ECLI:NL:TADRARL:2026:33 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-492/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:33
Datum uitspraak: 02-02-2026
Datum publicatie: 03-02-2026
Zaaknummer(s): 25-492/AL/MN
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Overige gronden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadbeslissing. Klacht over eigen advocaat. De raad is op grond van de overgelegde stuken niet gebleken dat tussen klaagster en verweerder een maximumbedrag of een maximum aantal uren is afgesproken. Ook heeft de raad op grond van de stukken niet kunnen vaststellen dat sprake is van excessief declareren. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 2 februari 2026

in de zaak 25-492/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 21 november 2024 heeft de heer W. als vertegenwoordiger van klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 23 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z2387001/FB/SDG van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 november 2025. Daarbij waren de vertegenwoordiger van klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces‑verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Verweerder heeft de besloten vennootschap S. B.V. bijgestaan in een civielrechtelijke procedure in verband met een vordering tot ontbinding van een overeenkomst van opdracht met klaagster. De heer W. is de bestuurder van de vennootschap die partijen begeleidt bij echtscheidingen. De vennootschap is op 2 februari 2023 ontbonden en de werkzaamheden zijn met dezelfde bestuurder voortgezet in de nieuwe besloten vennootschap B. B.V. (hierna: klaagster). Klaagster heeft op 21 november 2024 onderhavige klacht ingediend.

2.2 Op 7 februari 2023 heeft de heer W. telefonisch contact opgenomen met verweerder over diens eventuele bijstand in de onder 2.1 vermelde procedure. In de e-mail van 9 februari 2023 heeft verweerder aan de heer W. het volgende bericht:

(…) Laten we even bellen over de voorwaarden waarop we je kunnen bijstaan. Mijn uurtarief bedraagt EUR 300 ex BTW en kosten derden en de kantoorgenoot die ik hierbij wil betrekken hanteert een uurtarief van EUR 250 ex BTW en kosten derden. We zullen niet dubbel werk verrichten, een van ons zal de benodigde processtukken opstellen en de ander zal betrokken zijn bij de strategie en het afstemmen van de inhoud van de processtukken.

Een inschatting van de te maken uren en de daarmee verbonden kosten kan ik nog niet maken want daar heb ik het complete dossier voor nodig. Zodra ik dat heb, kan ik je een inschatting geven van de te maken kosten. Die zullen dan vooralsnog zien op de aan het opstellen van de conclusie van antwoord (…) te besteden tijd alsmede de te besteden tijd aan een conclusie van eis in reconventie (tegeneis),(…). Hier komt het griffierecht nog bij. (…)

2.3 Bij  brief van 27 februari 2023 heeft verweerder de opdracht bevestigd en een voorschot van € 2.837,00 inzake griffierecht in rekening gebracht. In deze brief heeft hij onder meer geschreven:

“(…)Voor deze opdracht hanteert [het kantoor van verweerder] een uurtarief van € 300,00 exclusief btw (tarief 2023) voor de werkzaamheden van [verweerder]. Voor de werkzaamheden, te verrichten door [kantoorgenoot V.], wordt een uurtarief van € 250,00 exclusief btw gerekend. Kosten en verschotten zal [het kantoor van verweerder] vooraf of achteraf aan u doorbelasten.

(…) De benodigde werkzaamheden en de daaraan verbonden kosten zijn op voorhand niet volmaakt in te schatten. Deze zijn mede afhankelijk van de te bepalen strategie, aanpak en wijze van uitvoering. Ook van invloed zijn onder andere acties van de eventuele wederpartij(en), ontwikkelingen en (gewijzigde) behoeften. (…)”

2.4 De heer W. heeft op 31 maart 2023 de opdrachtbevestiging voor akkoord ondertekend en geretourneerd en tevens de voorschotnota betaald.

