ECLI:NL:TADRARL:2026:30 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-361/AL/OV
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:30 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-02-2026 |
| Datum publicatie: | 03-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-361/AL/OV |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Niet valt in te zien dat het al dan niet klachtwaardig handelen van verweerder afhankelijk zou zijn van het inhoudelijk oordeel van de rechter in hoger beroep in de onderliggende gerechtelijke procedure over een al dan niet terecht gelegd beslag of de aansprakelijkstelling van klager in zijn rol als bestuurder. Kennelijk wilde klager de uitkomst van die procedure afwachten om zijn klacht wat extra gewicht mee te kunnen geven indien de uitspraak een bepaalde kant op zou gaan. Verder is de driejaarstermijn uit artikel 46g van de Advocatenwet is een harde termijn. Enkel voor die gevallen als genoemd in het betreffende wetsartikel kan sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding. De overweging om de klachtprocedure te starten op een voor klager geschikt moment vanwege efficiency overwegingen levert geen verschoonbare termijnoverschrijding op. Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 2 februari 2026
in de zaak 25-361/AL/OV
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 4 augustus 2025 op de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. J.W. Bollen
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 13 september 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 2 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2374814 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 4 augustus 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Op 27 augustus 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 12 december 2025 . Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Klager werd bijgestaan door de hiervoor genoemde gemachtigde.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift .
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in.
2.2 Naar de mening van klager heeft de voorzitter in zijn beslissing een te beperkt toetsingskader aangelegd voor de beoordeling van de vraag of er van een verschoonbare overschrijding van de driejaarstermijn sprake is. In de onderhavige zaak zijn de navolgende bijzondere omstandigheden van belang:
I) Afhankelijkheid van de uitspraak. Indien het resultaat van de gerechtelijke procedure essentieel is voor beoordeling van de klacht tegen de advocaat, kan dit een reden zijn om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen. Het kan relevant zijn om eerst zekerheid te hebben over juridische beslissingen voordat specifieke gedragingen van de advocaat beoordeeld kunnen worden.
II) Rechtszekerheid en efficiëntie. Het kan efficiënter zijn om de uitkomst van een gerechtelijke procedure af te wachten, zodat alle aspecten en gevolgen duidelijk zijn, alvorens een klachtprocedure te starten.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
2.4 Namens klager is het verzet op de mondelinge behandeling toegelicht aan de hand van ter zitting overgelegde spreekaantekeningen. Verweerder heeft ter zitting verweer gevoerd aan de hand van eveneens ter zitting overgelegde spreeknotities.
3 feiten en klacht
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De voorzitter heeft de klacht getoetst aan artikel 46g van de Advocatenwet, dit omdat de klacht buiten de termijn van drie jaar in genoemd wetsartikel is ingediend. Dat is naar het oordeel van de raad de juiste toetsingsnorm. De vraag die in dit verzet voorligt is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is en in dat kader heeft klager de hiervoor onder I en II vermelde gronden aangevoerd. Dat sprake is van overschrijding van de driejaarstermijn staat daarmee vast.
4.3 In de eerste verzetsgrond stelt klager dat het afwachten van de uitkomst van de lopende hoger beroepsprocedure tegen zijn aansprakelijkstelling als bestuurder in het faillissement van Emotech van wezenlijk belang was om zodoende te kunnen beoordelen of het gedrag en de handelingen van verweerder in zijn rol als curator in het faillissement van Emotech jegens klager en zijn collega klachtwaardig was.
4.4 Deze verzetsgrond slaagt niet. Niet valt in te zien dat het al dan niet klachtwaardig handelen van verweerder afhankelijk zou zijn van het inhoudelijk oordeel van de rechter in hoger beroep in de onderliggende gerechtelijke procedure over een al dan niet terecht gelegd beslag of de aansprakelijkstelling van klager in zijn rol als bestuurder. Kennelijk wilde klager de uitkomst van die procedure afwachten om zijn klacht wat extra gewicht mee te kunnen geven indien de uitspraak een bepaalde kant op zou gaan. In zijn verzetschrift stelt klager ‘Immers zou het hof in hoger beroep mijn aansprakelijkheid hebben vastgesteld, dan was er onvoldoende grond voor het indienen van een klacht’. Dat duidt op een onjuiste voorstelling van het klachtrecht. Daarbij wijst de raad ook op de verklaring van klager op de mondelinge behandeling waarbij hij verklaarde dat hij ongeacht de uitkomst van de hoger beroepsprocedure waarschijnlijk toch wel een klacht zou hebben ingediend, waarmee klager aangeeft dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet noodzakelijk was voor het onderbouwen van zijn klacht over verweerder.
4.5 Ook de tweede verzetsgrond slaagt niet. De driejaarstermijn is een harde termijn. Enkel voor die gevallen als genoemd in het betreffende wetsartikel kan sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding. De overweging om de klachtprocedure te starten op een voor klager geschikt moment vanwege efficiency overwegingen levert geen verschoonbare termijnoverschrijding op.
4.6 De raad is al met al van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetsgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.7 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen , voorzitter, mr. S.M. Bosch-Koopmans, mr. M.H. Pluymen, mr. S.H.G. Swennen en mr. S.J. de Vries, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 februari 2026