ECLI:NL:TADRARL:2026:34 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-498/AL/OV
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:34 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-02-2026 |
| Datum publicatie: | 03-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-498/AL/OV |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Al met al is de raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetsgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 2 februari 2026
in de zaak 25-498/AL/OV
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 15 september 2025 op de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 29 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2396859 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 15 september 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 17 september 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 12 december 2025 . Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Klaagster werd bijgestaan door haar hiervoor genoemde gemachtigde.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift met bijlagen .
2 VERZET
2.1 Volgens klaagster is de beslissing fundamenteel onjuist. Die onjuistheid vloeit volgens klaagster voort uit drie met elkaar samenhangende en objectief vast te stellen fouten, zodat klaagster de volgende drie verzetsgronden aanvoert:
I) De voorzitter heeft een onjuiste juridische maatstaf toegepast.
II) De voorzitter heeft zijn oordeel gebaseerd op een onjuist en onvolledig feitencomplex.
III) De rechtvaardiging voor de intimidatie is juridisch en feitelijk onhoudbaar.
IV) Op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van klaagster de verzetsgronden nader toegelicht aan de hand van ter zitting overgelegde pleitnotities.
3 klacht
Voor de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De eerste verzetsgrond betreft de door de voorzitter gehanteerde maatstaf (toetsingsnorm). In overweging 4.2 van de voorzittersbeslissing is het toetsingskader vermeld. Daar staat het navolgende:
'De klacht ziet op het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris van het kantoor. Daarvoor geldt het volgende toetsingskader: Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende verband is tussen het beroep van advocaat en het doen en laten van de betrokkene in die andere hoedanigheid. In dit geval bestaat bij verweerder een voldoende concreet en aanwijsbaar verband tussen enerzijds zijn hoedanigheid van advocaat en anderzijds zijn optreden als de klachtenfunctionaris van zijn kantoor. Het advocatentuchtrecht is dan dus volledig van toepassing. Bij de beoordeling dient in aanmerking te worden genomen dat de klachtenfunctionaris een grote mate van vrijheid heeft bij onder andere de wijze waarop hij de klachtafhandeling inricht (zie o.a. RvD ’s-Hertogenbosch 9 december 2019, ECLI:NL:TADRSHE:2019:186 en RvD Den Haag 29 januari 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:20).'
4.3 Volgens klaagster is dit een onvolledige weergave van het toetsingskader. Daar dient volgens klaagster aan te worden toegevoegd:
‘tenzij tevens kan worden vastgesteld dat de klachtenfunctionaris zodanig onjuist heeft gehandeld of zich anderszins zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur word geschaad’.
Nu deze toevoeging ontbreekt heeft de voorzitter volgens klaagster een verkeerde maatstaf toegepast.
4.4 De raad kan klaagster volgen waar het gaat om de stelling dat voornoemd toetsingskader niet volledig is beschreven in de voorzittersbeslissing. Het enkele feit dat de voorzitter de toetsingsmaatstaf zoals die volgt uit de genoemde jurisprudentie niet volledig heeft uitgeschreven, betekent nog niet dat er een verkeerde maatstaf is toegepast. De voorzitter heeft verwezen naar de jurisprudentie waaruit de toetsingsmaatstaf volgt en heeft daarmee de juiste maatstaf gehanteerd. In de (bewoordingen van de) beoordeling van de klacht ligt besloten dat de voorzitter wel met de volledige norm rekening heeft gehouden. Immers de voorzitter concludeert dat verweerder tijdig, gemotiveerd en onverplicht heeft gereageerd naar klager op de klacht over zijn kantoorgenoot. De voorzitter overweegt tevens dat hij geen onbepleitbaar standpunt ziet. Deze verzetsgrond slaagt daarom niet.
4.5 De tweede verzetsgrond ziet op hetgeen de voorzitter heeft beslist ten aanzien van stukken die klaagster op 15 augustus 2025 heeft ingediend. Volgens de voorzitter heeft klaagster in die stukken diverse nieuwe klachtonderdelen naar voren gebracht, terwijl nieuwe klachtonderdelen bij de deken dienen te worden ingediend. De voorzitter heeft de nieuwe klachtonderdelen daarom niet meegenomen in het oordeel.
4.6 Volgens klaagster ging het echter niet om nieuwe klachten, maar om het meest belastende bewijs voor de kern van haar klacht. Door dit louter op formele gronden buiten beschouwing te laten baseert de voorzitter zijn oordeel volgens klaagster op een onvolledig en daardoor onjuist feitencomplex.
4.7 Het op 15 augustus 2025 door klaagster toegezonden stuk betreft een pleitnota met een juridische analyse in de tuchtzaak tegen [verweerder]. Daarin worden, zoals de voorzitter al constateerde, verweerder aanvullende verwijten gemaakt die niet in de aanbiedingsbrief van de deken staan. De raad kan dus de redenering van de voorzitter volgen om deze niet toe te laten. Bovendien voorziet het procesreglement niet in de mogelijkheid om op voorhand een pleitnota aan de raad toe te zenden. Ook deze verzetsgrond slaagt niet.
4.8 De derde verzetsgrond ziet op de overwegingen onder 4.4 van de voorzittersbeslissing. Daarin wordt volgens klaagster overwogen dat verweerder door (de gemachtigde van) klaagster ‘overmatig veel aangeschreven’ en ‘bestookt’ werd en er wordt geconcludeerd dat ‘ook een advocaat daaraan op een gegeven moment grenzen mag stellen’. Volgens klaagster rechtvaardigt de voorzitter daarmee de intimidatie door verweerder.
4.9 De raad overweegt dat de voorzitter deze overweging naar haar oordeel heeft gemaakt op basis van de voorliggende stukken, feiten en verklaringen. Het is de raad niet gebleken dat de voorzitter daarmee een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd of van onvolledige of onjuiste feiten is uitgegaan. Ook deze verzetsgrond slaagt niet.
4.10 Al met al is de raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetsgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.11 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen , voorzitter, mr. S.M. Bosch-Koopmans en mr. S.H.G Swennen, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 februari 2026