ECLI:NL:TADRARL:2026:31 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-466/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:31 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-02-2026 |
| Datum publicatie: | 03-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-466/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster beklaagt zich over de met verweerder gemaakte (financiële) afspraken en zijn weigering om met haar Amerikaanse advocaat te overleggen en haar dossier aan haar opvolgend advocaat af te geven. Naar het oordeel van de raad treft verweerder geen enkel tuchtrechtelijk verwijt. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 2 februari 2026
in de zaak 25-466/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. H.A. Dragstra, advocaat te Amersfoort
over
verweerder
gemachtigde: mr. P. Tijsterman, advocaat te Uithoorn
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 22 april 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 16 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2338701 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 21 november 2025. Daarbij was namens klaagster haar gemachtigde aanwezig. Ook verweerder was met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klaagster, woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika, heeft na overlijden van haar moeder op 26 februari 2009 de eigendom van een perceel bouwgrond in Nederland (hierna: het perceel) door erfopvolging verkregen. Dit perceel is in de Verenigde Staten in een particulier trustfonds ondergebracht.
2.2 Klaagster heeft dit perceel in 2022 via een makelaar, de heer K (hierna verder: de makelaar), verkocht. In de koopovereenkomst is verlening van een omgevingsvergunning als ontbindende voorwaarde opgenomen.
2.3 De makelaar heeft namens klaagster verweerder om advies gevraagd voor het geval de kopers een beroep zouden doen op de ontbindende voorwaarde. Verweerder heeft dit advies op 13 december 2022 gegeven. Dezelfde dag heeft verweerder voor zijn werkzaamheden (6 uur) tegen het afgesproken uurtarief van € 250,- een bedrag van € 1.815,- inclusief 21% BTW via de makelaar aan klaagster in rekening gebracht. Klaagster heeft dit bedrag betaald.
2.4 Op 31 december 2022 hebben de kopers de koopovereenkomst met klaagster ontbonden met een beroep op de ontbindende voorwaarde.
2.5 In opdracht van de makelaar heeft verweerder een brief gemaakt voor klaagster om aan de kopers te sturen. Die brief is door de makelaar op 5 januari 2023 namens klaagster aan de kopers verzonden.
2.6 Op 13 januari 2023 hebben de kopers aan de makelaar bericht dat zij hun beroep op de ontbindende voorwaarde in de overeenkomst met klaagster handhaven.
2.7 Ook op 13 januari 2023:
- om 00:40 uur: heeft verweerder (gericht) aan de makelaar en aan klaagster geschreven:
1. Bijgaande uitdraai van de informatie van de belastingdienst van 12/13 januari 2023 geeft aan dat [klaagster] in Nederland btw (21%) over in Nederland verleende diensten ter zake van geschillen over onroerende zaken in Nederland in rekening moet worden gebracht. (…)
5. Jij zei mij donderdag 12 januari 2023, dat jij n.a.v. mijn in de voorbereiding van een aan te spannen geding ontwaarde lacune in de verkoopgegevens over het eigenaarschap van het [perceel (…)], op woensdagavond 11 januari 2023 hebt gehoord van [klaagster], dat zij een zus heeft. Voorts dat [het perceel (…)] in een particulier trustfonds van de beide zussen in Californië is ondergebracht. Dat [klaagster] de trustee is en dat zij mag verkopen en leveren, en dat zij uit dien hoofde jou heeft ingeschakeld in 2020 om tot verkoop en levering van [het perceel] aan een koper te komen.
6. In de stukken van de koopovereenkomst van 14/15 april 2022 bevinden zich wat dit betreft echter uitsluitend gegevens over hun moeder van 1919, die in 2008 eigenaar was uit versterf, maar die daarna echter is gestorven. Het perceel staat in het Kadaster nog steeds als eigendom geregistreerd van de moeder van beide zussen.
7. Een advocaat van de koper kan daar in kort geding vervelende vragen over stellen. En als dat niet gebeurt zal de voorzieningenrechter die de stukken leest daar vragen over stellen.
8. We spraken vandaag af dat [klaagster] met grote spoed zorgt voor officiële documenten (oprichtingsakte, statuten) waarin het bestaan van de trust, het onderhavige eigendom van de trust, het besluit van de trust om [het perceel] te verkopen en te leveren aan een koper wordt bevestigd.
9. Voorts een akte van een Nederlandse notaris die het voorgaande sub 8 bevestigt.
10. De tenaamstelling – via de Notaris – van [het perceel] in het Kadaster op naam van de Trust als eigenaar. (…)
15. We bespraken dit deze week meermalen en we zijn het eens dat de punten 5 en volgende door de verkoper met spoed, zorgvuldigheid en nauwkeurigheid moeten worden geredresseerd.
