ECLI:NL:TADRARL:2026:36 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-581/AL/NN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:36
Datum uitspraak: 02-02-2026
Datum publicatie: 03-02-2026
Zaaknummer(s): 25-581/AL/NN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over de advocaat van de wederpartij is ongegrond verklaard.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 2 februari 2026

in de zaak 25-581/AL/NN

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 27 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 26 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2436749 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 november 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van verweerder van 15 en 30 september 2025.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klager is verwikkeld in een echtscheiding. Verweerder staat de ex-partner van klager bij.

2.2 Tussen klager en verweerder is e-mailcorrespondentie gevoerd.

2.3 In een brief van 23 april 2024 heeft verweerder aan klager geschreven dat er duidelijkheid dient te bestaan of partijen over de scheiding en verdeling overeenstemming kunnen bereiken alvorens een verzoekschrift tot echtscheiding in te dienen. Ook heeft verweerder verzocht om nadere stukken toe te sturen.

2.4 In een e-mail van 24 april 2024 heeft klager aan verweerder geschreven dat hij de afwikkeling van de echtscheiding graag in onderling overleg wilde regelen en heeft hij een vraag over het aanleveren van de stukken gesteld.

2.5 In een brief van 2 mei 2024 heeft verweerder aan klager geschreven dat hij aan de hand van de verzonden stukken een voorstel zou formuleren.

2.6 In een e-mail van 6 mei 2024 heeft klager aan verweerder de verzochte stukken en een bijlage met een aantal vragen en ideeën ten aanzien van de verdeling gestuurd.

2.7 In een e-mail van 27 juni 2024 heeft klager een aanvulling op zijn e-mail van 6 mei 2024 aan verweerder gestuurd.

2.8 In een e-mail van 30 juli 2024 heeft verweerder zich verontschuldigd voor de vertraging en heeft hij geschreven dat hij bezig was een voorstel te redigeren. Ook heeft verweerder aan klager om nadere stukken verzocht. Deze stukken zijn dezelfde dag door klager aan verweerder gestuurd.  

2.9 In een e-mail van 11 september 2024 heeft klager aan verweerder geschreven dat het uitblijven van een reactie ook invloed had op de al wankele onderlinge verstandhouding.

2.10 In een e-mail van 2 oktober 2024 heeft klager aan verweerder geschreven dat hij niet begreep waarom het zo lang moest duren en heeft hij een aantal vragen gesteld.

2.11 In een e-mail van 2 oktober 2024 heeft verweerder aan klager geschreven dat als de conceptbrief zou zijn goedgekeurd, klager een reactie zou ontvangen. 

2.12 In een brief van 14 november 2024 heeft verweerder namens zijn cliënte een allesomvattend voorstel in het kader van de echtscheiding geformuleerd. Tevens mailde verweerder het door hem ingediende verzoekschrift tot echtscheiding aan klager.

2.13 In een e-mail van 1 december 2024 heeft klager aan verweerder zijn ongenoegen geuit over de gang van zaken. Daarnaast heeft hij inhoudelijk op een aantal punten in het verzoekschrift gereageerd.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door klager niet in de gelegenheid te stellen om, voor het indienen van het verzoek bij de rechtbank, te reageren op het voorstel.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

5.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

5.2 Klager verwijt verweerder dat hij klager – in strijd met gemaakte afspraken – niet in de gelegenheid heeft gesteld om voor het indienen van het verzoek bij de rechtbank, op het voorstel te reageren.

5.3 De raad is van oordeel dat het verweerder vrij stond om (namens zijn cliënte) deze brief aan klager te sturen en het verzoek tot echtscheiding te doen. Verweerder heeft daarmee de belangen van klager niet onnodig of onevenredig geschaad of anderszins de aan hem toekomende grote vrijheid van handelen overschreden. Wel had verweerder – mede gelet op de aard en de inhoud van de eerder tussen klager en verweerder gevoerde e-mailcorrespondentie – duidelijker kunnen uitleggen waarom verweerder (namens zijn cliënte) deze brief op dat moment heeft gestuurd en om welke reden hij op dat moment ook een verzoek tot echtscheiding heeft gedaan, zodat klager hierdoor minder zou zijn overvallen. Verweerder heeft erkend dat de communicatie van hem in de richting van klager op dat punt beter had gekund.

5.4 De raad ziet echter ook dat verweerder in het voortraject op een goede manier met klager heeft proberen te communiceren, waarbij de omstandigheid dat klager en de cliënte van verweerder ten tijde van het indienen van het verzoek tot echtscheiding nog bij elkaar woonden en – buiten de aanwezigheid van verweerder –met zijn tweeën over de zaak spraken en overlegden, een complicerende factor voor verweerder was. Verder neemt de raad in het voordeel van verweerder in aanmerking dat hij heeft erkend dat de communicatie beter had gekund en beterschap heeft beloofd.

5.5 De raad is gelet op alle omstandigheden van oordeel dat de aard en de ernst van het handelen van onvoldoende gewicht is om verweerder hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Dat betekent dat de klacht ongegrond wordt verklaard.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. N.A. Heidanus; G.N. Paanakker;
P. Rijnsburger; S.H.G. Swennen, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 2 februari 2026