ECLI:NL:TADRARL:2026:29 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-340/AL/NN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:29
Datum uitspraak: 02-02-2026
Datum publicatie: 03-02-2026
Zaaknummer(s): 25-340/AL/NN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Dreigementen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: De raad is van oordeel dat de voorzitter in de voorzittersbeslissing de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Verder heeft de voorzitter naar het oordeel van de raad rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Dat de voorzitter bij de weging daarvan tot een ander oordeel is gekomen dan klager zou wensen maakt dat niet anders. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Het verzetschrift laat zich voor het overige lezen als een herhaling van de klacht en een betoog dat de voorzitter tot een ander oordeel had moeten komen. Het standpunt van klager dat relevante jurisprudentie daarbij is genegeerd is daarbij te weinig onderbouwd. Verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 2 februari 2026

in de zaak 25-340/AL/NN

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 14 juli 2025 op de klacht van:

klager

over

verweerster

gemachtigde: mr. N.A.M.E. Fanoy

1 Verloop van de procedure

1.1 Op 24 augustus 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 21 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN099/2366745 van de deken ontvangen.

1.3 Bij beslissing van 14 juli 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.  Op 23 juli 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 12 december 2025 . Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Verweerster werd bijgestaan door de hiervoor genoemde gemachtigde.  

1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift met bijlage .

2 VERZET

2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:

I) Een onjuiste toepassing van juridische maatstaven. De voorzitter heeft ten onrechte een te restrictieve interpretatie gehanteerd van de tuchtrechtelijke normen.

II) Negeren van relevante jurisprudentie. Belangrijke precedenten zoals ECLI:NL:TADRAMS:2024:67 en ECLI:NL:TADRSHE:2023:2 zijn niet betrokken bij de beoordeling.

III) Onderschatting van de ernst van het gedrag. Het systematische karakter van de gedragingen van [verweerster] over een periode van meer dan zeven jaren is onvoldoende onderkend.

IV) Onvoldoende aandacht voor kernwaarden. De schending van de kernwaarden uit artikel 10a Advocatenwet is onvoldoende gewogen.

2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.

2.3 Op de mondelinge behandeling heeft klager het verzet toegelicht. Namens verweerster is daar verweer gevoerd aan de hand van ter zitting overgelegde spreekaantekeningen.

3 feiten en klacht

Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. Op de mondelinge behandeling heeft klager zijn klacht met een nieuw klachtonderdeel willen uitbreiden. Dit is te laat en dus niet meer mogelijk. Klager is daar ter zitting al op gewezen.

4 BEOORDELING

4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2 De voorzitter heeft de navolgende maatstaf gehanteerd: Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.   

4.3 De raad is van oordeel dat de voorzitter daarmee de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Verder heeft de voorzitter naar het oordeel van de raad rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Dat de voorzitter bij de weging daarvan tot een ander oordeel is gekomen dan klager zou wensen maakt dat niet anders. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Het verzetschrift laat zich voor het overige lezen als een herhaling van de klacht en een betoog dat de voorzitter tot een ander oordeel had moeten komen. Het standpunt van klager dat relevante jurisprudentie daarbij is genegeerd is daarbij te weinig onderbouwd. De door klager aangevoerde verzetsgronden slagen dus niet. Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter en de daarin genoemde jurisprudentie ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. M. Jansen , voorzitter, mr. S.M. Bosch-Koopmans, mr. M.H. Pluymen, mr. S.H.G. Swennen en mr. S.J. de Vries, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.

Griffier                                                                              Voorzitter

Verzonden op: 2 februari 2026