16. Wij spraken af dat jij dit regelt met de verkoper en de notaris.
- om 6.45 uur: heeft verweerder aan klaagster, met de makelaar in cc, zijn declaratie gestuurd voor zijn werkzaamheden tegen het met de makelaar overeengekomen uurtarief van € 250,- plus 21 % BTW over de periode 15 december 2022 tot 13 januari 2023, 00.40 uur, voor een bedrag van € 9.075,- inclusief 21% BTW (30 uur);
- om 13:15 uur: heeft verweerder aan de makelaar en aan klaagster in de bijlage informatie over de omzetbelasting meegestuurd. In deze e-mail in de Engelse taal heeft verweerder toegelicht dat hij, net als de makelaar, volgens zijn fiscaal advocaat 21% BTW aan klaagster in rekening moet brengen voor zijn werkzaamheden in haar zaak. Verder heeft verweerder benadrukt dat het geen eenvoudige kwestie is en hij daarom niet in staat is om een inschatting te maken van de werkzaamheden en zijn kosten. Om die reden zal hij klaagster periodiek declaraties sturen. Ondanks het grote financiële belang in deze kwestie van ruim 2 miljoen euro heeft hij klaagster aangeboden om zijn werkzaamheden - het dagvaarden van de kopers - op grond van zijn basis-uurtarief van € 250,-, te vermeerderen met 21 % BTW, wil doen. Hetzelfde uurtarief dat hij met de makelaar tot dat moment voor klaagster was overeengekomen. Verweerder heeft klaagster verzocht de opdracht aan hem te bevestigen waarna hij na ontvangst van de benodigde bescheiden van klaagster de dagvaarding zal opstellen;
2.8 In haar e-mail van 16 januari 2023 heeft klaagster aan verweerder, met de makelaar in de CC, de opdracht conform zijn e-mail van 13 januari 13:15 uur aan verweerder bevestigd en toegezegd zijn declaratie van 13 januari 2023 de volgende dag te zullen betalen. Dezelfde dag heeft de makelaar de kopers nogmaals gesommeerd tot nakoming van de overeenkomst met klaagster.
2.9 In de periode daarna heeft klaagster via de makelaar advies gevraagd aan een Nederlandse notaris mr. B over inschrijving van de trust en de beschikkingsbevoegdheid van klaagster als enige trustee (middellijk eigenaar).
2.10 Op 20 januari 2023 heeft de door de makelaar ingeschakelde notaris aan de makelaar en aan verweerder laten weten dat de door klaagster verstrekte en door haar Amerikaanse advocaat voor een Nederlandse bank opgemaakte declaration of inheritance geen verklaring van erfrecht is maar een verklaring van executele. Ook heeft de notaris laten weten dat de door hem van klaagster ontvangen Erbschein in strijd is met de Probate Court, waar de trust als erfgenaam is aangemerkt en niet klaagster en haar zus. Volgens de notaris is geen van de stukken voldoende met de suggestie om klaagster en haar zus samen aan de juridische eigendomsoverdracht te laten meewerken, wellicht naast de trust.
2.11 Op 24 januari 2023 heeft verweerder een declaratie aan klaagster, in CC aan de makelaar, gestuurd voor zijn werkzaamheden vanaf 13 januari 2023 tot 24 januari 2023 voor een bedrag van € 5.974,38 inclusief 21% BTW (19,75 uur).
2.12 Op 15 februari 2023 zijn de kopers nogmaals gesommeerd tot nakoming van de overeenkomst met klaagster.
2.13 Klaagster heeft verweerder op 24 februari 2023 in haar e-mail gevraagd om rechtstreeks met haar Amerikaanse advocaat te communiceren en een telefoongesprek te regelen, zodat het sneller verloopt dan het geval is via notaris mr. B. Verweerder heeft daarna met alle bij de zaak betrokkenen gecommuniceerd, waaronder met de Amerikaanse advocaat.
2.14 Op 26 februari 2023 heeft verweerder een declaratie aan klaagster, met de makelaar in CC, gestuurd voor zijn werkzaamheden vanaf 23 januari 2023 voor een bedrag van € 12.326,88 inclusief 21% BTW (40,75 uur). Klaagster heeft alle rekeningen van verweerder zonder protest voldaan. Klaagster heeft daarnaast een declaratie van notaris mr. B ontvangen van € 7.072,- inclusief 21% BTW.
