ECLI:NL:TADRARL:2026:26 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-573/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:26
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 30-01-2026
Zaaknummer(s): 25-573/AL/MN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij is in beide onderdelen ongegrond verklaard.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 26 januari 2026

in de zaak 25-573/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 11 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 21 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2477914 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klager werkt als een verslaggever bij [naam werkgever]. [naam werkgever]eeft gepubliceerd over twee cliënten van verweerder in berichten die zijn gemaakt door klager.

2.2 In brieven van 27 en 29 augustus 2024 heeft verweerder namens zijn cliënten sommaties aan [naam werkgever] en klager gestuurd in verband met publicaties van 13 en 27 augustus 2024.

2.3 In de brief van 29 augustus 2024 schrijft verweerder: “Dit schrijven dient dus als klacht tegen uw betreffende (on)journalistieke gedragingen te worden beschouwd, met het verzoek dit aldus in behandeling te nemen en mij binnen (maximaal) één maand na heden hieromtrent inhoudelijk te berichten. Dit doet niet af aan de termijn die ik namens de heer Bril sr. al stelde in mijn schrijven van 27 augustus 2024(en die dus toen al is ingegaan), wat betreft uw publicatie van 13 augustus.”

2.4 In een brief van 19 september 2024 heeft verweerder de twee bovengenoemde sommaties aan de Raad voor de Journalistiek gestuurd, met het verzoek om deze als klacht in behandeling te nemen.

2.5 In een brief van 23 september 2024 heeft verweerder de brief aan de Raad voor de Journalistiek aan [naam werkgever] gestuurd.

2.6 Op 23 september 2024 heeft [naam werkgever] een reactie gegeven op de brief. In deze brief heeft [naam werkgever] verweerder er op gewezen dat de door verweerder genoemde termijn van een maand nog niet was verstreken.

2.7 Diezelfde dag heeft verweerder op de brief van [naam werkgever] als volgt gereageerd: “Dan weet u nu hoe het voelt als men u onheus bejegent. Cliënt overkomt dit steeds door uw organisatie en [klager]. Ik zie de reactie uwerzijds dan wel tegemoet”.

2.8 In een brief van 24 september 2024 heeft de Raad voor de Journalistiek aan verweerder medegedeeld dat de klacht van 19 september 2024 niet (direct) in behandeling is genomen. Die brief luidt, voor zover relevant, als volgt:

In de informatie over onze klachtenprocedure (www.rvdj.nl/klachtindienen) kunt u onder meer lezen dat een klager zich met zijn bezwaren eerst moet wenden tot de eindverantwoordelijke van het medium (meestal de hoofdredacteur) en pas daarna bij de Raad een klacht kan indienen. Dit houdt in dat een klager de klacht die hij door de Raad wil laten beoordelen in (min of meer) dezelfde bewoordingen/strekking eerst aan het medium moet hebben voorgelegd. (…) Volgens ons reglement dient een klager zich binnen drie maanden na de journalistieke gedraging (meestal: de publicatie) tot het betrokken medium te wenden en heeft het medium hierna (maximaal) één maand de gelegenheid de klacht af te handelen. Als het medium de klacht niet naar tevredenheid heeft opgelost of niet heeft gereageerd, dan kan de klager vervolgens een klacht bij de Raad indienen. Dat moet gebeuren uiterlijk binnen zes maanden na het plaatsvinden van de journalistieke gedraging. De klager dient ons dan informatie te verstrekken waaruit blijkt hoe het medium de klacht heeft afgehandeld (zie artikel 2 lid 2 van ons reglement).  Blijkens de stukken hebt u de klachten op 27 en 29 augustus jl. voorgelegd aan de hoofdredactie van [naam werkgever] . De termijn waarbinnen [naam werkgever] uw klachten moet afhandelen (één maand) is echter nog niet verstreken. Ik kan uw klacht daarom nog niet in behandeling nemen en stel voor dat u de hoofdredacteur van [naam werkgever] eerst nog een herinnering (…). Als de hoofdredacteur vervolgens niet (naar tevredenheid) op uw herinnering reageert, kunt u ons laten weten dat u de klachtprocedure bij de Raad wenst voort te zetten.

2.9 In een brief van 27 september 2024 heeft de gemachtigde van [naam werkgever] de sommatie van 27 augustus 2024 van de hand gewezen.

