ECLI:NL:TADRARL:2026:25 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-441/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:25 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 30-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-441/AL/NN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | klager beklaagt zijn eigen (asielrecht)advocaat dat zij hem niet heeft geïnformeerd over een brief aan de IND waarin zij haar beperkte beschikbaarheid in een periode vanwege persoonlijke omstandigheden heeft doorgegeven. De raad begrijpt dat klager is geschrokken toen hij later die brief in het IND-portaal aantrof. Alhoewel verweerster die informatie toen beter wel schriftelijk had kunnen delen met klager, begrijpt de raad de daarbij door haar gemaakte afwegingen. Klager is door de handelwijze van verweerster feitelijk ook niet in zijn belangen geschaad. Klacht ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 26 januari 2026
in de zaak 25-441/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 6 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 3 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2025 KNN002 / 2439734 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 21 november 2025. Daarbij waren klager en verweerster, ter zitting bijgestaan door mr. D. de Vries, aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van verweerster van 9 juli 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager heeft op 29 juli 2023 asiel aangevraagd. Verweerster is begin augustus 2023 door de Raad voor Rechtsbijstand gekoppeld aan klager (en zijn broer) als gemachtigde in de asielprocedure.
2.2 In de periode daarna is regelmatig contact tussen klager en verweerster geweest. Verweerster heeft klager gemeld dat zij de IND pas vanaf 26 oktober 2024 in gebreke kon stellen.
2.3 Op 16 juni 2024 heeft verweerster aan de IND in een aantal zaken, waaronder die van klager, hetzelfde bericht gestuurd:
Door persoonlijke omstandigheden ben ik tot en met 30 september 2024 met (vakantie-) verlof. Ik verzoek u om die reden in die periode niet de zaak te plannen, ook niet zodanig in oktober te plannen dat ik alsnog in september een gesprek moet hebben. U kunt wel altijd contact met mij opnemen voor nadere afstemming. Ik heb ook aan de RvR verzocht om dit door te geven bij de planning
Dit bericht heeft verweerster niet met klager gedeeld.
2.4 Op 3 januari 2025 heeft klager via WhatsApp aan verweerster laten weten dat hij erachter is gekomen dat zij, zonder klager daarover contact op te nemen, aan de IND heeft gevraagd om zijn zaak uit te stellen. Ook verwijt hij verweerster daarin dat zij daar niet open over is geweest, terwijl die extra zeven maanden wachten voor hem nadelig zijn geweest. Verweerster heeft gevraagd om daarover met haar te bellen, maar klager heeft voor een schriftelijke reactie zijn e-mailadres doorgegeven. Dezelfde dag heeft verweerster in haar e-mail met bijlagen aan klager uitgelegd dat zij niet eerder dan 15 maanden na zijn asielaanvraag een ingebrekestelling aan de IND kon sturen en dat zij ook tijdig daarna beroep bij de rechtbank heeft ingediend. Ook heeft zij hem geschreven dat de IND zijn zaak nog altijd niet heeft ingepland en de gemiddelde wachttijd al snel 21 maanden bedraagt. Verder heeft zij aan klager geschreven:
Als de zaak wel ingepland zou worden, dan had de IND-contact met mij opgenomen om te bezien of ik uw zaak zal doen of een kantoorgenoot. Ik wil u en uw broer heel graag blijven bijstaan. Het is staat u natuurlijk altijd vrij om een andere advocaat te zoeken.
2.5 Op 5 januari 2025 heeft klager aan verweerster gemaild dat hij geen andere keuze heeft dan een klacht over haar bij de deken in te dienen. Ook heeft hij zijn teleurstelling uitgesproken dat verweerster hem niet langer wil bijstaan nadat zij stiekem voor vijf maanden een uitstel in zijn zaak had gevraagd. Verweerster heeft daarop diezelfde dag in een e-mail uitgebreid inhoudelijk gereageerd. Ook heeft zij nog geschreven over haar bericht aan de IND over haar beperkte beschikbaarheid:
Het IND-systeem is zo goed als (compleet) vastgelopen. De advocaat heeft daar helaas geen enkele invloed ook. (…)
Als de IND had ingepland en ik zou u niet kunnen bijstaan, zal ik een ervaren kantoorgenoot gevraagd hebben en dit vanzelfsprekend aan u hebben voorgelegd of u hiermee akkoord was; dan had u kunnen wachten of zelf een andere advocaat kunnen inschakelen. Uw zaak was evenwel nog niet ingepland, tot heden. Bij een komende inplanning word ik benaderd door de IND-planning en de Raad voor Rechtsbijstand. (…)
2.6 Klager heeft op 5 januari 2025 een klacht bij de Klachtencommissie Rechtsbijstand Asiel en Vreemdelingenbewaring (hierna verder: de KRAV) tegen verweerster ingediend. De klacht luidt:
[Verweerster] heeft, zonder klager hierover in te lichten, per brief van 16 juni 2024 aan de IND verzocht om uitstel van de behandeling van de asielaanvraag van klager. Hierdoor heeft de behandeling van de asielaanvraag van klager vertraging opgelopen. Klager heeft als gevolg daarvan schade geleden. (…)
2.7 In haar e-mail van 7 januari 2025 heeft verweerster aan klager bericht dat hij een andere advocaat moet gaan zoeken en zij zich per 1 februari 2025 aan zijn zaak zal onttrekken.
