We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRARL:2026:39 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-346/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:39
Datum uitspraak: 09-02-2026
Datum publicatie: 09-02-2026
Zaaknummer(s): 25-346/AL/GLD
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Geheimhoudingsplicht
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Naar het oordeel van de raad is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en heeft klager tijdig geklaagd over het optreden van verweerder. Verweerder heeft door zijn handelen de kernwaarden deskundigheid, vertrouwelijkheid en (financiële) integriteit geschonden. De raad acht de handelwijze van verweerder ernstig laakbaar. Verweerder heeft meerdere keren nagelaten om in alle openheid te vertellen dat hij een beroepsfout heeft gemaakt. Hij had dat in 2019 moeten doen, waartoe hij door de cassatieadvocaat ook geadviseerd was en ook op het moment dat klager bij hem op de lijn kwam omdat hij niet bekend was met het arrest van het hof dat volgde op zijn beroepsfout. Hij heeft niet alleen nagelaten zijn client deugdelijk te adviseren maar heeft zijn fout actief toegedekt door daarover verhullend te communiceren. Van verweerder mag bovendien bij de afhandeling van zijn aansprakelijkstelling door zijn verzekeraar de nodige regie worden verwacht. Ook daarin neemt verweerder een afwachtende houding aan. Alhoewel zijn gemachtigde tijdens de zitting excuses voor de gang van zaken heeft aangeboden, heeft verweerder zelf geen oprecht inzicht in het verwijtbare van zijn handelen getoond. Dat is zorgelijk. Daarnaast heeft verweerder zich niet gehouden aan de bepalingen van de AVG en de relatie met klager financieel niet netjes afgewikkeld. De raad legt aan verweerder een deels voorwaardelijke (2 weken) en deels onvoorwaardelijke (2 weken) schorsing in de praktijkuitoefening op.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 9 februari 2026
in de zaak 25-346/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:

klager
gemachtigde: 

over

verweerder
gemachtigde: 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 11 augustus 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 23 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 24/91 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 21 november 2025. Daarbij waren klager met gemachtigde en verweerder met gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

2    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1    Klager had een huurgeschil met HSV. Op 3 oktober 2017 is HSV een civiele procedure gestart tegen klager. Dit heeft geleid tot een verstekvonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 maart 2018, waartegen klager verzet heeft ingesteld en de rechtbank op 16 augustus 2018 nogmaals vonnis heeft gewezen. 
2.2    Klager is vervolgens bijgestaan door verweerder bij het (in te stellen) hoger beroep tegen het vonnis van 16 augustus 2018. Klager heeft een voorschot van € 3.000,- aan verweerder betaald 
2.3    Op 27 december 2018 heeft verweerder de zaak aangebracht bij het gerechtshof Amsterdam. Op 15 januari 2019 heeft verweerder uitstel verzocht van zes weken voor het indienen van grieven. Dit uitstel is door het gerechtshof verleend. Een tweede verzoek om uitstel van vier weken werd op 26 februari 2019 verleend.
2.4    In zijn e-mail van 22 maart 2019 heeft verweerder onder meer aan klager geschreven: 

In de procedure tegen [HSV] bij het hof Amsterdam, staat tijdens zaak thans genoteerd van memorie van grieven aan mijn zijde op 26 maart a.s.
Dat is dus dinsdag a.s. 
In verband met mijn recente afwezigheid van kantoor, slaag ik er niet in deze memorie tijdig in gereedheid te brengen voor de rolzitting van 26 maart a.s. 
Daarnaast dienen wij in deze zaak ook nog inhoudelijk overleg te voeren over deze kwestie. 
(…) 
Mijn vraag aan jou is of ik voor de rolzitting van 26 maart a.s. aan het gerechtshof een verzoek zal doen om een comparitie te beleggen na het aanbrengen van deze zaak in hoger beroep, maar voor de indiening van de memorie van grieven door mij. Graag verneem ik hierover zo spoedig mogelijk van je.