2.15 In zijn e-mail van 2 maart 2023 (op 3 maart 2023 om 11:24 uur ook verstuurd in de Engelse taal) aan klaagster, in CC aan de makelaar en notaris mr. B, heeft verweerder klaagster geadviseerd om een bodemprocedure op te starten. Verder heeft verweerder daarin geschreven:
8. De inhoudelijke kant van de zaak wordt uitgezocht door [notaris mr. B] aan de hand van de stukken die hij van [klaagster] ontving, die [klaagster] zal adviseren over de wijze van registratie van eigendom van [het perceel].
9. Zoals blijkt uit deze zaak en zoals is besproken met [klaagster] en haar adviseurs moet dat met grote spoed en met zorgvuldigheid nu eerst worden vastgesteld en goed geregeld bij het Kadaster, voordat ik verantwoord voor [klaagster] een bodemprocedure kan beginnen tegen haar kopers.
10. Ik verneem gaarne van u met spoed wat u vindt van dit advies.
2.16 Op 3 maart 2023 heeft klaagster in een e-mail aan verweerder, met de makelaar en haar Amerikaanse advocaat in de CC, gevraagd om een inschatting van tijd en kosten voor een bodemprocedure en verschillende opties voorgesteld om tot een afwikkeling te komen.
2.17 Op 6 maart 2023:
- om 13:11 uur: heeft verweerder aan klaagster laten weten dat een schatting niet mogelijk is omdat het een complexe zaak is met veel onzekerheden wat partijen en de rechter zullen doen. De door klaagster voorgestelde optie om aanspraak te maken op de boete na ontbinding van de overeenkomst heeft verweerder afgeraden en daarbij gemeld dat hij daarvoor geen opdracht heeft gekregen.
- om 19:12 uur: heeft klaagster in haar e-mail aan verweerder, in CC aan de makelaar, aan verweerder de opdracht gegeven een bodemprocedure tot nakoming van de koopovereenkomst te starten.
2.18 Op 7 maart 2023:
- om 11:37 uur: heeft verweerder in zijn e-mail aan de Amerikaanse advocaat, klaagster, notaris mr. B en de makelaar de Amerikaanse advocaat bedankt voor zijn uitleg en snelle toezending gevraagd van ‘the original trust and all information concerning [het perceel] in relation to [klaagster]’;
- om 20:46 uur: heeft klaagster in haar e-mail aan verweerder de opdracht om een bodemprocedure te beginnen opgeschort in afwachting van een alternatieve oplossing voor de inschrijving in het kadaster en verweerder gevraagd geen declaraties meer te sturen totdat klaagster daarmee akkoord gaat.
2.19 Op 8 maart 2023 heeft verweerder aan klaagster, ook doorgestuurd aan notaris mr. B, via e-mail bericht:
Om u een update te geven, ben ik conform uw e-mail van 6 maart 2023 begonnen met het voorbereiden van de concept-inleidende dagvaarding in de bodemprocedure. Op uw verzoek zal ik dit nu onderbreken.
Inhoudelijk heb ik op dit moment geen bijzondere vragen. Deze zijn bekend en geven mijns inziens een goed inzicht in de gebeurtenissen en over de mogelijke civielrechtelijke gevolgen die u tegen uw kopers wil inroepen. Ik was bezig om dit in de dagvaarding te verwoorden. Het nu spelende punt is de registratie van [het perceel] die u heeft verkocht op 14, 15 april 2022 als eigenaar. Daar zijn enige technische vragen over gerezen die hebben te maken met de afwikkeling van de living trust en de erfenis naar Californisch recht en hoe dat moet worden vertaald naar Nederlands recht. Op dat antwoord wacht ik. Omdat elke beslissing gevolgen heeft en omdat uitstel voor u risico’s inhoudt, die ik niet kan overzien, adviseer ik u om met spoed mij een instructie te geven hoe nu verder.
2.20 Op 13 maart 2023 heeft verweerder bij de makelaar, met klaagster en notaris mr. B in CC, gevraagd naar de stand van zaken.
2.21 In zijn e-mail van 27 maart 2023 heeft verweerder aan klaagster, notaris mr. B en de makelaar, geschreven dat hij zijn opdracht neerlegt omdat hij niets meer van klaagster heeft gehoord na haar e-mail van 7 maart 2023. Hij heeft verder vermeld dat klaagster over al zijn stukken beschikt.
2.21 Klaagster heeft zich tot haar gemachtigde in deze zaak gewend als haar opvolgend advocaat. Door zijn tussenkomst heeft op 7 november 2023 een zogenaamde Probate Division in de Verenigde Staten vastgesteld dat klaagster trustee is. Op 22 november 2023 heeft een notaris een verklaring van erfrecht opgesteld, die op 24 november 2023 in het kadaster werd ingeschreven.