2.8 Bij besluit van 28 mei 2025 heeft de KRAV de Raad voor Rechtsbijstand, onder meer op grond van de Best Practices Leidraad voor asieladvocaten (hierna: de leidraad), geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren en heeft, voor zover relevant in deze procedure, daartoe overwogen:
Onderdeel 1:
(…) De KRAV constateert dat [verweerster] met haar brief niet verzoekt om de behandeling van de asielaanvraag uit te stellen. De behandeling van de asielaanvraag was immers nog niet gepland en het was ook niet aannemelijk dat de asielaanvraag in de aangegeven periode zou worden behandeld gelet op de doorlooptijden van asielaanvragen. De wettelijke beslistermijn zou ook pas eind oktober 2024 eindigen. De brief betreft een kennisgeving van de beperkte beschikbaarheid van [verweerster] vanwege persoonlijke omstandigheden. Daarbij komt dat [verweerster] in haar brief aangeeft altijd beschikbaar te zijn voor nader overleg. De KRAV is van oordeel dat [naar de raad begrijpt: verweerster] gegeven de voornoemde omstandigheden [naar de raad begrijpt: klager] niet op de hoogte had moeten stellen van de brief. Te meer nu de leidraad hier ook niets over voorschrijft.
Onderdeel 2:
Blijkens de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 januari 2025 op het beroep niet tijdig beslissen van klager, heeft klager op 29 juli 2023 asiel aangevraagd. Gelet op de achterstanden van de IND bedraagt de behandelingsduur van een asielaanvraag thans meer dan 15 maanden. Gelet op deze afhandelingsduur is het niet aannemelijk dat de behandeling van de asielaanvraag van klager vertraging heeft opgelopen door de brief van [verweerster]. Klager heeft ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat de IND door de brief van [verweerster] de aanvraag langer heeft laten wachten. [Verweerster] kan dan ook geen verwijt worden gemaakt. Te meer nu zij na afloop van de wettelijke beslistermijn van de asielaanvraag direct een ingebrekestelling aan de IND heeft gestuurd en daarna een beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing bij de rechtbank heeft ingediend. Hiermee heeft [verweerster] geprobeerd de behandeling van de asielaanvraag van klager te bespoedigen. (…)
2.9 Bij besluit van 16 juni 2025 heeft de Raad voor Rechtsbijstand het advies van de KRAV overgenomen en de klacht van klager ongegrond verklaard.
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
zonder klager daarover te informeren en/of een vervanger te zoeken in haar bericht van 16 juni 2024 aan de IND een ongebruikelijke lange periode van afwezigheid door te geven, wat tot serieuze vertraging in de asielprocedure van klager heeft geleid.
4 VERWEER
Verweerster betwist dat zij vertraging in de asielprocedure van klager heeft veroorzaakt. Zoals te doen gebruikelijk heeft zij de IND ingelicht over haar vakantieperiode vanaf 16 juni tot en met 31 juli 2024. Zij had de door klager overgelegde brief van 16 juni 2024 als aanvullend verzoek na overlijden van een familielid aan de IND voor de periode augustus-september 2024 geüpload in het IND-portaal, ook in de zaak van klager. Zij heeft dit toen niet met klager besproken, omdat dat in haar optiek niet nodig was en zij klager niet wilde laten schrikken. Het was geen uitstelverzoek maar een signaal aan de IND voor haar beperktere bereikbaarheid in die periode. Als de zaak van klager in die periode toch aan de beurt was gekomen, dan wist de IND daarvan af en had ofwel verweerster dan wel een andere advocaat klager met zijn instemming dan kunnen bijstaan. Kennelijk heeft klager de brief in december 2024 in zijn IND-portaal aangetroffen. Ondanks verschillende pogingen om klager uit te leggen wat er was gebeurd, stond klager daar niet voor open. Zij heeft daarna haar werkzaamheden voor klager met ingang van 1 februari 2025 neergelegd. Verweerster betreurt het dat het zo is gelopen.
5 BEOORDELING
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.4 Naar het oordeel van de raad zijn de door klager gemaakte verwijten, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerster, niet komen vast te staan. De raad maakt de motivering van de KRAV in de beslissing tot ongegrondverklaring tot de zijne.
5.5 Klager beklaagt zich er ook over dat verweerster niet met hem heeft gecommuniceerd over de inhoud van haar brief van 16 juni 2024 aan de IND en hij maanden later is geschrokken toen hij die brief in zijn digitale dossier van de IND aantrof. Mogelijk was het beter geweest als verweerster de brief van 16 juni 2024 aan de IND ook aan klager had doorgestuurd, wat op grond van gedragsregel 16 lid 1 het uitgangspunt is, maar het niet doorzenden daarvan is, gezien de uitleg van verweerster en het feit dat de belangen van klager niet zijn geschaad, in dit geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De raad begrijpt de afwegingen die verweerster heeft gemaakt door genoemde brief niet met klager te bespreken of hem daarover te informeren. Zij heeft met het doorgeven van haar beperkte beschikbaarheid aan de IND juist in het belang van klager gehandeld. Daar komt nog bij dat verweerster er naar het oordeel van de raad niet op bedacht hoefde te zijn dat klager het geüploade bericht eind 2024 kon inzien. Klager had in juni 2024 nog geen bsn-nummer. Dat heeft hij pas later in 2024 gekregen en daarmee toegang tot zijn digitale dossier bij de IND. Klager is door de handelwijze van verweerster feitelijk ook niet in zijn belangen geschaad. Zijn asielaanvraag is in de periode van beperkte aanwezigheid van verweerster in de zomermaanden van 2024 en ook niet in de maanden daarna door de IND in behandeling genomen. Verweerster heeft dat op basis van haar ervaring in het asielrecht aldus op juiste wijze ingeschat.
5.6 Tuchtrechtelijk wordt verweerster dan ook geen verwijt gemaakt dat zij onvoldoende rechtsbijstand aan klager heeft gegeven. De raad zal de klacht dan ook ongegrond verklaren. Aan het verzoek tot schadevergoeding van klager, wat daar ook van zij, komt de raad dan ook niet meer toe.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. Y.M. Nijhuis en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 januari 2026