Klager heeft hiermee ingestemd. 
2.5    Op 25 maart 2019 heeft verweerder met een H16-formulier het gerechtshof verzocht een comparitie na aanbrengen te gelasten. De wederpartij heeft zich daartegen verzet.
2.6    Op 26 maart 2019 heeft verweerder met een H5-formulier, voor het geval zijn verzoek van 25 maart 2019 zou worden afgewezen, aan het gerechtshof verzocht om hem een nader uitstel te verlenen voor memorie van grieven en dit als volgt toegelicht:

Dit verzoek wordt gedaan in verband met overmacht: de advocaat van appellanten is wegens aanhoudende gezondheidsklachten niet in staat geweest tijdig de memorie op te stellen.

Bij rolbeslissing van 26 maart 2019 heeft het gerechtshof het verzoek van verweerder om een comparitie na aanbrengen te gelasten, afgewezen omdat dit te laat is gedaan en is tevens het recht om van grieven te dienen vervallen verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd verzoek tot uitstel van verweerder.
2.7    In een faxbericht van 27 maart 2019 heeft verweerder tegen de rolbeslissing bezwaar gemaakt, het gerechtshof gevraagd om de beslissingen te herzien en hem alsnog een termijn van twee weken voor indiening memorie van grieven te verlenen. De wederpartij heeft zich daartegen verzet. 
2.8    Bij rolbeslissing van 28 maart 2019 heeft het gerechtshof het verzoek van verweerder afgewezen. Verweerder heeft deze rolbeslissing en de daarover met het gerechtshof en de wederpartij gevoerde correspondentie niet aan klager gestuurd.
2.9    Bij arrest van 16 april 2019 is klager niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Verweerder heeft dit arrest (toen) niet aan klager gestuurd. 
2.10    Daarop heeft verweerder zich onmiddellijk tot cassatieadvocaat mr. K. gewend. Op 17 april 2019 heeft mr. K het volgende aan verweerder geschreven: 

Verwijzend naar ons telefoongesprek en mijn brief van 5 april jl. bericht ik u als volgt. 
U vroeg mij om u te adviseren over de mogelijkheid de rolbeslissing van 26 maart jl, waarbij uw (herhaalde) verzoek om een aanhouding voor de MvG is afgewezen en het recht om de MvG te nemen vervallen is verklaard, in cassatie met gerede kans op succes aan te vallen. Ik betrek in mijn advies ook uw vragen in uw email van 2 april jl.
Rolbeslissingen zijn vanwege hun geringe oordeelsgehalte niet voor cassatie vatbaar, maar dat geldt niet voor de onderhavige beslissingen nu die ingrijpen in de procedurele rechten van [klager]. Wel is bij die beslissingen sprake van een tussenarrest (uw eerste vraag), zodat het cassatieberoep daartegen alleen kan worden ingesteld bij een beroep tegen het nog te wijzen eindarrest, tenzij het hof desverzocht tussentijds cassatieberoep zou willen openstellen. 
De zaak staan thans op de rol van 7 mei a.s. voor eindarrest. Bij gebreke van grieven zal het hoger beroep niet ontvankelijk worden verklaard (zie HR: NJ 1984/396). Ik heb het vonnis niet uitvoerig bestudeerd, nu dat voor de hier voorliggende vraag niet nodig is, maar ik zie geen reden om te veronderstellen dat het hof op ambtshalve bij te brengen gronden van openbare orde de zaak opnieuw zal beoordelen. Aan die niet-ontvankelijkheid valt niet te ontkomen (uw tweede vraag) door pleidooi te vragen en bij die gelegenheid vooraf stukken in te dienen. Aldus volgt ook uit art. 2.14 Lpr, waarin is bepaald dat de zaak direct naar de rol wordt verwezen voor eindarrest. 
Ook geen advocatenwissel (uw derde vraag) en het uitstel van twee weken dat daarbij in beginsel moet worden toegestaan (HR, NJ 2013/573) biedt geen soelaas omdat het recht om de MvG te nemen reeds is vervallen. (…) 
Ik moet u dan ook spijtig genoeg adviseren dat cassatie geen kans van slagen heeft. Het missen van een termijn, zo kan ik uit mijn beroepsaansprakelijkheidspraktijk bevestigen, is een beroepsfout die iedere advocaat overkomen. Daarmee is niet gezegd dat die advocaat ook aansprakelijk is. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat de grieven tot een gunstig arrest zouden hebben geleid, althans dat er een reële kans was geweest op een beter resultaat. Ik kan u daarover desgewenst nader adviseren en u, zou het tot een procedure komen, kunnen bijstaan. 
Het is (uw laatste vraag) raadzaam uw verzekeraar op korte termijn te melden dat u een beroepsfout hebt gemaakt. Wij bespraken al eerder dat u op grond van Gedragsregel 16 lid 2 uw cliënt op de hoogte dient te stellen.