2.5 Op 4 april 2023 is de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, ingediend bij de rechtbank.

2.6 Bij e-mail van 19 april 2023 heeft verweerder een factuur van € 8.663,60 inclusief BTW voor de tot en met 31 maart 2023 verrichte werkzaamheden verzonden. Klaagster heeft de rekening op dat moment niet betaald. De heer W. heeft op 16 mei 2023 mondeling bij verweerder de factuur ter discussie gesteld. Verweerder heeft toegezegd nog eens naar de factuur te kijken en er daarna op terug te komen.

2.7 De mondelinge behandeling van de civiele zaak heeft op 22 september 2023 plaatsgevonden in aanwezigheid van kantoorgenoot V. Hij heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.

2.8 Op 15 november 2023 is vonnis gewezen. Het merendeel van de tegen klaagster ingestelde vorderingen is daarin afgewezen, maar klaagster is wel veroordeeld tot terugbetaling van een deel van hetgeen zij had gefactureerd aan haar wederpartij bij wijze van schadevergoeding, de reconventionele vorderingen zijn afgewezen en klaagster is in de proceskosten veroordeeld. Partijen hebben afgezien van hoger beroep.

2.9 Ter financiële afwikkeling van de zaak en naar aanleiding van het bezwaar van klaagster tegen de factuur van 19 april 2023, heeft verweerder bij e-mail van 1 februari 2024 een creditfactuur, een nieuwe factuur die ziet op de werkzaamheden tot en met maart 2023 en een factuur voor de werkzaamheden vanaf april 2023 aan klaagster toegezonden.

2.10 Klaagster heeft in haar e-mails van 2 en 5 februari 2024 bij monde van de heer W. aangegeven dat zij ervan uit was gegaan dat de zaak al was afgedaan omdat het betaalde voorschot al hoger was dan de vooraf gedane prijsopgave, dan wel dat zij een bedrag van maximaal € 3.000,- of 3.500,- hebben afgesproken. Verweerder heeft dit in zijn e-mails betwist.

2.11 Verweerder heeft bij e-mail van 29 februari 2024 klaagster gesommeerd tot betaling van de openstaande facturen. Klaagster heeft aangegeven de facturen niet te zullen betalen.

2.12 Klaagster heeft op 5 maart 2024 een klacht bij het kantoor van verweerder ingediend.

2.13 Op 21 oktober 2024 heeft een klachtgesprek plaatsgevonden en op 28 oktober 2024 heeft de klachtenfunctionaris een gespreksverslag gestuurd en conform afspraak klaagster in de gelegenheid gesteld bewijs te sturen van de volgens klaagster gemaakte prijsafspraak.

2.14 De heer W. heeft bij e-mail van 4 november 2024 bewijsstukken toegezonden en aangekondigd een bedrag van € 3.500,- te zullen overmaken.

2.15 De klachtenfunctionaris heeft in zijn e-mail van 19 november 2024 aangegeven dat uit de toegezonden stukken niet blijkt van een prijsafspraak en dat dus het nog openstaande bedrag moet worden voldaan.

2.16 Naar aanleiding van het bericht van de heer W. namens klaagster dat hij een klacht bij de deken heeft ingediend, heeft verweerder bij e-mail van 27 november 2024 voorgesteld dat bij omgaande betaling van de openstaande facturen geen rente en buitengerechtelijke kosten in rekening zullen worden gebracht. Hierop heeft hij geen reactie ontvangen.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) de gemaakte declaratieafspraak niet na te komen, dan wel klaagster niet op de hoogte te stellen van het feit dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk opgegeven schatting.