2.22 De opvolgend advocaat van klaagster heeft zich op 12 januari 2024 bij verweerder bekend gemaakt als opvolgend advocaat van klaagster en heeft gevraagd om toezending van het dossier. Op 13 januari 2024 heeft verweerder aan de gemachtigde van klaagster, in cc aan klaagster en de makelaar, geschreven dat hij sinds 27 maart 2023 de zaak van klaagster niet meer behandelt en klaagster en de makelaar over alle stukken tot en met 26 februari 2023 beschikken. Verder heeft verweerder toestemming tot overname van de zaak geweigerd totdat klaagster zijn werkzaamheden in maart 2023 tot 27 maart 2023 heeft betaald. Pas na betaling daarvan zal verweerder de halve concept-dagvaarding aan klaagster sturen, zo liet verweerder weten.
2.23 Op 17 januari 2024 heeft de advocaat een herinnering tot dossieroverdracht aan verweerder gestuurd. Daarop heeft verweerder gemotiveerd een reactie en stukken gestuurd.
3 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) excessief te declareren en ten onrechte BTW in rekening te brengen en daarmee in strijd te handelen met de gedragsregels 16 lid 3 en 17 lid 2;
b) na te laten een vordering in rechte in te stellen;
c) overleg met haar Amerikaanse advocaat te weigeren;
d) niet mee te werken aan een zorgvuldige overdracht van het dossier aan de opvolgend advocaat.
4 VERWEER
De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 In gedragsregel 16 is beschreven dat een advocaat gehouden is om zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil moet de advocaat die belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. Daaronder valt ook de verplichting van een advocaat om de verleende opdracht en de in dat kader gemaakte (financiële) afspraken te bevestigen (zo ook gedragsregel 17).
5.3 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.4 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a): financiële aangelegenheden
Toelichting klaagster
5.5 Volgens klaagster heeft verweerder in een periode van slechts 2,5 maand, tot aan de overname van de zaak door de huidige advocaat van klaagster, € 29.290,- inclusief BTW aan klaagster in rekening gebracht. Bij de aan klaagster gezonden declaraties ontbraken (i) de vereiste urenspecificaties en (ii) verweerder heeft in zijn declaraties ten onrechte BTW in rekening gebracht. Omdat klaagster een particulier is en woonachtig is in de Verenigde Staten, het een Nederlandse aangelegenheid betrof en de werkzaamheden zagen op een vordering in rechte, was klaagster geen BTW verschuldigd zoals volgt uit de brief van de Belastingdienst van 25 oktober 2024.
5.6 Volgens klaagster heeft verweerder (iii) een buitensporig hoog bedrag in rekening gebracht. Het dossier zat nog in een startfase. Onduidelijk is welke werkzaamheden verweerder heeft verricht. De opdrachtbevestiging was vaag. Door verweerder zijn geen concrete stappen richting de kopers gezet en enig resultaat is niet bereikt. Het doel van de bijstand, nakoming van de overeenkomst door de wederpartij, conform de sommatie, is buiten beeld gebleven. Verweerder heeft enorm veel e-mails in rekening gebracht die voor klaagster onbegrijpelijk en onsamenhangend waren en die niet bijdroegen aan de beoogde rechtsbijstand. Verweerder heeft de kwestie nodeloos gecompliceerd aan klaagster voorgesteld;
Verweer verweerder
5.7 (i) Verweerder stelt dat hij standaard zijn declaraties inclusief BTW aan klaagster en in CC aan de makelaar heeft gestuurd. Tijdens de zitting van de raad heeft hij toegelicht dat er haast geboden was in de zaak waardoor hij uit tijdsgebrek - hij werkt niet met een digitaal tijdschrijfsysteem - heeft volstaan met een korte omschrijving van zijn werkzaamheden op de declaraties. Van zijn aanbod om de urenspecificaties op eerste verzoek te verstrekken, heeft klaagster toen geen gebruik gemaakt. Dat was volgens verweerder ook niet nodig, omdat klaagster exact op de hoogte was van al zijn werkzaamheden en correspondentie met de makelaar en haar Amerikaanse advocaat.
5.8 (ii) Verweerder heeft klaagster en de makelaar vanaf het begin mondeling en schriftelijk na daarover verkregen fiscaal advies duidelijk gemaakt dat hij over zijn werkzaamheden ook 21% BTW aan klaagster in rekening zou brengen en anders niet aan de slag zou gaan. Klaagster heeft daarmee ingestemd en zijn declaraties inclusief BTW zonder protest betaald. Dat klaagster geen BTW was verschuldigd, heeft zij ook niet aangetoond met de in de procedure overgelegde brief van de Belastingdienst. De bewuste brief geeft daarover geen eenduidig uitsluitsel.