2.11    Op 19 augustus 2020 is klager gedagvaard door HSV in een aparte schadestaatprocedure. In de dagvaarding is melding gemaakt van het arrest van 16 april 2019 in de zaak waarin verweerder klager bijstond. Een kopie van dat arrest was niet meteen bij de dagvaarding als productie gevoegd. 
2.12    Op 22 augustus 2020 heeft klager aan verweerder de door hem ontvangen dagvaarding gestuurd en in zijn e-mail aan verweerder geschreven: 

Er was toch Hoger Beroep?

Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
2.13    Na een overleg tussen de gemachtigde van klager met verweerder heeft laatstgenoemde op 16 september 2020 het arrest van 16 april 2019 rechtstreeks aan klager gezonden. In zijn begeleidende e-mail heeft verweerder aan klager geschreven:

(…) Zoals jullie weten, zond ik op 27 maart 2019 een fax aan de rolraadsheer van het Gerechtshof Amsterdam, met het verzoek de rolbeslissing van 26 maart 2019 te herzien en alsnog een termijn toe te staan van twee weken voor de indiening van de memorie van grieven in die zaak. 
Kort nadien heb ik aan jullie laten weten, dat de rolraadsheer dat verzoek heeft afgewezen. Er werd geen nadere termijn toegestaan voor het nemen van de memorie van grieven. 
Enige tijd later wees het Gerechtshof een arrest d.d. 16 april 2019, waarbij de niet-ontvankelijkheid in hoger beroep werd uitgesproken. Tevens werd een proceskostenveroordeling uitgesproken. De advocaat van de wederpartij zond mij nimmer een bericht, waarbij aanspraak wordt gemaakt op de betaling van die proceskosten. 
Voor zover aan mij bekend, zond ik jullie destijds reeds een kopie van dat gewezen arrest. Volledigheidshalve treffen jullie het arrest bijgaand nogmaals aan (bijlage). 
Een eventuele cassatieberoep had geen zin, nu het een feitelijke beslissing betreft en geen vormen zijn verzuimd en/of het recht is geschonden. 
Ik merk hierbij nog op dat ik destijds om uitstel bij de handelsunit van het Gerechtshof heb verzocht in verband met een te voeren overleg in die zaak en ter completering van de processtukken. 
Ruimschoots na het wijzen van bijgaand arrest vernam ik, dat [J2] van mening is dat destijds in de procedure bij de kantonrechter door de wederpartij bedrog is gepleegd c.q. stukken zijn achtergehouden, zodat de kantonrechter een onjuist vonnis heeft gewezen. Vervolgens begreep ik van [J1], dat een procedure tot herroeping van dat vonnis van de kantonrechter in voorbereiding is. 
Herroeping is een buitengewoon rechtsmiddel, dat kan worden ingezet tegen een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. 
In uitzonderingsgevallen is herroeping mogelijk. 
De termijn daarvoor is drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en er bekendheid is met die grond aan jullie zijde. In de praktijk blijkt het rechtsmiddel van herroeping lastig. Het moet dus echt gaan om een situatie, waarin achteraf blijkt dat er bedrog is gepleegd en/of valsheid in geschrifte. De dagvaarding tot herroeping dient te worden uitgebracht voor de rechter, die in laatste feitelijke instantie inhoudelijk over de zaak heeft beslist. Dat is dus de kantonrechter in de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Zaanstad. (…) 
Ik vertrouw erop jullie hiermee te hebben geïnformeerd.