Toelichting

Verweerder heeft met klaagster voor de gehele procedure een urenafspraak van 20 uur gemaakt, die gelijkstaat aan € 3.500,-. De heer W. heeft de opdrachtbevestiging getekend omdat hij zich kon vinden in het uurtarief en de afspraak van maximaal 20 uur redelijk vond. Klaagster heeft echter op 19 april 2023 een tussentijdse factuur ontvangen waarin 35 uren in rekening waren gebracht, die alleen zagen op het opstellen van de conclusie van antwoord. Op 1 februari 2024 is verweerder hierop teruggekomen, maar nog steeds heeft hij  vijf uren meer gefactureerd dan was afgesproken. Naast de gewijzigde factuur heeft verweerder ook nog een tweede factuur van 22 extra uren gezonden. Dat is in totaal 27 uren meer dan begroot en afgesproken. Verweerder heeft doen voorkomen of hij uitsluitend de conclusie van antwoord heeft bedoeld bij zijn inschatting voor deze uren, maar van een advocaat mag worden verwacht dat bij een ureninschatting het totale traject wordt bedoeld en niet slechts een deel hiervan. Als dat wel het geval was geweest, had verweerder er duidelijk bij moeten vermelden dat er nog bijkomende kosten verwacht konden worden en dat deze uren enkel de eerste voorbereiding van de zaak omvatten.

b) excessief te declareren

Toelichting

Het aantal gefactureerde uren is buiten alle proporties voor een standaard conclusie van antwoord en eis in reconventie met een zitting van 1,5 uur. Zo heeft verweerder in de eerste factuur voor de conclusie van antwoord en de reconventie bijna 20 uren in rekening gebracht, terwijl klaagster zelf deze al in concept had aangeleverd. Ook voor de andere werkzaamheden is buitensporig veel in rekening gebracht.

c) niet te reageren

Toelichting

Verweerder heeft pas na bijna een jaar gereageerd op het bezwaar van klaagster tegen de hoogte van de eerste factuur.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

De beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht

5.1 Het meest verstrekkende verweer van verweerder is dat klaagster niet kan worden ontvangen in haar klacht, omdat niet klaagster, maar haar voorgangster de opdracht aan verweerder heeft gegeven. Op het moment dat de klacht bij de deken werd ingediend, was deze besloten vennootschap al ontbonden en bestond dus niet meer. Het klachtrecht is voorbehouden aan de cliënt en dat is klaagster in deze kwestie niet.

5.2 De raad is van oordeel dat klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. Volgens vaste jurisprudentie kunnen alleen door of namens bestaande (rechts-) personen klachten worden ingediend. Klaagster heeft toegelicht dat de vennootschap die de opdracht aan verweerder heeft gegeven op 2 februari 2023 is ontbonden, maar dat de werkzaamheden met dezelfde bestuurder zijn voortgezet door klaagster. Gelet hierop is de raad van oordeel dat klaagster als rechtsopvolger van de eerdere vennootschap kan worden beschouwd en klaagster onderhavige klacht tegen verweerder kon indienen.

Inhoudelijke beoordeling van de klacht

Maatstaf

5.3 De raad stelt vast dat de klacht betrekking heeft op het optreden van de eigen advocaat. De klacht gaat over de kwaliteit van zijn dienstverlening. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Het optreden van verweerder zal aan de hand van deze maatstaf worden beoordeeld.

Klachtonderdeel a); gemaakte declaratieafspraak niet nakomen dan wel niet waarschuwen dat declaratie aanmerkelijk hoger zou worden dan ingeschat

5.4 Gedragsregel 17 lid 2 bepaalt dat een advocaat er voor zorgdraagt dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijk afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren. Gedragsregel 17 lid 3 bepaalt dat zodra een advocaat voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan aanvankelijk aan de cliënt opgegeven schatting, hij zijn cliënt daarvan op de hoogte stelt.