2.10 In een brief van 10 februari 2025 heeft verweerder aan de Raad voor de Journalistiek laten weten de klacht door te willen laten zetten.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

  1. nog vóór het verstrijken van de gestelde termijn en zonder zijn reactie een klacht in te dienen bij de Raad voor de Journalistiek;
  2. onnodig en op ontoelaatbare wijze zijn belangen te schaden.

4 VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Ontvankelijkheid

5.1 Verweerder heeft betoogd dat klager geen rechtstreeks belang bij deze klacht heeft en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raad volgt verweerder niet in deze stelling. De klacht ziet op het handelen van verweerder met betrekking tot de door verweerder, namens zijn cliënt, ingediende klacht bij de Raad voor de Journalistiek. Deze klacht was gericht tegen zowel [naam werkgever] als klager. Gelet op die omstandigheid heeft klager een voldoende eigen en rechtstreeks belang bij de door hem ingediende klacht. Dat klager geen schade zou hebben ondervonden door het handelen van verweerder, is    - anders dan door verweerder is aangevoerd - geen reden om aan te nemen dat klager geen belang bij zijn klacht heeft. Klager is daarom ontvankelijk is zijn klacht. 

Maatstaf

5.2 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

Klachtonderdeel a)

5.3 Klager verwijt verweerder dat hij de door verweerder zelf gestelde termijn niet in acht heeft genomen. In brieven van 27 en 29 augustus 2024 heeft verweerder verzocht, dan wel gesommeerd, om zich te onthouden van publicatie over de cliënten van verweerder en binnen een maand inhoudelijk op deze brieven te reageren. Verweerder heeft deze brieven echter al op 19 september 2024, en dus nog binnen deze termijn, aan de Raad van de Journalistiek gestuurd met het verzoek om deze als klacht in behandeling te nemen. Verweerder heeft erkend dat hij zich niet aan deze termijn heeft gehouden.

5.4 De raad is (met klager) van oordeel dat het slordig van verweerder is dat hij zich niet aan zijn eigen termijn heeft gehouden. Ook acht de raad de - onder de feiten opgenomen - schriftelijke reactie op de e-mail van [naam werkgever] van verweerder van 23 september 2024 ongepast.

5.5 De raad acht bij de beoordeling van dit klachtonderdeel echter ook van belang dat de Raad voor de Journalistiek de klacht niet direct in behandeling heeft genomen omdat
- kort gezegd - de termijn waarbinnen klager en [naam werkgever] op de klachten konden reageren nog niet was verstreken. [naam werkgever] heeft op 27 september 2024 een reactie op de klacht van de cliënten van verweerder gegeven. Verweerder heeft de klacht uiteindelijk pas op 10 februari 2025 doorgezet. Gelet op deze gang van zaken heeft klager voldoende tijd gehad om op de klacht van de cliënten van verweerder te reageren en is klager door het handelen van verweerder niet in zijn belangen geschaad. Verder houdt de raad er rekening mee dat verweerder zijn vergissing heeft erkend en daarvoor zijn excuses heeft aangeboden.

5.6 De raad is - gelet op de hierboven genoemde omstandigheden - van oordeel dat dit handelen van verweerder van onvoldoende gewicht is om hem hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.7 Dit klachtonderdeel ziet op de inhoud van de klacht die verweerder namens zijn cliënten bij de Raad voor de Journalistiek heeft gedaan. Volgens klager heeft verweerder zich daarmee grievend uitgelaten over hem uitgelaten en zijn integriteit als journalist in twijfel getrokken, aldus klager.

5.8 De raad is van oordeel dat het verweerder vrij stond om - namens zijn cliënten - de klacht bij de Raad voor de Journalistiek in te dienen. Gelet op de inhoud van die klacht is geen sprake van onnodig grievende uitlatingen over klager. Ook is niet vast komen te staan dat verweerder in die procedure feiten heeft geponeerd waarvan hij wist of redelijkerwijs kon weten dat deze in strijd met de waarheid zijn. Naar het oordeel van de raad mocht verweerder zonder nader onderzoek afgaan op de van zijn cliënten ontvangen feitelijke informatie op de manier waarop hij dat heeft gedaan. Bovendien hebben klager en zijn advocaat in de procedure bij de Raad voor de Journalistiek tegen de vermeende onjuiste feiten of onjuiste standpunten verweer kunnen voeren. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van die standpunten een oordeel te geven, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de raad echter onvoldoende gebleken. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. A.W. Siebenga,
J.G. Molenaar, H.K. Scholtens en G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 26 januari 2026