2.14    In een e-mail van 19 februari 2024 heeft de gemachtigde van klager verweerder aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van gemaakte beroepsfouten. 
2.15    In een e-mail van 2 april 2024 heeft de gemachtigde van klager aan verweerder verzocht om binnen veertien dagen verantwoording af te leggen over het door klager betaalde voorschot van € 3.000,- en een eventueel resterend bedrag aan klager terug te betalen. 
2.16    Op 26 april 2024 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van verweerder het volgende aan klager geschreven: 

Als beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [kantoor verweerder] (hierna: verzekerde) zijn wij in het bezit gesteld van uw brief van 19 februari 2024, waarin u namens uw cliënt stelt dat verzekerde tekort is geschoten in zijn taken als advocaat door te laat uw cliënt te informeren over het arrest van 16 april 2019. Tevens zou verzekerde hebben verzuimd om uw cliënt te informeren over de mogelijkheid van het inwinnen van een cassatieadvies. Nu uw cliënt meent schade te lijden als gevolg van de fout(en) van verzekerde en uw cliënt meent dat deze schade een direct gevolg is van de fout(en) van verzekerde, heeft u verzekerde aansprakelijk gesteld. De conclusie dat de door uw cliënt gepretendeerde schade een gevolg is van een fout van verzekerde en verzekerde hiervoor aansprakelijk is te houden, delen wij niet. Wij lichten dit als volg toe. 
Wij merken op dat verzekerde het betreurt dat er een fout is gemaakt door niet tijdig (lees niet eerder dan bij mailbericht van 16 september 2020) uw cliënt te informeren over het bestaan van het arrest van 16 april 2019. Dat verzekerde een fout heeft gemaakt betekent echter niet dat verzekerde ook aansprakelijk is te houden voor de vermeend door uw cliënt geleden schade.
Allereerst merken wij op dat uw cliënt veel te laat heeft geklaagd. (…)
Niet tegenstaande het voorstaande merken wij op dat wij in uw bericht van 19 februari 2024 geen enkele deugdelijke onderbouwing lezen dat uw cliënt schade heeft geleden als gevolg van de fout van verzekerde. U onderbouwt op geen enkele wijze dat de fout weggedacht (het niet tijdig infomeren over het bestaan van het arrest van 16 april 2019) uw cliënt in een andere vermogenspositie terecht zou zijn gekomen. In tegenstelling tot hetgeen uw stelt, heeft verzekerde wel degelijk advies ingewonnen bij een cassatieadvocaat met betrekking tot de mogelijkheden/kansen om cassatie in te stellen. Bijgaand sturen wij het door verzekerde ingewonnen cassatieadvies van 17 april 2019, waaruit duidelijk wordt dat cassatie geen kansen van slagen had. En zelf al zou het instellen van cassatie kansrijk zijn geweest (wat wij betwisten gelet op het cassatieadvies van 17 april 2019) dan valt nog niet in te zien dat uw cliënt een andere uitkomst had weten te behalen dan wel een rechter had weten te overtuigen van zijn gelijk. Ten overvloede wijzen wij u op het vonnis van 16 augustus 2018 en dan met name naar r.o. 4.8 alsmede het gegeven dat uw cliënt nimmer (tijdig) een deskundigrapport heeft aangeleverd waaruit de vermeende stellingen van uw cliënt (toerekenbare tekortkomingen van de verhuurster) blijkt. Gelet op het voorstaande lijdt uw cliënt geen schade als gevolg van de fout van verzekerde en er bestaat eveneens geen causaal verband tussen de door uw cliënt gepretendeerde schade en de fout van verzekerde. 
Voor zover uw cliënt van mening blijft dat hij schade lijdt als gevolg van de fout van verzekerde, wijzen wij uw cliënt op het feit dat de bewijslast ex artikel 150 RV op uw cliënt als eisende partij ligt. Bij gebreke van een onderbouwing met betrekking tot het voorgaande wijzen wij derhalve de aansprakelijkheid van verzekerde met klem af. Wij behouden ons, namens verzekerde, alle rechten en weren voor.