5.9 (iii) Verweerder betwist dat hij excessief heeft gedeclareerd. De door hem gedane werkzaamheden waren nodig. Het was door verweerders oplettendheid dat klaagster de kopers kon tegenwerpen dat zij zich niet konden beroepen op de ontbindende voorwaarde dat de gemeente hen geen omgevingsvergunning had verleend doordat verweerder hierover contact had opgenomen met de gemeente. Ook de makelaar had dit over het hoofd gezien. De kopers hebben gemotiveerd hun argumenten voor ontbinding van de koopovereenkomst gegeven. Het probleem rond de beschikkingsbevoegdheid van klaagster voor een te starten procedure is daarna door verweerder gesignaleerd. Ook heeft hij de grondslag van een procedure tegen kopers verdedigd. Dat zijn werk ook nodig was, blijkt ook uit het gegeven dat klaagster zijn advies ter zake de beschikkingsonbevoegdheid heeft gevolgd, waarna andere adviseurs tot dezelfde conclusie kwamen. Door zijn inzet is in Californië bij de rechterlijke macht een basis gelegd om het probleem over de beschikkingsonbevoegdheid van klaagster op te lossen. Door de adviezen van verweerder die klaagster heeft opgevolgd, heeft haar huidige advocaat met succes voortgebouwd op het werk en zijn adviezen, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder nog aangevuld dat de opdracht van klaagster inhield dat hij meteen veel uren moest maken en dat hij met volle inzet dat heeft gedaan.
5.10 Verweerder concludeert dat klaagster geen recht heeft op terugbetaling. Als klaagster van mening is dat verweerder zijn werk niet goed heeft gedaan, dan zal zij daarvoor naar de civiele rechter moeten gaan.
Beoordeling raad
Ten aanzien van subverwijt (i)
5.11 Het vierde lid van gedragsregel 17 luidt: ‘De advocaat richt zijn declaratie aldus in, dat de cliënt eenvoudig kan vaststellen hoeveel wordt gerekend voor honorarium, verschotten en omzetbelasting en in hoeverre voorschotten worden verrekend. De advocaat declareert zijn honorarium in beginsel periodiek en deugdelijk gespecificeerd onder opgave van tarief en tijdsbesteding of een andere overeengekomen grondslag’.
5.12 Naar het oordeel van de raad hebben de declaraties, zoals overgelegd, van verweerder aan deze vereisten voldaan. Weliswaar ontbraken aanvankelijk bij de declaraties van verweerder uitgebreide urenspecificaties, volstaan werd eerst met een algemene beschrijving van de werkzaamheden, maar verweerder heeft in zijn stukken en tijdens de zitting een duidelijke uitleg gegeven van zijn werkwijze en de urenspecificaties later alsnog aan klaagster verstrekt. Gelet hierop kan verweerder van het verwijt dat de vereiste urenspecificaties ontbraken tuchtrechtelijk geen verwijt worden gemaakt.
Ten aanzien van subverwijt (ii)
5.13 Uit de e-mail van 13 januari 2023 tussen verweerder en de makelaar en klaagster, opgenomen onder de feiten hiervoor (punt 2.7 en verder), volgt dat het in rekening brengen door verweerder van BTW aan klaagster vóór aanvaarding van de opdracht tussen hen onderwerp van gesprek was. Verweerder heeft in zijn e-mails van 00:40 uur en 13:15 uur op die dag aan klaagster en de makelaar uitgebreid toegelicht dat en waarom hij ook aan klaagster 21% BTW in rekening moest brengen. Klaagster heeft hiermee op 16 januari 2023 via e-mail ingestemd en ook toegezegd de op 13 januari 2023 voor een bedrag van € 9.075,- inclusief 21% BTW ontvangen declaratie te zullen betalen. Dat heeft klaagster ook gedaan. Verweerder kan, gelet op de daarover gemaakte afspraken met klaagster, van het in rekening brengen van omzetbelasting tuchtrechtelijk geen verwijt worden gemaakt. Voor zover klaagster van mening is dat zij de omzetbelasting onverschuldigd aan verweerder heeft betaald, zal zij dat zelf met de Belastingdienst moeten regelen en kunnen terugvorderen. Daarvoor is de tuchtprocedure niet bedoeld.
Ten aanzien van subverwijt (iii)
5.14 Ter zake de hoogte van de declaraties beperkt de tuchtrechter zich tot een marginale toets, in die zin dat niet beoordeeld wordt of de declaratie juist is, maar of er sprake is van excessief declareren. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt kan worden.
5.15 Gelet op de door verweerder verrichte inspanningen, de onbetwist door hem aan de zaak bestede tijd, de aan hem verstrekte opdracht en de uitvoering daarvan in overleg met klaagster, de makelaar en de Amerikaanse advocaat en de notaris, is de raad van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat verweerder excessief heeft gedeclareerd in die zin dat een gelet op alle omstandigheden onredelijk - door klaagster aanvaarde - honorarium aan klaagster in rekening is gebracht.