5.5 De raad is op grond van de overgelegde stukken niet gebleken dat tussen klaagster en verweerder een maximumbedrag of een maximum aantal uren is afgesproken. In zowel de e-mail van verweerder van 9 februari 2023 als in de opdrachtbevestiging van 27 februari 2023 - die door de heer W. namens de vennootschap is ondertekend -  staat duidelijk vermeld dat de zaak op basis van uurtarieven zou worden behandeld. Ook is in de e-mail van 9 februari 2023 aangegeven dat de te geven inschatting alleen het opstellen van de conclusie van antwoord en eis in reconventie zou betreffen. Verweerder mocht ervan uitgaan dat dit door klaagster was begrepen, gelet op het feit dat zij een zakelijke partij is die bekend moet worden verondersteld met de kosten die met dergelijke gerechtelijke procedures gemoeid zijn. Het aantal op 1 februari 2024 voor de conclusie van antwoord gefactureerde uren was uiteindelijk hoger dan de inschatting, maar verweerder heeft na bezwaar van klaagster het in rekening gebrachte bedrag alsnog in overeenstemming gebracht met zijn eerdere inschatting. Van enige schending van gedragsregel 17 is de raad niet gebleken. Klachtonderdeel a) zal ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel b); excessief declareren

5.6 Verweerder heeft in zijn verweer aangegeven dat hij in totaal € 10.125 exclusief BTW en verschotten bij klaagster in rekening heeft gebracht. De werkzaamheden betroffen het opstellen van een conclusie van antwoord en eis in reconventie inclusief bestuderen van het dossier, literatuur/-jurisprudentieonderzoek, afstemming van opgestelde concepten, het houden van meerdere besprekingen op kantoor en telefonisch, het opstellen van een akte van eiswijziging in reconventie, het bijwonen van en zitting inclusief voorbereiding en het opstellen van spreekaantekeningen en de nodige correspondentie en telefoongesprekken. Hij heeft iets meer dan 56% in rekening gebracht van het honorarium dat in rekening gebracht had kunnen worden. Verder heeft verweerder betwist dat klaagster een kant en klare conclusie van antwoord en eis in reconventie aan verweerder heeft overgelegd. Verweerder heeft enkel de tijd die zijn kantoorgenoot hieraan heeft besteed uiteindelijk in rekening gebracht en ook daarvan is niet alle tijd in rekening gebracht.

5.7 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter waakt tegen excessief declareren. Of een declaratie als excessief moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval.

5.8 De raad heeft op grond van de stukken niet kunnen vaststellen dat sprake is van excessief declareren. De door verweerder gehanteerde uurtarieven en het aantal door hem gedeclareerde uren staan in verhouding tot de door verweerder en zijn kantoorgenoot verrichte werkzaamheden. Feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de aan klaagster in rekening gebrachte tijd buitensporig zou zijn, zijn de raad niet gebleken. Bovendien heeft verweerder zijn declaraties aangepast en gematigd. De raad is met verweerder van oordeel dat de advocaat vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid de inhoud bepaalt van een processtuk en dat hij daarom de door klaagster aangedragen conclusie van antwoord niet zonder meer kon overnemen, maar diende te beoordelen op zijn juridische merites. Onvrede van klaagster met het behaalde resultaat maakt dit oordeel niet anders. Niet het behaalde resultaat is leidend voor het oordeel, maar de vraag of het aantal gedeclareerde uren in redelijke verhouding staat tot de verrichte werkzaamheden. Aangezien dit wel het geval is, zal klachtonderdeel b) ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel c): niet reageren op bezwaar tegen factuur

5.9 Verweerder heeft in zijn verweer erkend dat hij eerder dan op 1 februari 2024 had moeten reageren op de bezwaren van klaagster tegen zijn declaratie van 19 april 2023. Hij heeft hieraan toegevoegd dat hij in de tussenliggende tijd zijn werkzaamheden heeft voortgezet en betaling van de factuur niet heeft verlangd.

5.10 Hoewel verweerder eerder had moeten reageren op het verzoek van klaagster om de factuur van 19 april 2023 aan te passen, is de raad van oordeel dat het te ver voert om hem dit tuchtrechtelijk te verwijten. De raad neemt daarbij in aanmerking dat verweerder de facturen uiteindelijk wel heeft aangepast, waardoor klaagster geen nadeel heeft ondervonden. Klachtonderdeel c) zal ongegrond worden verklaard.

BESLISSING

De raad van discipline:

-   verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. E.J.C. de Jong en L.S. Wachters, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 2 februari 2026