ECLI:NL:TADRARL:2026:32 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-491/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:32 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-02-2026 |
| Datum publicatie: | 03-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-491/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadbeslissing. Klacht tegen verweerder in hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Verweerder heeft zonder een goede reden pas na een half jaar opvolging gegeven aan de klacht van klaagster. Klacht in zoverre gegrond, voor het overige ongegrond. Geen maatregel. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder erkend dat de rol van klachtenfunctionaris niet bij hem past een aangegeven dat hij naar aanleiding van de onderhavige klacht deze taak heeft neergelegd. Vanwege dit inzicht in zijn functioneren en het feit dat hij de consequenties daarvan heeft aanvaard, in combinatie met de geringe overtreding van de tuchtrechtelijke norm, voert het te ver om verweerder een maatregel op te leggen. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 2 februari 2026
in de zaak 25-491/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 november 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 23 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2390135/FB/SDG van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 november 2025. Daarbij waren de vertegenwoordiger van klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces‑verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. De raad heeft ook kennisgenomen van het geluidsbestand van het gesprek van de vertegenwoordiger van klaagster met verweerder op 21 oktober 2024.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerder heeft als klachtenfunctionaris van het kantoor een klacht van klaagster tegen zijn kantoorgenoot behandeld. Deze kantoorgenoot heeft klaagster bijgestaan in een civiele procedure in verband met een vordering tot ontbinding van een overeenkomst van opdracht.
2.2 Klaagster heeft op 5 maart 2024 bij verweerder de klacht ingediend. Deze ging onder andere over de declaraties die onjuist zouden zijn vanwege een prijsafspraak die volgens klaagster zou zijn gemaakt.
2.3 Bij e-mail van 18 september 2024 heeft de managementassistent van het kantoor aan klaagster gevraagd of de klacht nog actueel is, in welk geval klaagster zou worden uitgenodigd voor een gesprek. Hierop heeft klaagster gereageerd dat de klacht nog actueel is en dat zij graag een gesprek wil voeren.
2.4 Op 21 oktober 2024 heeft een klachtgesprek plaatsgevonden, waarbij de heer W. als vertegenwoordiger van klaagster, verweerder en de kantoorgenoot van verweerder aanwezig waren. De heer W. heeft een geluidsopname van dit gesprek gemaakt.
2.5 Tijdens het gesprek is afgesproken dat klaagster bewijs zou sturen van de prijsafspraak die zou zijn gemaakt. Bij e-mail van 4 november 2024 heeft klaagster bewijsstukken aangeleverd, aangekondigd een bedrag van € 3.500,- over te zullen maken en gemeld dat zij een klacht bij de deken en de Geschillencommissie voor de Advocatuur zou indienen.
2.6 Bij e-mail van 19 november 2024 heeft verweerder gereageerd en aangegeven dat uit de toegezonden stukken niet blijkt van een prijsafspraak, het nog openstaande bedrag voldaan moet worden en het kantoor niet is aangesloten bij de Geschillencommissie voor de Advocatuur.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de klacht van klaagster tegen zijn kantoorgenoot niet tijdig en onzorgvuldig af te handelen.
Toelichting
Verweerder heeft niet volgens de regels van hun eigen klachtprocedure gehandeld door niet binnen vier weken na toezending van de klacht te reageren. Klaagster heeft ook nooit een ontvangstbevestiging gehad. Pas op 18 september 2024 is door het kantoor op de klacht gereageerd. Verweerder heeft na het klachtgesprek in strijd met het eigen klachtreglement de klacht niet afgehandeld. Er volgde alleen een e-mail van verweerder dat klaagster moest betalen onder aanzegging van incassomaatregelen en buitengerechtelijke kosten.
b) betaling van een factuur af te dwingen en klaagster onheus te bejegenen.
Toelichting
Verweerder heeft zich niet opgesteld als een onpartijdige, objectieve gespreksleider, maar is op de stoel van het kantoor als schuldeiser gaan zitten. Uit zijn optreden bleek dat verweerder vooringenomen was. Hij heeft druk uitgeoefend op klaagster om over te gaan tot betaling. Hij heeft gedreigd met inschakeling van een incassobureau. Verder is verweerder in de loop van het gesprek gaan schreeuwen en heeft hij onbehoorlijk taalgebruik gebezigd. Ook heeft verweerder geïnsinueerd dat klaagster een klacht heeft ingediend omdat zij de facturen niet kan betalen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
De beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht
5.1 Het meest verstrekkende verweer dat verweerder heeft gevoerd is dat klaagster niet kan worden ontvangen in haar klacht, omdat de overeenkomst van opdracht door de kantoorgenoot van verweerder niet is aangegaan met klaagster maar met de voorgangster van klaagster. Op het moment dat de klacht bij de deken werd ingediend, was deze besloten vennootschap al ontbonden en bestond dus niet meer. Het klachtrecht is voorbehouden aan de cliënt en dat is klaagster in deze kwestie niet.