5.16 Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld zodat klachtonderdeel a) ongegrond wordt verklaard.
Klachtonderdeel b); geen vordering in rechte instellen
Toelichting klaagster
5.17 Volgens klaagster had verweerder na de afwijzende reactie op 13 januari 2023 moeten begrijpen dat toen een vordering in rechte nodig was. Verweerder heeft toen geen dagvaarding uitgebracht, maar in plaats daarvan een complicatie opgeworpen. De eigendom van het bewuste perceel stond volgens de registratie in het kadaster op naam van de overleden moeder van klaagster. Als zogeheten sole trustee had zij de volledige en uitsluitende zeggenschap over de trust en was volledig beschikkingsbevoegd. Ondanks haar uitleg aan verweerder is hij niet meteen na 13 januari 2023 een procedure tegen de kopers gestart. De vererving in 2009 was weliswaar nog niet geregistreerd bij het Kadaster, maar klaagster was door rechtsopvolging middellijk eigenaar. Deze situatie had echter geen beletsel hoeven zijn om de kopers in rechte aan te spreken, aldus klaagster.
5.18 Veelzeggend volgens klaagster is dat de door verweerder veronderstelde complicatie niet op enig moment onderdeel van het (proces-)debat is geweest. De huidige advocaat heeft de kopers gedagvaard en er is geen enkel verweer over de beschikkingsbevoegd gevoerd. De omissie in de inschrijving bij het kadaster is als eenvoudige formaliteit met een enkel schrijven door de notaris rechtgezet.
Verweer verweerder
5.19 Op 9 januari 2023 heeft verweerder het dossier van de makelaar ontvangen. Hij heeft daarin ontdekt dat klaagster volgens de inschrijving van het perceel in het Kadaster niet beschikkingsbevoegd was, terwijl in de overeenkomst stond vermeld dat klaagster eigenaar was. Dat had op het moment van levering voor ernstige problemen kunnen zorgen en al helemaal in een procedure tussen verkoper en kopers over een ontbindingsgeschil. Dat geschil ontstond op 31 december 2022, toen kopers zich beriepen op ontbinding van de koopovereenkomst.
5.20 In zijn e-mail van 13 januari 2023 heeft hij klaagster geadviseerd om deze beschikkingsonbevoegdheid op te doen heffen door een beschikking van de rechterlijke macht in Californië, waardoor vaststaat dat zij beschikkingsbevoegd is. Verweerder wijst ook op zijn e-mail van 13 december 2022 waarin hij ook al aan klaagster duidelijk had gemaakt dat klaagster de beschikkingsbevoegdheid van het perceel zou moeten aantonen. Klaagster wist dus dat het opstellen en uitbrengen van een betrouwbare dagvaarding afhankelijk was van een objectief bewijs van haar beschikkingsbevoegdheid. Met deze kennis heeft klaagster op 16 januari 2023 de opdracht aan verweerder bevestigd.
5.21 Verweerder heeft in januari en februari 2023 de nodige adviezen aan klaagster, de makelaar en de Amerikaanse advocaat gegeven om dat bewijs te verkrijgen. De enkele mededeling van haar Amerikaanse advocaat dat klaagster beschikkingsbevoegd was volstond niet. Op 2 en 3 maart 2023 heeft verweerder aan klaagster, haar Amerikaanse advocaat, de makelaar en de notaris advies uitgebracht over de te starten procedure. Op 6 maart 2023 heeft klaagster hem laten weten te willen procederen, waarop hij haar heeft laten weten dat hij het bewijs van haar beschikkingsbevoegdheid nodig had. Op 7 maart 2023 heeft klaagster haar opdracht eenzijdig opgeschort waarin zij op zoek ging naar andere opties. Op 27 maart 2023 heeft hij zijn opdracht neergelegd.
5.22 De uiteindelijk door klaagster gevolgde optie bleek meer dan acht maanden later, op 22 november 2023, te zijn wat verweerder heeft geadviseerd, namelijk een authentieke ondersteuning door de Californische rechterlijke macht van 7 november 2023, door middel van het geven van een rechterlijk beslissing dat klaagster bevoegd is om zaken van de trust aan derden te verkopen, gevolgd door het opstellen van de Nederlandse verklaring van erfrecht door een notaris op 22 november 2023. Die verklaring van erfrecht is op 24 november 2023 in het Kadaster ingeschreven.
