ECLI:NL:TADRARL:2026:40 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-839/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:40
Datum uitspraak: 09-02-2026
Datum publicatie: 09-02-2026
Zaaknummer(s): 25-839/AL/GLD
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij deels kennelijk niet-ontvankelijk (wegens misbruik van klachtrecht) en deels kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 9 februari 2026
in de zaak 25-839/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:


klager 

over

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 4 december 2025 met kenmerk K25/13.  

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is sinds 2022 betrokken in een echtscheidingsprocedure met zijn ex-partner, met wie hij kinderen heeft. De ex-partner wordt bijgestaan door verweerster. 

1.2    Er is gecorrespondeerd tussen klager, de advocaten die klager hebben bijgestaan en verweerster. 

1.3    Klager heeft op 23 mei 2024 een klacht ingediend bij de deken tegen verweerster. Deze klacht is gedurende het klachtonderzoek afgedaan en ingetrokken. 

1.4    Na het intrekken van deze klacht heeft er weer correspondentie plaatsgevonden tussen klager en verweerster. 

1.5    Op 27 januari 2025 heeft klager opnieuw een klacht ingediend bij de deken tegen verweerster. 

1.6    Verweerster is op 6 februari 2025 door de deken ingelicht over de door klager tegen haar ingediende klacht. 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a)    onvoldoende en op onjuiste wijze te communiceren; 
b)    gedragsregels die voor haar gelden als familierechtadvocaat te schenden. 

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

Ontvankelijkheid

4.1    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.

4.2    Klager heeft zich op 23 mei 2024 bij de deken beklaagd over verweerster. Deze klacht is gedurende het klachtonderzoek ingetrokken. Klager heeft zich op 27 januari 2025 opnieuw bij de deken over verweerster beklaagd. Deze nieuwe klacht ziet in de kern op hetzelfde handelen en nalaten als waarover klager in zijn eerste klacht heeft geklaagd. Klager heeft dat in zijn tweede klacht ook met zoveel woorden bevestigd, waar hij schrijft: “Het is dezelfde klacht als vorige keer”.   

4.3    Alhoewel strikt bezien geen sprake is van ne bis in idem, tuchtrechtelijk is er immers door de tuchtrechter geen uitspraak gedaan ter zake de eerste klacht van klager over verweerster, beschouwt de voorzitter deze (tweede) klacht gedeeltelijk - voor zover het ziet op het handelen en nalaten van verweerster van vóór 23 mei 2024 (het moment van het indienen van de eerste klacht) - als misbruik van klachtrecht. Klager heeft zijn eerdere klacht ingetrokken en daardoor is bij verweerster het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat die klachtzaak was afgedaan. Door nu opnieuw en bovendien ruim twee jaar later over hetzelfde feitencomplex te klagen, maakt klager misbruik van zijn mogelijkheid om te klagen. De voorzitter zal klager daarom in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in de klacht.

4.4    De klacht is wel ontvankelijk voor zover deze ziet op de periode na 23 mei 2024. Dat onderdeel van de klacht zal hieronder worden behandeld.

Maatstaf

4.5    De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

Klachtonderdeel a)

4.6    Klager verwijt verweerster dat zij niet goed met hem heeft gecommuniceerd en hij heeft ter onderbouwing van dat verwijt genoemd dat zij op een aantal e-mails niet heeft gereageerd. Verweerster heeft daarover verklaard dat het niet te doen was om op alle berichten van klager te antwoorden en dat zij in samenspraak en met goedvinden van haar cliënte alleen de belangrijke e-mails van klager heeft beantwoord. 

4.7    De voorzitter is van oordeel dat het verweerster vrij stond om niet op alle e-mails van klager, de wederpartij van haar cliënte, te reageren. Niet is gebleken dat verweerster daarmee de belangen van klager onnodig of onevenredig heeft geschaad. De voorzitter acht daarbij van belang dat deze manier van communiceren in samenspraak en met goedvinden van haar cliënte is gebeurd. Ook wordt in aanmerking genomen dat deze werkwijze, gelet op de inhoud en de toon van de e-mails van klager aan verweerster, niet onbegrijpelijk is. Verweerster heeft deze werkwijze bovendien aan klager medegedeeld. De e-mails die verweerster wel aan klager heeft gestuurd, zijn gesteld in correcte bewoordingen en zijn professioneel van toon. Met deze e-mails is verweerster binnen de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid gebleven. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is daarom geen sprake. Dat betekent dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond wordt verklaard. 

Klachtonderdeel b)

4.8    Klager stelt verder dat verweerster de gedragsregels heeft geschonden doordat zij geen onderling overleg heeft gestimuleerd, procedures onnodig heeft vertraagd, onzorgvuldig is omgegaan met rapportages en de rechter onjuist dan wel onvolledig heeft geïnformeerd. 

4.9    De voorzitter overweegt hierover dat het aan de klagende partij is om een begin van een onderbouwing te geven van een verwijt dat hij maakt aan het adres van een verwerend advocaat. Het alleen poneren van verwijten is onvoldoende. Pas als een begin van een onderbouwing door de klagende partij is geleverd, is het voor de verwerend advocaat mogelijk om daar gemotiveerd verweer tegen te voeren en dat met stukken te onderbouwen. De voorzitter stelt vast dat deze verwijten door klager niet (met relevante stukken) zijn onderbouwd. Ook uit andere stukken in het klachtdossier is van dit gestelde handelen niet gebleken en verweerster heeft de verwijten betwist. Bij die stand van zaken is de juistheid van deze verwijten en daarmee de gegrondheid van dit klachtonderdeel niet vast komen vast te staan. Dat leidt ertoe dat de voorzitter ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond zal verklaren. 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: 

-    de klacht gedeeltelijk, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;

-    de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op : 9 februari 2026