ECLI:NL:TADRARL:2026:38 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-843/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:38 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-02-2026 |
| Datum publicatie: | 03-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-843/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 2 februari 2026
in de zaak 25-843/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 4 december 2025 met kenmerk 2491684.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster heeft vanaf 25 april 2025 de werkgever van klager bijgestaan in een arbeidsrechtelijk geschil met klager.
1.2 Klager was arbeidsongeschikt sinds 16 april 2024.
1.3 Op 15 april 2025 heeft klager een afspraak gehad met de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft naar aanleiding daarvan een advies opgesteld. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om een arbeidsdeskundig onderzoek af te wachten alvorens verdere stappen te nemen in het kader van de re-integratie. Ook is geadviseerd om met mediation te starten.
1.4 Verweerster heeft klager uitgenodigd voor een bespreking op het kantoor van haar cliënt op 30 april 2025. Klager heeft aangegeven die dag niet te kunnen verschijnen wegens een afspraak in het ziekenhuis. Verweerster heeft klager daarop verzocht daarvan bewijs aan te leveren, bij gebreke waarvan verweerster voor haar cliënt een loonstop zou inzetten.
1.5 Op 4 mei 2025 (en aangevuld op 8 mei 2025) heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. Klager heeft de klacht nader toegelicht in zijn repliek van 5 juli 2025.
1.6 Op 7 mei heeft 2025 heeft verweerster namens haar cliënt een loonstop ingezet. Klager heeft in een e-mail van 8 mei 2025 verzocht om de loonstop ongedaan te maken. Verweerster heeft bij e-mail van 9 mei 2025 aangegeven daar niet toe over te gaan omdat klager niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan en heeft klager verzocht om op 13 mei 2025 de passende werkzaamheden te starten, waarna de loonstop zou worden opgeheven.
1.7 Op 13 mei 2025 heeft de bedrijfsarts een nieuw verslag uitgebracht. Daarin is geschreven dat een geleidelijke werkhervatting mogelijk is.
1.8 Op 13 mei 2025 heeft klager een dagvaarding in kort geding laten betekenen aan de cliënt van verweerster.
1.9 Op 16 mei 2025 heeft een zitting in kort geding plaatsgevonden bij de rechtbank Midden-Nederland.
1.10 Op 30 mei 2025 heeft de rechtbank vonnis gewezen. De rechtbank heeft (onder meer) geoordeeld dat de cliënt van verweerster het loon op 7 mei 2025 niet had mogen stopzetten.
1.11 Op 2 juni 2025 hebben verweerster en de advocaat van klager gecorrespondeerd over de uitvoering van het vonnis, waarbij betaling conform vonnis een dag heeft plaatsgevonden.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) te handelen in strijd met gedragsregel 1 en artikel 10a Advocatenwet door een juridisch standpunt in te nemen dat indruist tegen vaste jurisprudentie en/of eerder ingenomen standpunten;
b) te handelen in strijd met gedragsregel 8 door tegenstrijdige beweringen te doen over de re-integratie van klager, het oordeel van de bedrijfsarts en een arbeidsdeskundig onderzoek;
c) te handelen in strijd met artikel 46 Advocatenwet en gedragsregel 7 door te dreigen met loonsancties en te twijfelen aan de integriteit van klager.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdelen a) en b)
4.2 Klager verwijt verweerster dat zij onjuiste (juridische) standpunten heeft ingenomen en tegenstrijdige beweringen heeft gedaan over de re-integratie van klager, het oordeel van de bedrijfsarts en een arbeidsdeskundig onderzoek.
4.3 De voorzitter is van oordeel dat verweerster mocht afgaan op de van haar cliënt ontvangen feitelijk informatie. Het stond verweerster dan ook vrij om deze feiten naar voren te brengen op de manier zoals zij dat heeft gedaan. Met betrekking tot deze feiten heeft verweerster bovendien de bedrijfsarts nog (aanvullend) bevraagd over de mate van arbeidsongeschiktheid van klager en dit heeft zij ook ingebracht in de procedure. Niet is gebleken dat verweerster informatie naar voren heeft gebracht waarvan zij wist dat deze onjuist was. Ook is niet gebleken dat verweerster evident kansloze of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbare (juridische) stellingen heeft ingenomen. Dat de voorzieningenrechter de cliënt van verweerster niet heeft gevolgd en heeft geoordeeld dat dat de loonstop ten onrechte is opgelegd, maakt dat niet anders.
4.4 Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van feiten en standpunten in een geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de behandelend rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. De klachtonderdeel worden daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c)
4.5 Klager stelt dat verweerster ongepaste uitlatingen heeft gedaan door te dreigen met loonsancties en te twijfelen aan zijn integriteit. De voorzitter is van oordeel dat het verweerster – namens haar cliënt – vrij stond om aan te kondigen dat een loonstop zou worden ingezet als klager bepaalde stukken niet zou verstrekken. Uit de inhoud van het klachtdossier is niet gebleken dat verweerster zich in deze (of in andere stukken) onnodig grievend over klager heeft uitgelaten. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook niet gebleken. Dat betekent dat ook dit klachtonderdeel kennelijk gegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 februari 2026