3    KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a)    de opdracht niet zorgvuldig uit te voeren en zich niet te houden aan zijn informatieplicht en daarmee in strijd te handelen met de gedragsregels 13 lid 1 en 16 lid 1.
Toelichting: Verweerder heeft (i) zonder medeweten, overleg en toestemming van klager mr. K in de zaak betrokken. Bovendien heeft verweerder (ii) klager niet (tijdig) geïnformeerd over de uitkomsten van het cassatieadvies van mr. K. Dit had hij wel moeten doen, zodat klager een second opinion had kunnen vragen. Volgens klager was niet ondenkbaar dat een andere cassatieadvocaat tot een positief advies was gekomen omdat het cassatieadvies van mr. K op een deels onjuiste feitelijke grondslag berustte. Het cassatieadvies van mr. K had ook nog een ingang kunnen bieden voor een klacht bij het EHRM of, zoals tijdens de zitting toegelicht, alsnog reden voor klager kunnen zijn om toch cassatie in te stellen. Deze mogelijkheden zijn klager door verweerder ontnomen. Ook heeft verweerder (iii) opzettelijk, althans met aan opzet grenzend onzorgvuldigheid, nagelaten om klager te informeren over de beroepsfouten die hij heeft gemaakt, terwijl verweerder daarop wel was gewezen door de cassatieadvocaat mr. K. Verweerder heeft (iv) pas op 16 september 2020 het arrest van het gerechtshof van 16 april 2019 aan klager gestuurd en nagelaten om klager te adviseren om onafhankelijk advies in te winnen. Ook nog eens nadat klager er zelf achter was gekomen dat dit arrest was gewezen omdat hij het in een andere procedure in de stukken zag staan;
b)    zijn geheimhoudingsverplichting te schenden.
Toelichting: Door mr. K te verzoeken om cassatieadvies in de kwestie van klager heeft verweerder zijn geheimhoudingsplicht richting klager geschonden;
c)    een door klager onverschuldigd betaald bedrag niet terug te betalen. 
Toelichting: Klager heeft een voorschot van € 3.000,- betaald. Op 2 april 2024 is verweerder verzocht om het resterende bedrag aan klager te restitueren. Verweerder heeft pas voor het eerst bij de afhandeling van de klacht bij de deken op dat verzoek gereageerd en inzicht getoond, maar is niet tot terugbetaling overgegaan. 

4    VERWEER 
4.1    Als meest verstrekkend verweer heeft verweerder aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk is in (een groot deel van) zijn klachten, omdat klager daarover te laat heeft geklaagd. 
4.2    Voor zover klager in zijn klachten wordt ontvangen, heeft verweerder het volgende inhoudelijke verweer gevoerd.  
Klachtonderdeel a)
4.3    Volgens verweerder is klager alleen ontvankelijk ten aanzien van subverwijt (ii), namelijk dat hij klager niet heeft ingelicht over het advies van mr. [K]. Volgens verweerder heeft hij dat advies aan mr. [K] niet gevraagd in het kader van de uitvoering van de opdracht van klager, maar voor zichzelf met het oog op een mogelijke civiele procedure. Verweerder stelt verder dat het beter was geweest als hij dat cassatieadvies na overleg met klager had gevraagd en de uitkomst daarvan onmiddellijk met hem had gedeeld. Gezien hetgeen hij beoogde en de vertroebelde relatie met klager is het daarvan niet gekomen, aldus verweerder.
4.4    Verweerder erkent dat hij is tekortgeschoten in de zijn dienstverlening aan klager en dat sprake kan zijn van een beroepsfout. Daarover moet volgens verweerder civielrechtelijk worden geoordeeld, niet tuchtrechtelijk. Hij betreurt dat hij is tekortgeschoten in zijn belangenbehartiging en ook de manier waarop hij daarmee is omgegaan
Klachtonderdeel b)
4.5    Verweerder betwist dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Het inwinnen van het cassatieadvies was uitsluitend bedoeld voor intern advies en uitdrukkelijk niet in het kader van het uitvoeren van klagers opdracht. Zijn eigen kantoor heeft de kosten van dat advies betaald. Verweerder vermoedde dat cassatie niet mogelijk was en vroeg voornamelijk advies met het oog op zijn mogelijke civielrechtelijke aansprakelijkheid. Het advies werd bovendien gevraagd aan een advocaat-geheimhouder op wie dezelfde geheimhoudingsverplichting rust als op hemzelf. 
Klachtonderdeel c)
4.6    Verweerder erkent dat hij het resterende bedrag van het door klager betaalde voorschot niet heeft terugbetaald. Verweerder heeft ter zitting herhaald dat hij daartoe alsnog bereid is.