5.2 De raad is van oordeel dat klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. Volgens vaste jurisprudentie kunnen alleen door of namens bestaande (rechts-)personen klachten worden ingediend. Klaagster heeft toegelicht dat de vennootschap die de opdracht aan verweerder heeft gegeven op 2 februari 2023 is ontbonden, maar dat de werkzaamheden met dezelfde bestuurder zijn voortgezet door klaagster. Gelet hierop is de raad van oordeel dat klaagster als rechtsopvolger van de eerdere vennootschap kan worden beschouwd en klaagster onderhavige klacht tegen verweerder kon indienen.
De inhoudelijke behandeling van de klacht
Maatstaf
5.3 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Bij het optreden van verweerder als klachtenfunctionaris bestaan hiervoor voldoende aanknopingspunten. Het advocatentuchtrecht is dus van toepassing. Indien een advocaat zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Concreet betekent dit dat de vraag voorligt of verweerder zich bij de vervulling van zijn functie van klachtenfunctionaris zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Bij deze beoordeling dient in aanmerking te worden genomen dat volgens vaste jurisprudentie van het hof van discipline de klachtenfunctionaris een grote mate van vrijheid heeft om te bepalen hoe hij de klachtafhandeling inricht en hoe hij op de ingediende klacht beslist.
Klachtonderdelen a) en b)
5.4 De klachtonderdelen a) en b) lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
5.5 Ingevolge artikel 6.28 lid 2 onder d van de Verordening op de advocatuur moet een klachtenfunctionaris binnen een maand na ontvangst de klacht hebben afgehandeld. De raad stelt vast dat geen ontvangstbevestiging is gestuurd en verweerder de klacht van klaagster pas na ruim een half jaar in behandeling heeft genomen. Verweerder heeft tijdens de zitting verklaard dat hij in de veronderstelling was dat de kantoorgenoot over wie de klacht ging, de zaak had opgepakt en inmiddels had opgelost. De raad is van oordeel dat dit geen rechtvaardiging vormt voor de vertraging en derhalve voor rekening van verweerder dient te komen. Zoals verweerder ook ter zitting heeft erkend, heeft hij de zaak te veel op zijn beloop gelaten. Nu verweerder zonder een goede reden pas na een half jaar opvolging heeft gegeven aan de klacht van klaagster, zal de klacht in zoverre gegrond worden verklaard.
5.6 De klacht heeft voor het overige betrekking op het gedrag en de houding van verweerder tijdens het klachtgesprek op 21 oktober 2024. Uit het geluidsbestand van het klachtgesprek is de raad wel gebleken dat verweerder enkele malen zijn stem heeft verheven, maar niet dat hij heeft geschreeuwd of ongepaste taal heeft gebruikt. Het was beter geweest als verweerder in zijn rol van klachtenfunctionaris een meer zakelijk afstand zou hebben bewaard ten opzichte van het onderliggende geschil tussen klaagster en zijn kantoorgenoot. Maar het valt te begrijpen dat verweerder gezien het verloop van het gesprek het standpunt van zijn collega dat geen prijsafspraak is gemaakt nadrukkelijk is gaan onderschrijven. De vraag van verweerder of klaagster de facturen wel kon betalen was niet onlogisch, gelet op het feit dat de klacht grotendeels ging over de hoogte van de facturen en de voorgangster van klaagster was ontbonden. Ook is het begrijpelijk dat de interne klacht niet verder is afgehandeld en verweerder aanspraak heeft gemaakt op betaling van de openstaande facturen nadat klaagster had aangekondigd een klacht bij de deken te gaan indienen.
5.7 Concluderend is de raad van oordeel dat, hoewel het de voorkeur had verdiend als verweerder zich neutraler en minder fel in het klachtgesprek had opgesteld, het optreden van verweerder tijdens het klachtgesprek niet dusdanig is geweest dat hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Aangezien verweerder bij de vervulling van zijn taak als klachtenfunctionaris - afgezien van de trage afhandeling van de klacht - niet het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, zal de klacht voor het overige ongegrond worden verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 De klacht is gegrond voor zover deze het verwijt betreft dat verweerder de tegen zijn kantoorgenoot ingediende klacht niet tijdig heeft afgehandeld. Voor oplegging van een maatregel ziet de raad echter om de navolgende redenen geen aanleiding. Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad erkend dat de rol van klachtenfunctionaris niet bij hem past en aangegeven dat hij naar aanleiding van de onderhavige klacht deze taak heeft neergelegd. Vanwege dit inzicht in zijn functioneren en het feit dat hij de consequenties daarvan heeft aanvaard, in combinatie met de geringe overtreding van de tuchtrechtelijke norm, voert het naar het oordeel van de raad te ver om verweerder een maatregel op te leggen.
6.2 Nu geen maatregel zal worden opgelegd, zal verweerder gelet op artikel 48ac Advocatenwet niet in de proceskosten worden veroordeeld.
7 GRIFFIERECHT
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond voor zover deze betrekking heeft op de niet tijdige afhandeling van de tegen zijn kantoorgenoot ingediende klacht;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. E.J.C. de Jong en L.S. Wachters, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 februari 2026