ECLI:NL:TADRARL:2026:35 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-499/AL/OV

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:35
Datum uitspraak: 02-02-2026
Datum publicatie: 03-02-2026
Zaaknummer(s): 25-499/AL/OV
Onderwerp:
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
  • Tuchtprocesrecht
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Al met al is de raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetsgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 2 februari 2026

in de zaak 25-499/AL/OV

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 15 september 2025 op de klacht van:

klaagster

over

verweerder

gemachtigde: mr. D. Warnink

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 15 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 29 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2395101 van de deken ontvangen.

1.3 Bij beslissing van 15 september 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Op 17 september 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 12 december 2025 . Daarbij waren klaagster en de gemachtigde van verweerder aanwezig. Verweerder was na kennisgeving vooraf niet aanwezig. Klaagster werd bijgestaan door haar hiervoor genoemde gemachtigde.

1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift met bijlagen .

2 VERZET

2.1 Volgens klaagster is de door haar ingediende klacht ten onrechte en op juridisch onhoudbare gronden niet-ontvankelijk verklaard. Zij voert daartegen de volgende verzetgronden aan:

I) Primair: De voorzitter hanteert een onjuist aanvangsmoment voor de vervaltermijn.

II) Subsidiair: De termijnoverschrijding is volledig verschoonbaar.

III) Op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van klaagster de verzetgronden nader toegelicht aan de hand van ter zitting overgelegde pleitnotities.

IV) Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.

3 FEITEN EN KLACHT

Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.

4 BEOORDELING

4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2 De beslissing van de voorzitter is erop gebaseerd dat de klacht te laat is ingediend. De voorzitter heeft daarbij de toetsingsnorm uit artikel 46g van de Advocatenwet gehanteerd. Dat is naar het oordeel van de raad de juiste maatstaf.

4.3 De primaire verzetgrond van klaagster is dat de voorzitter die maatstaf verkeerd heeft toegepast door van een onjuist aanvangsmoment van de in die maatstaf opgenomen driejaarstermijn uit te gaan. Volgens klaagster is het juiste aanvangsmoment 4 maart 2024, zodat de klacht tijdig is ingediend en dus ontvankelijk had moeten worden verklaard. Klaagster stelt dat zij op 4 maart 2024 een brief van de advocaat van Beslist.nl ontving waarin expliciet werd bevestigd dat het faillissement van klaagster niet is uitgesproken op hun verzoek. Dat was volgens klaagster het eerste onweerlegbare, externe bewijs van procesbedrog en eerst vanaf dat moment was klaagster daadwerkelijk in staat een onderbouwde tuchtklacht wegens bedrog in te dienen.

4.4 De raad overweegt als volgt. Zoals ook de voorzitter in de beslissing van 15 september 2025 al heeft overwogen, volgt uit de brief van 4 maart 2024 niet dat de steunvordering een leugen was. In die brief heeft de advocaat van de schuldeiser enkel gesteld dat het faillissementsrekest niet van zijn cliënt afkomstig was, er staat niet dat Beslist.nl geen schuldeiser was. In die brief staat ook ‘Vervolgens is [klaagster] op 3 juli 2019 in staat van faillissement verklaard op aanvrage van een andere crediteur. De gerechtelijke bodemprocedure is vervolgens doorgehaald en wij hebben het dossier gesloten.’ Uit de woorden  ‘een andere crediteur’ blijkt juist dat Beslist.nl wél (ook) crediteur was, zodat sprake was van pluraliteit van schuldeisers. De raad ziet gelet daarop in de overwegingen van de voorzitter ten aanzien van de aanvangsdatum voor de driejaarstermijn geen aanleiding om daar in redelijkheid aan te twijfelen.    

4.5 In de door klaagster aangevoerde argumenten in de subsidiaire verzetsgrond ziet de raad, net als de voorzitter, geen reden om de termijnen van artikel 46g van de Advocatenwet te verlengen. Ook ten aanzien van die beslissing heeft de raad geen aanleiding om redelijkerwijs te twijfelen of deze juist is. 

4.6 Al met al is de raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetsgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.

4.7 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. M. Jansen , voorzitter, mr. S.M. Bosch-Koopmans en mr. S.H.G Swennen, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.

Griffier                                                                              Voorzitter

Verzonden op: 2 februari 2026