Beoordeling raad
5.23 Uit de stukken is de raad gebleken dat klaagster aan verweerder de opdracht heeft gegeven om te procederen tegen de kopers van het perceel. Verweerder heeft klaagster in zijn e-mails voor de opdrachtverstrekking, van 13 december 2022 en 13 januari 2023, erop gewezen dat haar beschikkingsbevoegdheid om het perceel te mogen verkopen en leveren onderzocht moest worden. Klaagster heeft op 13 januari 2023 hiermee ingestemd. De raad is uit de stukken verder gebleken dat verweerder de vraag naar de beschikkingsbevoegdheid met hulp van de verschillende adviseurs van klaagster is gaan uitzoeken en dat dit de nodige tijd heeft gekost. Toen verweerder volgens zijn e-mails van begin maart 2023 een procedure voor klaagster wilde starten en naar zijn zeggen bezig was met het maken van een concept-dagvaarding, heeft klaagster haar opdracht aan verweerder kort daarna, op 7 maart 2023, zonder vooraankondiging opgeschort. Omdat verweerder niets meer van klaagster had vernomen, heeft hij op 27 maart 2023 de opdracht neergelegd.
5.24 Naar het oordeel van de raad kan het verweerder onder de hiervoor geschetste omstandigheden tuchtrechtelijk niet worden verweten dat hij na 13 januari 2023 niet meteen de procedure voor klaagster is gestart maar eerst onderzoek heeft gedaan naar de beschikkingsbevoegdheid van klaagster. Zo heeft verweerder de casus inhoudelijk beoordeeld. f verweerder het juridisch bezien zo had moeten doen zoals hij heeft gedaan, daar gaat de tuchtrechter niet over. Het oordeel daarover was voorbehouden geweest aan de civiele rechter als meteen door verweerder een procedure was gestart. Zover is het voor verweerder niet meer gekomen. Dat de beschikkingsbevoegdheid vervolgens niet aan de orde is gekomen in de door de opvolgend advocaat van klaagster gestarte procedure tegen de kopers, staat los van de inschatting die verweerder met instemming van klaagster kon en mocht maken over de gevolgen van de mogelijke beschikkingsonbevoegdheid van klaagster.
5.25 Nu verweerder aldus van zijn handelen tuchtrechtelijk geen verwijt treft, wordt klachtonderdeel b) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c); weigering overleg met Amerikaanse advocaat
Toelichting klaagster
5.26 Haar Amerikaanse advocaat wilde bevestigen en toelichten aan verweerder dat klaagster de volledige zeggenschap had binnen de trust, alsook dat zij door erfopvolging de middellijke eigendomsrechten van het perceel had. Verweerder is het contact met de Amerikaans advocaat van klaagster uit de weg gegaan. Hij was niet bereid om zich te laten voorlichten en bleef zich hardnekkig op de door hem veronderstelde complicatie beroepen en onderhield zich daarover met klaagster in lange onbegrijpelijke en onsamenhangende berichten.
5.27 De door de Amerikaans advocaat gegeven informatie en uitleg zijn ook niet gebruikt door verweerder. Verweerder en de notaris zijn onnodig blijven discussiëren over het feit of het perceel geregistreerd moest worden op naam van de Amerikaanse trust of op naam van klaagster. Dit terwijl bewijzen door klaagster zijn aangeleverd dat zij altijd volledige zeggenschap heeft gehad en het perceel heeft geërfd. Verweerder had klaagster moeten adviseren in de Verenigde Staten naar de rechter te gaan om recente bewijzen van haar zeggenschap op te vragen en haar eerlijk moeten zeggen dat hij haar niet kon helpen.
5.28 De opvolgend advocaat van klaagster heeft op basis van één gesprek met klaagster en de Amerikaanse advocaat een notaris gevonden die alles snel geregeld heeft. Die advocaat vertelde haar precies welke documentatie zij uit de Verenigde Staten nodig had. Hierdoor heeft zij wel haar Amerikaanse advocaat twee keer moeten betalen voor zijn betrokkenheid.
