ECLI:NL:TADRARL:2026:28 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 24-828/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-02-2026 |
| Datum publicatie: | 02-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 24-828/AL/NN |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarop al eerder is beslist |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | De voorzitter heeft in de voorzittersbeslissing ook beslist op het door klager aangedragen punt, zij het niet zo uitvoerig als klager kennelijk had gewild. Klager kan dit in de onderhavige klacht, op grond van het ne bis in idem-beginsel, dan ook niet nogmaals onderdeel van de klacht laten zijn. Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 2 februari 2026
in de zaak 24-828/AL/NN
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 13 januari 2025 op de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 juli 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 13 november 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN085 / 2357864 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 13 januari 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Op 29 januari 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 12 december 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift met bijlages. De raad heeft ook kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 25 november 2025.
2 FEITEN EN KLACHT
2.1 Klager heeft eerder een klacht ingediend tegen verweerder. Die klacht is door de raad behandeld onder zaaknummer 23-039/AL/NN en in een beslissing van 25 september 2023 is die klacht ongegrond verklaard. Klager heeft van die beslissing hoger beroep ingesteld bij het Hof van Discipline. Op 12 juli 2024 heeft het Hof de beslissing van de raad bekrachtigd.
2.2 De klacht van 14 juli 2024 houdt onder meer in dat verweerder in zijn verweerschrift in de onderliggende procedure die is gevoerd bij de rechtbank Noord-Nederland een verklaring heeft gegeven, terwijl hij wist dat die verklaring onjuist was en daarnaast heeft verweerder volgens klager twee tegenstrijdige verklaringen gegeven over hetzelfde onderwerp die onmogelijk beide waar kunnen zijn. Verder heeft verweerder zich volgens klager onnodig grievend uitgelaten.
2.3 De voorzitter heeft in de beslissing van 13 januari 2025 geoordeeld dat de in die procedure onderhavige klacht in de kern dezelfde is als de klacht waarop de raad in de beslissing van 25 september 2023 al een beslissing heeft gegeven. Verder heeft de voorzitter overwogen dat op grond van het ‘ne bis in idem-beginsel’ niet voor een tweede maal kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter al geoordeeld heeft. Dat beginsel verzet zich daarnaast ertegen dat een advocaat, nadat is geoordeeld over een klacht die een bepaald feitencomplex betreft, wordt geconfronteerd met een andere klacht van dezelfde klager die zijn grondslag vindt in datzelfde feitencomplex. De onderhavige klacht van klager ziet volgens de voorzitter op datzelfde feitencomplex als de klacht waarover de raad in de eerdere beslissing al heeft geoordeeld.
3 VERZET
3.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat er nooit is geoordeeld over het handelen van verweerder. Meer in het bijzonder: dat er door verweerder tegenstrijdige verklaringen zijn overgelegd en daar nooit inhoudelijk op is ingegaan en verweerder daar ook niet over is bevraagd. Daarom ook is volgens klager het ‘ne bis in idem-beginsel’ onjuist toegepast door de voorzitter.
3.2 Op de mondelinge behandeling van het verzet heeft klager zijn verzetsgronden nader toegelicht aan de hand van aldaar overgelegde spreekaantekeningen.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De voorzitter heeft de klacht beoordeeld aan de hand van het ne bis in idem-beginsel. Dat beginsel houdt kort gezegd in dat, zoals hiervoor al is vermeld, niet voor een tweede maal kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter al geoordeeld heeft. Volgens klager is dat hier niet aan de orde. Er wordt volgens klager niet voor een tweede maal geklaagd over de gedraging van verweerder, simpelweg omdat er over de gedraging waar het nu over gaat niet eerder is geoordeeld.
4.3 De raad volgt klager niet in zijn redenering en legt dat hierna uit. Voorop staat in deze zaak dat verweerder de advocaat van de wederpartij was in de civiele zaak waarop de klacht betrekking heeft. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.4 In de beslissing van de raad van 25 september 2023 is geoordeeld dat verweerder zich niet onnodig grievend heeft uitgelaten. Voor zover de huidige klacht ziet op onnodig grievende uitlatingen komt de raad de beslissing van de voorzitter dat sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel dan ook als juist voor en is ook het juiste criterium gebruikt.
4.5 Het punt van het bewust verschaffen van onjuiste informatie, meer in het bijzonder de volgens klager tegenstrijdige verklaringen, is door klager in zijn stukken in de verschillende procedures bij de raad en het hof aan de orde gesteld en zelfs op de zitting bij de raad van 9 juni 2023 heeft hij dit volgens zijn nu overgelegde spreekaantekeningen nog benoemd. Daarmee is dat punt onderdeel van de zaak geworden, ook in de klacht van 14 juli 2024. Dat hier vervolgens geen (uitgebreide) overweging aan is gewijd, maakt niet dat er niet op is beslist. In de beslissing van 25 september 2023 is in de klachtomschrijving vermeld: ‘De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijke verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door in zijn verweerschrift in de (zorg)klachtprocedure onjuistheden te vermelden (…)’. In de beoordeling is vervolgens de hiervoor onder 4.3 vermelde maatstaf opgenomen en uiteindelijk is geoordeeld dat verweerder de grens van het tuchtrechtelijk verwijtbare niet heeft overschreden. Daarmee is dus ook beslist op dit door klager aangedragen punt, zij het niet zo uitvoerig als klager kennelijk had gewild. Klager kan dit in de onderhavige klacht, op grond van het ne bis in idem-beginsel, dan ook niet nogmaals onderdeel van de klacht laten zijn. Dit maakt dat klager niet ‘over de drempel van het verzet’ komt en de raad het verzet ongegrond zal verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mr. S.M. Bosch-Koopmans, mr. M.H. Pluymen, mr. S.H.G. Swennen en mr. S.J. de Vries, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 2 februari 2026