5    BEOORDELING
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
5.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
5.2    Uit de stukken volgt dat verweerder tot mei 2019 werkzaamheden voor klager heeft gedaan en op 16 september 2020 het arrest van 16 april 2019 aan klager heeft gestuurd met een begeleidend schrijven. De genoemde driejaarstermijn is dan ook in elk geval vanaf 16 september 2020 aangevangen. De klacht is echter pas op 11 augustus 2024 door klager bij de deken ingediend en daarmee ruim buiten de genoemde termijn van drie jaar. 
5.3    Klager stelt echter dat hij op tijd heeft geklaagd. Op 22 augustus 2020 heeft hij bij verweerder navraag gedaan naar de stand van zaken in zijn hoger beroep nadat hij het bewuste arrest in een andere procedure vermeld zag staan. Daarop heeft verweerder niet gereageerd. Pas op 16 september 2020 heeft klager kennisgenomen van het arrest van 16 april 2019 na toezending daarvan door verweerder. Klager heeft tijdens de zitting van de raad toegelicht dat hij op verweerder heeft vertrouwd. In die tijd had hij bovendien financiële en medische problemen en al zijn aandacht nodig voor de andere procedure waarmee grote financiële belangen waren gemoeid. Door zijn gemachtigde is hij er pas veel later mee bekend geworden wat er was misgegaan en is verweerder daarvoor op 16 april 2024 aansprakelijk gesteld. Op 26 april 2024 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van verweerder daarop gereageerd en correspondentie van verweerder met cassatieadvocaat mr. [K] bijgevoegd. In het advies van mr. K van 17 april 2019 las klager dat verweerder al begin april 2019 vermoedde dat hij mogelijk een beroepsfout had gemaakt. Ook las klager in dat advies dat mr. K verweerder had gewezen op zijn plicht om klager in te lichten over de beroepsfout. Verweerder heeft dat allemaal niet gedaan. Klager is van dit alles pas op 26 april 2024 op de hoogte geraakt.  Volgens klager heeft hij daarna tijdig zijn klacht ingediend.  
5.4    Vaststaat dat klager het arrest van 16 april 2019 voor het eerst op 16 september 2020 van verweerder heeft ontvangen. Naar het oordeel van de raad had klager toen objectief bezien kennis kunnen nemen van de inhoud van dat arrest en kunnen lezen dat er iets niet goed was gegaan omdat hij niet-ontvankelijk was verklaard. De klachttermijn van 3 jaar (zie hiervoor 5.1) is derhalve op 16 september 2020 gaan lopen. 
5.5    De raad is uit de stukken niet gebleken dat klager met die kennis toen iets heeft gedaan. Klager stelt daarover dat pas door de juridische kennis van zijn gemachtigde vanaf 2024 het kwartje bij hem is gevallen dat verweerder in 2019 een fout had gemaakt. Dat heeft daarna tot aansprakelijkstelling van verweerder en tot indiening van deze klacht op 11 augustus 2024 geleid, aldus klager. De raad stelt vast dat de klachttermijn van 3 jaar toen reeds was verstreken. De raad is echter van oordeel dat er gezien de specifieke omstandigheden van dit geval sprake is van een verschoonbare overschrijding van de klachttermijn aan de kant van klager als bedoeld in lid 1 van artikel 46g Advocatenwet. De raad licht dat hierna toe. 
5.6    Verweerder heeft vanaf kennisname van zijn eigen fout rondom 16 april 2019 geprobeerd om dit te verdoezelen richting klager. Verweerder heeft in zijn e-mail van 16 september 2020 met geen woord gerept over de omstandigheid dat de niet-ontvankelijkheid van klager in het arrest het gevolg was van een fout van zijn advocaat. Juist de verdoezelende bewoordingen en toonzetting en strekking van die e-mail, waarin verweerder ook schreef dat cassatie naar zijn deskundige oordeel geen zin had gehad, maakt dat verweerder naar het oordeel van de raad nu niet een beroep kan doen op het verval van het klachtrecht van klager. Immers het is goed te begrijpen dat deze, als leek, in 2020 niet begreep dat verweerder iets verkeerd had gedaan. Daarbij komt ook nog dat verweerder heeft verzuimd om na ontdekking van zijn fout dat meteen actief aan klager te melden, zoals gedragsregel 16 lid 2 voorschrijft en waarop mr. K hem op 17 april 2019 ook uitdrukkelijk heeft gewezen. De opmerking van verweerder tijdens de zitting van de raad dat hij van zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar niets mocht zeggen, snijdt geen hout omdat zijn verzekeraar pas na de aansprakelijkstelling op 19 februari 2024 bij de kwestie betrokken is geraakt. 
5.7    Gelet op vorenstaande omstandigheden, in samenhang bezien, slaagt het beroep van klager op een verschoonbare termijnoverschrijding. De raad overweegt als volgt over de klacht. 
Klachtonderdeel a); zorgplicht voor klager