Verweer verweerder
5.29 Notaris mr B kon vanwege de onduidelijkheid over de beschikkingsbevoegdheid van klaagster niet overgaan tot het opstellen van een verklaring van erfrecht dat klaagster een trust eigenaar van het perceel was. Volgens verweerder heeft hij veelvuldig daarover met de Amerikaanse advocaat gecorrespondeerd. Die gaf onjuiste en tegenstrijdige informatie waar de notaris niets mee kon. De Amerikaanse advocaat wilde een simpele oplossing, die binnen de Nederlandse wet niet bleek te bestaan. Op 25 februari 2023 heeft hij de Amerikaanse advocaat duidelijk ingelicht over de gang van zaken in Nederland, maar de Amerikaanse advocaat bleef zijn eigen koers volgen. Op 27 februari 2023 heeft de Amerikaanse advocaat aan de notaris een juridisch advies aangeboden, maar dat niet gegeven. Op verzoek van klaagster, of hij niet met haar advocaat in Amerika kon bellen om namens de notaris te spreken, heeft hij gemeld dat hij geen notaris is en niet over diens kennis beschikt. De Amerikaanse advocaat liet klaagster weten dat hij het Nederlands recht niet begreep en het met de notaris niet eens was en adviezen van zowel de notaris als verweerder niet wilde opvolgen. Een telefoongesprek had volgens verweerder dan ook geen zin. Ook de notaris zag daar geen heil in. Om deze impasse te doorbreken heeft hij klaagster geadviseerd om onder meer in Californië de rechterlijke macht in te schakelen. Dat is daarna in gang gezet en heeft volgens verweerder uiteindelijk tot de vereiste documenten en juiste registratie van de eigendom over het perceel in het Kadaster geleid.
Beoordeling raad
5.30 De juistheid van het verwijt van klaagster, dat verweerder weigerde om overleg met haar Amerikaanse advocaat te hebben, is tegenover de met stukken onderbouwde betwisting door verweerder niet vast te stellen en daarmee ook niet de gegrondheid van dit verwijt. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat verweerder en de notaris aan de ene kant en de Amerikaanse advocaat van klaagster aan de andere kant een andere insteek hadden op basis van hun deskundigheid en daardoor in een impasse zaten. Dat verweerder overleg met de Amerikaanse advocaat uit de weg zou zijn gegaan, is ook niet concreet met feiten door klaagster onderbouwd. Het stond verweerder vrij om geen telefonisch contact met de Amerikaanse advocaat te hebben als hij daarin geen nut zag, omdat dit ook kostenbesparend voor klaagster was.
5.31 Van dit optreden van verweerder kan hem tuchtrechtelijk geen verwijt worden gemaakt. De raad zal ook klachtonderdeel c) ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel d); zorgvuldige overdracht van het dossier aan de opvolgend advocaat
Toelichting klaagster
5.32 De huidige advocaat van klaagster heeft verweerder op 12 januari 2024 gevraagd om overdracht van het dossier. Verweerder weigerde dit aanvankelijk. Hij beriep zich op zijn retentierecht omdat klaagster nog voor werkzaamheden aan de conceptdagvaarding moest betalen die hij nog niet aan haar in rekening had gebracht. Deze dagvaarding heeft klaagster nooit ontvangen. Verweerder is vervolgens nogmaals verzocht het dossier over te dragen. Twee weken later ontving haar advocaat in de nachtelijke uren 130 e-mails met talloze bijlagen van verweerder zonder enige ordening of toelichting.
Verweer verweerder
5.33 Verweerder heeft zich eerst op het retentierecht beroepen, hij had nog werkzaamheden voor klaagster gedaan waarvoor nog niet was betaald, maar heeft daarvan vervolgens afgezien.
5.34 De opvolgend advocaat vroeg om relevante stukken zonder duiding terwijl op dat moment bij verweerder geen dossier van klaagster in behandeling was. Ook was niet duidelijk geworden wat de stand van zaken was. Klaagster beschikte zelf over alle stukken die tussen klaagster en de kopers zijn gewisseld vanuit het dossier van de makelaar. Ook had klaagster de beschikking over alle door verweerder met klaagster en andere adviseurs gevoerde correspondentie. Om de opvolgend advocaat ter wille te zijn, heeft verweerder nog correspondentie in stukken gestuurd en voldaan aan zijn verplichting tot dossieroverdracht, aldus verweerder.
Beoordeling van de raad
5.35 Indien een (voormalig) cliënt aan een advocaat om afgifte van een afschrift van een dossier vraagt is die advocaat in beginsel gehouden een afschrift van het dossier aan die cliënt te verstrekken. Van verweerder mocht dan ook verwacht mogen worden dat hij op verzoek van (de advocaat van) klaagster een afschrift van het volledige dossier aan klaagster of opvolgend advocaat zou toezenden
5.36 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder ten aanzien van de dossieroverdracht gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Verweerder heeft zijn aanvankelijke beroep op zijn retentierecht na korte tijd laten varen en op tweede verzoek aan de opvolgend advocaat van klaagster het dossier verstrekt. De enkele omstandigheid dat deze overdracht van het dossier op onoverzichtelijke en ongestructureerde wijze is gebeurd - het had verweerder gesierd indien hij dat netter had aangeleverd - maakt nog niet dat verweerder daarom tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.37 De raad zal dan ook klachtonderdeel d) ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. Y.M. Nijhuis en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 februari 2026