten, is naar het oordeel van de voorzitter, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerster, niet komen vast te staan. Klager heeft dit verwijt ook onvoldoende concreet met stukken onderbouwd terwijl de overgelegde stukken het standpunt van verweerster onderschrijven dat mr. De J de behandelend advocaat van klager was. Uit die stukken blijkt immers dat mr. De J alle contacten met klager heeft gehad en werkzaamheden voor klager in zijn huurgeschil met de woningbouwcorporatie heeft verricht en hem daarin heeft geadviseerd. Dit alles onder verantwoordelijkheid van verweerster als zijn patroon. 

4.3    Uit het enkele feit dat de naam van verweerster op de toevoeging van klager in zijn huurgeschil staat vermeld, kan nog niet worden afgeleid dat verweerster de advocaat van klager is geweest of dat dit zo was afgesproken. Verweerster heeft naar het oordeel van de voorzitter afdoende toegelicht dat mr. De J als advocaat-stagiaire toen nog geen toevoegingen kon aanvragen en hij dit met haar toestemming op haar naam heeft aangevraagd. 

4.4    Vast staat dat verweerster in haar hoedanigheid van klachtenfunctionaris de kantoorklacht van klager over mr. De J in behandeling heeft genomen en daarover heeft geoordeeld. Niet is gebleken dat verweerster klager toen of op enig ander moment aan zijn lot heeft overgelaten. 

4.5    Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarom wordt de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op : 9 februari 2026