5.8    Vast staat dat verweerder het arrest van 16 april 2019 niet meteen na ontvangst ervan, pas op 16 september 2020, aan klager heeft gestuurd. Alhoewel verweerder naar het oordeel van de raad zonder voorafgaand overleg met klager aan mr. K om een cassatie advies mocht vragen, had verweerder met klager de uitkomsten van dat op 17 april 2019 ontvangen cassatieadvies moeten delen. Verweerder had klager toen ook moeten informeren over de door hem in de procedure bij het gerechtshof gemaakte beroepsfout en de gevolgen daarvan. Verder had verweerder ook toen met klager de (on)mogelijkheden om cassatie in te stellen tegen het arrest van 16 april 2019 moeten bespreken. Door te zwijgen en klager in het ongewisse te laten, heeft verweerder naar het oordeel de raad aan klager de mogelijkheid ontnomen om na 16 april 2019 een weloverwogen keuze te maken om cassatie in te stellen of andere (juridische) wegen te bewandelen. Verweerder heeft zelfs gezwegen totdat hij op 19 februari 2024 aansprakelijk is gesteld voor zijn beroepsfout, wat de situatie nog ernstiger maakt.
5.9    Naar het oordeel van de raad is verweerder op ernstige wijze tekortgeschoten bij de behartiging van de belangen van klager en daarmee in zijn zorgplicht voor klager. De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren. 
Klachtonderdeel b); schending geheimhouding
5.10    De geheimhoudingsplicht van een advocaat volgt uit de kernwaarde vertrouwelijkheid in de zin van artikel 10a lid 1 sub e Advocatenwet en is nader uitgewerkt in artikel 11a van de Advocatenwet en gedragsregel 3. Die geheimhoudingsplicht houdt in dat een advocaat in beginsel verplicht is tot geheimhouding van alle informatie, waarvan hij kennis neemt door zijn beroepsuitoefening. De advocaat dient als vertrouwenspersoon voor zijn cliënt. Van schending van de geheimhoudingsplicht is - onder meer - geen sprake als de client daartoe aan zijn advocaat toestemming heeft gegeven. 
5.11    Doorbreking van de geheimhoudingsplicht kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde komen. Daarbij valt te denken aan een directe dreiging van ernstig, toekomstig gevaar voor de advocaat zelf of een betrokkene dat zonder het doorbreken van het beroepsgeheim niet kan worden afgewend, waarbij voorafgaand overleg met de deken is aangewezen (vgl. HvD 3 mei 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:22). 
5.12    Uit het door mr. K aan verweerder op 17 april 2019 gegeven advies volgt dat verweerder informatie uit de zaak van zijn cliënt heeft gedeeld, waaronder het vonnis van de kantonrechter van 16 augustus 2018 en door het gerechtshof op 26 maart 2019 genomen rolbeslissingen. In die stukken staan de persoonsgegevens van klager vermeld. Door dit aan mr. K toe te sturen, heeft verweerder zijn geheimhoudingsplicht geschonden, tenzij klager voor het verstrekken van die informatie expliciet toestemming had gegeven dan wel een uitzonderlijk geval als hiervoor in 5.9 genoemd aan de orde was. 
5.13    Uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van de geheimhoudingsplicht zouden rechtvaardigen zijn de raad niet gebleken. Vast staat dat klager aan verweerder geen toestemming heeft gegeven voor het delen van zijn gegevens met mr. K. Dat verweerder het cassatieadvies voor zichzelf bij een mede-geheimhouder heeft gevraagd, ontsloeg verweerder niet van de verplichting om de zaakgegevens en persoonlijke gegevens van klager niet mee te sturen dan wel te anonimiseren. Door alleen het vraagstuk aan mr. K voor te leggen was het doel van verweerder, namelijk cassatie advies vragen met het oog op zijn mogelijke civielrechtelijke aansprakelijkheid, ook mogelijk geweest. Verweerder had naar het oordeel van de raad de afweging - welke gegevens voor het advies van mr. K noodzakelijk waren - van tevoren kunnen en ook moeten maken, temeer daar een advocaat zich ook moet houden aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) over het gebruik van persoonsgegevens van een cliënt.
5.14    Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Dat betekent dat klachtonderdeel b) eveneens gegrond wordt verklaard. 
Klachtonderdeel c); niet restitueren voorschot
5.15    Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad verklaard dat hij het resterende bedrag van het door klager betaalde voorschot van € 3.000,- nog niet heeft berekend en dus niet heeft terugbetaald, maar bereid is om dat op korte termijn te regelen. 
5.16    Naar het oordeel van de raad is  onbegrijpelijk dat verweerder  - in elk geval tot de dag van de zitting bij de raad op 21 november 2025 - het resterende bedrag van het door klager in 2019 betaalde voorschot nog altijd niet heeft terugbetaald. Verweerder had klager daarover na sluiting van het dossier meteen duidelijkheid moeten bieden en tot afwikkeling moeten overgaan. Door dit niet te doen, heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld en zal klachtonderdeel c) gegrond worden verklaard.
5.17    Ten overvloede merkt de raad op dat zij erop vertrouwt dat verweerder, zoals door hem toegezegd, alsnog binnen twee weken na deze uitspraak het resterende bedrag aan klager zal terugbetalen op een door klager schriftelijk door te geven rekeningnummer en een berekening daarvan aan de gemachtigde van klager stuurt. 

6    MAATREGEL 
6.1    Omdat de klacht gegrond wordt verklaard, komt aan de orde of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. 
6.2    Verweerder heeft door zijn handelen de kernwaarden deskundigheid, vertrouwelijkheid en (financiële) integriteit geschonden. De raad acht de handelwijze van verweerder ernstig laakbaar. Verweerder heeft meerdere keren nagelaten om in alle openheid te vertellen dat hij een beroepsfout heeft gemaakt. Hij had dat in 2019 moeten doen, waartoe hij door de cassatieadvocaat ook geadviseerd was en ook op het moment dat klager bij hem op de lijn kwam omdat hij niet bekend was met het arrest van het hof dat volgde op zijn beroepsfout. Hij heeft niet alleen nagelaten zijn client deugdelijk te adviseren maar heeft zijn fout actief toegedekt door daarover verhullend te communiceren.  Kwalijk is ook dat verweerder dit vergoelijkt door zich te verschuilen achter zijn strenge beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar die hem daarin zou hebben beperkt terwijl een aansprakelijkheidsstelling en daarmee de verzekeraar nog niet aan de orde waren. Van verweerder mag bovendien bij de afhandeling van zijn aansprakelijkstelling door zijn verzekeraar de nodige regie worden verwacht. Ook daarin neemt verweerder een afwachtende houding aan. Alhoewel zijn gemachtigde tijdens de zitting excuses voor de gang van zaken heeft aangeboden, heeft verweerder zelf geen oprecht inzicht in het verwijtbare van zijn handelen getoond. Dat is zorgelijk. Daarnaast heeft verweerder zich niet gehouden aan de bepalingen van de AVG en de relatie met klager financieel niet netjes afgewikkeld.
6.3    Het verweten handelen van verweerder en zijn proceshouding noodzaakt de raad tot oplegging van een deels voorwaardelijke en deels onvoorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening als hierna wordt vermeld. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager,
b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c)    € 500,- kosten van de Staat.
7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 
7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht gegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van twee (2) weken op en daarnaast een voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening van twee (2) weken;
-    bepaalt dat het onvoorwaardelijke gedeelte van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:
-    de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen, 
-    verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
-    de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
-     bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
-    stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 Advocatenwet bedoelde gedraging;
-    stelt de proeftijd op een periode van twee jaar ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;
-     veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. Y.M. Nijhuis en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.

Griffier                                                  Voorzitter

Verzonden d.d. 9 februari 2026